Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/353167-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 22/001874-22
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Datum zitting: 12 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1994 in [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. D. Nieuwenhuis
Officier van justitie: mr. M. van Drunen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer te schoppen, met zijn vuisten te slaan en met een fles drank op het hoofd te slaan. De verdachte krijgt de straf opgelegd die de officier van justitie geëist heeft, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk. Daaraan worden bijzondere voorwaarden verbonden. Afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
1. Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
primair
op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen althans eenmaal
- die [slachtoffer] tegen de benen en/of de billen heeft getrapt/geschopt en/of
- die [slachtoffer] met gebalde vuisten tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of
- ( vervolgens) met een Cognac fles althans een zwaar voorwerp op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair
op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer] heeft mishandeld door
meermalen althans eenmaal
- die [slachtoffer] tegen de benen en/of de billen te trappen/schoppen en/of
- die [slachtoffer] met gebalde vuisten tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of
- ( vervolgens) met een Cognac fles althans een zwaar voorwerp op het hoofd te slaan.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft primair ten laste gelegde feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 12 maart 2026;
Het proces-verbaal van aangifte, Eenheid Rotterdam, nummer [nummer proces-verbaal] , pagina’s 89 tot en met 97 van het voorgeleidingsdossier, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] .
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
primair
hij op 21 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen
- die [slachtoffer] tegen de benen heeft getrapt/geschopt en
- die [slachtoffer] met gebalde vuisten tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en
- ( vervolgens) met een Cognac fles op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair:
Medeplegen van poging tot zware mishandeling
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer meerdere keren te slaan en hem te schoppen.
De verdachte heeft het slachtoffer onder andere met een fles drank op het hoofd geslagen en hem daarmee flink verwond. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 februari 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbare feit.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 11 maart 2026 wordt vermeld dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Als risicofactoren worden het middelengebruik van de verdachte, zijn psychosociaal functioneren, zijn houding en zijn sociale netwerk genoemd. Het delictpatroon van de verdachte staat in verband met zijn drugsverslaving. Hij kampt sinds jaren met problematisch gebruik van cocaïne. Op vrijwel alle leefgebieden is sprake van instabiliteit. De verdachte leidde voor zijn huidige bestaan een zwervend bestaan in regio Rotterdam. Hij sliep bij kennissen en beschikte niet over dagbesteding of een inkomen. Als ondersteunende factoren worden het contact van de verdachte met zijn partner en met zijn moeder gezien, maar hun aanwezigheid heeft de verdachte niet van dit gedrag weerhouden. De verdachte is gemotiveerd voor een ambulant reclasseringstraject. Volgens de reclassering is een ambulant traject echter niet haalbaar, omdat vrijwel alle ambulante interventies die in het verleden zijn ingezet voortijdig negatief zijn beëindigd. Voor de verdachte is een omgeving met structuur en een beveiligingsniveau noodzakelijk. Het risico op (gewelddadige) recidive wordt ingeschat als hoog. Nieuwe diagnostiek is nodig evenals een behandelsetting met voldoende controle en met een gefaseerde opbouw van vrijheden. Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering een afdoening met bijzondere voorwaarden, waaronder een langdurige klinische behandeling waarna de verdachte middels begeleid wonen en ambulante begeleiding kan toewerken naar een abstinent, delictvrij leven. Op 6 maart 2026 is een aanmelding gedaan bij het IFZ.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te ostraffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank het in het belang van de verdachte en de maatschappij vindt dat de verdachte zo snel mogelijk behandeld zal worden voor onder meer zijn verslavingsproblematiek. Met de op te leggen straf is het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn bedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Mede gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies en het strafblad van de verdachte houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
5. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot
tenuitvoerlegging van de aan de verdachte bij gerechtshof Den Haag van 26 augustus 2025 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Oordeel van de rechtbank
Het bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het arrest verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
De rechtbank ziet gelet op de aard van de voorwaardelijk opgelegde straf desondanks af van de tenuitvoerlegging. De vordering wordt dus afgewezen.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2.3.2. is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3.1 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat één maand van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 22/001874-22)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het arrest van 26 augustus 2025 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.