Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummers / rekestnummers: C/10/686230 / FA RK 24-6976 en
C/10/694318 / FA RK 25-1139
Beschikking van 9 maart 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.C. Koetze te Doorn,
t e g e n
[naam vrouw] (voorheen: [naam] ), hierna: de vrouw,
wonende te [adres] ,
advocaat mr. A.C. Mens te Hoofddorp.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 18 september 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 februari 2025;
het verweerschrift van de man op het zelfstandig verzoek van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 6 mei 2025;
het bericht van de vrouw van 30 juni 2025;
het aanvullende verweerschrift, tevens gewijzigd zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 12 januari 2026;
het bericht met bijlagen van de vrouw, tevens inhoudende een gewijzigd verzoek, van 13 januari 2026;
de berichten met bijlagen van de man van 13 januari 2026 en 15 januari 2026;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 19 januari 2026, zijnde de reactie op een verzoek van de rechtbank van diezelfde datum.
Buiten de toegestane termijn heeft de rechtbank ontvangen het bericht van de vrouw van 23 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw de bijbehorende bijlage met toestemming van de rechtbank overgelegd. De rechtbank heeft vervolgens beslist dat dit stuk alleen in de beoordeling wordt betrokken (na uitlaten van partijen daarover) als dit stuk van belang blijkt voor de beslissing.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling pleitnoties overgelegd, maar die zijn niet voorgedragen.
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] .
De man heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse en de Colombiaanse nationaliteit.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 mei 2025 betreffende voorlopige voorzieningen is bepaald dat de man met ingang van de datum van die beschikking een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 2.953,- per maand.
3. De beoordeling
Scheiding
Beide partijen verzoeken de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter op grond van
artikel 3 lid b Brussel II-ter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
Onderhoudsbijdrage
De vrouw verzoekt in haar gewijzigd verzoekschrift van 13 januari 2026 een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 4.711,- bruto per maand vast te stellen.
De man voert gemotiveerd verweer.
Rechtsmacht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij op grond van artikel 3 aanhef en onder c van de Alimentatieverordening ook rechtsmacht over het alimentatieverzoek.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (het Alimentatieprotocol), is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. Niet in geschil is dat de gewone verblijfplaats van de vrouw in Luxemburg ligt.
De vrouw doet echter een beroep op artikel 5 van het Alimentatieprotocol. In dat artikel is een bijzondere regeling vastgelegd voor (ex-)echtgenoten. Die regeling houdt in dat als een (ex-)echtgenoot zich tegen toepassing van artikel 3 van het Alimentatieprotocol verzet en het recht van een andere staat, in het bijzonder de staat van de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de (ex-)echtgenoten, nauwer met het huwelijk is verbonden, het recht van die andere staat van toepassing is.
Dit artikel is in het leven geroepen omdat de algemene hoofdregel van artikel 3 niet altijd tot bevredigende uitkomsten leidt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de onderhoudsgerechtigde vanuit een land waarin terughoudend wordt omgegaan met onderhoudsverplichtingen verhuist naar een land waar een ‘ruimhartiger’ alimentatiebeleid geldt en de onderhoudsplichtige dit ten tijde van het huwelijk niet heeft kunnen voorzien.
De vrouw verzet zich tegen toepassing van het Luxemburgse recht en stelt dat het huwelijk van partijen nauwer verbonden is met het Nederlandse rechtsstelsel, zodat het Nederlandse recht van toepassing is. De man voert gemotiveerd verweer.
De rechtbank stelt voorop dat een beroep van de vrouw op artikel 5 van het Alimentatieprotocol slechts kan worden gehonoreerd als de rechtbank van oordeel is dat het huwelijk van partijen een ‘sterkere verbondenheid’ heeft met het Nederlandse recht dan met dat van Luxemburg. Bij die beoordeling komt bijzonder gewicht toe aan de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten. Dit aanknopingspunt vormt echter geen onweerlegbaar vermoeden, maar een sterke aanwijzing. Meestal heeft de laatste gewone verblijfplaats een sterke verbondenheid met het huwelijk. Dit kan echter ook anders zijn, bijvoorbeeld als deze gemeenschappelijke gewone verblijfplaats verder terug in tijd ligt. De rechtbank overweegt voorts dat bij de beoordeling van het nauwst verbonden recht alle omstandigheden van het geval in de afweging moeten worden betrokken, zoals onder andere de plaats van de huwelijksvoltrekking, de plaats waar de echtscheiding is uitgesproken, de gewone verblijfplaats van partijen tijdens het huwelijk en de nationaliteit van partijen. De factor tijd speelt ook een rol. Verder is van belang welke verwachting partijen gedurende het huwelijk redelijkerwijs mochten hebben over het recht waarmee dit huwelijk het sterkst is verbonden.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling komt het volgende naar voren. Partijen hebben in 2018 een relatie gekregen. Op dat moment woonde de vrouw in Colombia en de man in Nederland. De vrouw is tien dagen voorafgaand aan het huwelijk met de man naar Nederland gekomen met de bedoeling daar te gaan wonen. Partijen zijn vervolgens in Turkije gehuwd. Na het huwelijk woonden partijen in de koopwoning van de man in Nederland en werkten ze ook allebei in Nederland. In december 2020 heeft de man een nieuwe baan aangenomen in Luxemburg en zijn partijen samen naar Luxemburg verhuisd. De koopwoning van de man in Nederland wordt sindsdien verhuurd.
