uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026
op het verzet van
[opposante], opposante ([opposante]), uit Rotterdam,
(gemachtigde in verzet: [naam])
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 december 2025 (de uitspraak) in het geding tussen
[opposante]
en
Dienst Toeslagen
en uitspraak in de zaak tussen
[opposante]
en
Dienst Toeslagen
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van [opposante] gaat over de uitspraak van de rechtbank waarin de rechtbank het beroep van 23 juli 2025 wegens niet tijdig beslissen op haar verzoek aan de Commissie Werkelijke schade (CWS) om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Omdat het verzet gegrond is, doet de rechtbank voorts opnieuw uitspraak op het beroep wegens niet tijdig beslissen van [opposante]. Omdat niet om een zitting is verzocht en een zitting niet nodig is, wordt die einduitspraak vereenvoudigd afgedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
7. In de uitspraak is overwogen dat de ingebrekestelling van 8 juli 2025 prematuur was omdat de beslistermijn met een half jaar was verlengd tot 27 juli 2025. De rechtbank ging er daarbij in overeenstemming met het verweerschrift van de Dienst Toeslagen vanuit dat [opposante] zich op 27 juli 2024 heeft gemeld bij CWS.
8. In verzet heeft [opposante] terecht aangevoerd dat zij de aanvraag reeds op 27 juni 2024 heeft ingediend. Zij heeft ter onderbouwing een brief van CWS van 8 juli 2024 overgelegd waarin de (eerdere) indiening van het verzoek van [opposante] wordt bevestigd. Voorts bevindt zich bij de stukken een voorschotbeslissing van 29 juli 2025 waarin als aanvraagdatum 27 juni 2024 is vermeld. De eerdere brief van 23 december 2024 waarin de beslistermijn is verlengd, bevat gelet op het voorgaande een verschrijving door daarin een verzoek van 27 juli 2024 te vermelden. Indien het beroep niet vereenvoudigd was afgedaan, maar op een zitting was behandeld dan had [opposante] deze verschrijving aan de orde kunnen stellen.
9. Gelet hierop is het verzet gegrond en kan de uitspraak niet in stand blijven.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep
10. De Dienst Toeslagen heeft niet tijdig beslist, zodat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet gelet op artikel 8:55d van de Awb aanleiding om een nadere beslistermijn vast te stellen en daaraan een dwangsom te verbinden. Daarbij wordt gelet op vaste rechtspraak aangenomen dat de Dienst Toeslagen een aanzienlijk langere nadere beslistermijn nodig heeft dan de standaardtermijn van twee weken.
11. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag op 27 juni 2024 ontvangen en de beslistermijn op 23 december 2024 (dat is tijdig) met zes maanden verlengd. De laatste dag van de wettelijke beslistermijn was 26 juni 2025. De Dienst Toeslagen moet binnen 60 weken na die datum alsnog een besluit op de aanvraag van [opposante] bekendmaken (vgl. ECLI:NL:RVS:2025:1301). De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.
12. [opposante] heeft voorts in haar beroepschrift erop gewezen dat de Dienst Toeslagen de bestuurlijke dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb is verschuldigd. De rechtbank begrijpt hieruit dat [opposante] de rechtbank verzoekt toepassing te geven aan artikel 8:55c van de Awb. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom die de Dienst Toeslagen heeft verbeurd, vast op € 1442.
Conclusie en gevolgen
13. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak is komen te vervallen. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van de Awb uitspraak op het beroep en verklaard het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond. Voorzien wordt in een andere beslistermijn met een dwangsom. Voorts wordt de bestuurlijke dwangsom vastgesteld.
14. De rechtbank ziet aanleiding tot een proceskostenveroordeling in verzet en in beroep met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. [opposante] heeft zelf het beroepschrift ingediend, zodat hiervoor geen proceskosten zijn gemaakt. De gemachtigde heeft een verzetschrift ingediend (0,5 punt, tegen een waarde per punt van € 934). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond,
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit,
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd van € 1442;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen uiterlijk binnen 60 weken te rekenen vanaf 27 juni 2025 alsnog op de aanvraag beslist;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen bij overschrijding van die termijn een dwangsom verbeurt van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53 aan [opposante] moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van [opposante] tot een bedrag van
€ 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Tegen de einduitspraak staat binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden verzet open bij de rechtbank.