Partijen hebben zich pas op 30 mei 2022 officieel uitgeschreven uit Nederland. Tot die tijd bleven zij ingeschreven staan in Nederland in verband met het werk van de vrouw. De vrouw had namelijk tot mei 2022 nog een baan in Nederland, waarvoor zij digitaal vanuit Luxemburg werkzaamheden verrichtte. Eens in de paar maanden ging de vrouw naar Nederland voor een vergadering of cursus. Per februari 2023 heeft de vrouw een baan in Luxemburg gekregen. De vrouw heeft in april 2024 de Nederlandse nationaliteit gekregen, waardoor dit de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen is geworden. In juni of juli 2024 is de relatie verbroken en is de man naar Turkije verhuisd. De vrouw woont nog steeds in Luxemburg. Op 18 september 2024 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend in Nederland; op 23 september 2024 heeft de vrouw dat in Luxemburg gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een nauwere verbondenheid van het huwelijk met Nederland dan met Luxemburg en overweegt daartoe als volgt. Partijen zijn niet in Nederland geboren en spreken de Nederlandse taal niet of nauwelijks. Dit laatste blijkt uit het feit dat ze tijdens de mondelinge behandeling allebei bijstand nodig hadden van een tolk. Partijen hebben langer samen in Luxemburg gewoond (zo’n drieënhalf jaar) dan in Nederland (nog geen anderhalf jaar). Hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats was ook in Luxemburg. De vrouw werkt inmiddels langer in Luxemburg dan in Nederland. Voorts geldt dat niet is komen vast te staan dat de intentie van partijen was om alleen tijdelijk voor het werk van de man naar Luxemburg te verhuizen om daarna weer terug te verhuizen naar Nederland, zoals de vrouw stelt. De man betwist dit. Die betwisting vindt steun in de volgende feiten en omstandigheden. De vrouw heeft niet weersproken dat de man een contract voor onbepaalde tijd had bij zijn werkgever in Luxemburg. De man is na de beëindiging van zijn werkzaamheden in Luxemburg verhuisd naar Turkije. Ook de vrouw is na het beëindigen van de samenleving met de man niet teruggekeerd naar Nederland; zij woont nog steeds in Luxemburg.
Dit alles wijst er sterk op dat het huwelijk van partijen sinds de verhuizing naar Luxemburg geen duidelijke binding meer heeft met Nederland.
Daartegenover staat het volgende. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk gevestigd in Nederland. De vrouw kwam in het begin van de verhuizing naar Luxemburg voor een relatief korte periode van het huwelijk nog één keer in de paar maanden naar Nederland voor werk en partijen stonden daarom nog tot mei 2022 in Nederland ingeschreven in plaats van in Luxemburg. In april 2024 heeft de vrouw de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voorts geldt dat de man zijn echtscheidingsverzoek heeft ingediend in Nederland en dat de vrouw aan het einde van de mondelinge behandeling heeft gesteld in de toekomst weer in Nederland te willen gaan wonen.
Deze feiten en omstandigheden vindt de rechtbank in het licht van de overige omstandigheden van het geval echter onvoldoende zwaarwegend om een nauwere band met Nederland aan te nemen.
De conclusie is dat de rechtbank op grond van de hoofdregel van artikel 3 van het Alimentatieprotocol Luxemburgs recht van toepassing acht op het alimentatieverzoek van de vrouw, omdat zij in dat land haar gewone verblijfplaats heeft.
Voor de goede orde merkt de rechtbank nog op dat dit oordeel anders uitpakt dan dat van de rechtbank in het kader van de procedure voorlopige voorzieningen. Een dergelijke procedure is naar haar aard echter een voorlopige beslissing, waaraan een minder grondige toets ten grondslag ligt.
Inhoudelijk
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar subsidiaire stelling dat zij naar Luxemburgs recht aanspraak maakt op de door haar verzochte partneralimentatie, onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft al in zijn verweerschrift van 6 mei 2025 het standpunt ingenomen dat het Luxemburgse recht van toepassing is op het verzoek en dat het op de weg van de vrouw ligt om het Luxemburgse alimentatierecht toe te lichten en te stellen en te onderbouwen op welke wijze de partneralimentatie moet worden berekend.
De vrouw heeft vervolgens slechts in algemene termen gesteld dat het Luxemburgse alimentatierecht vergelijkbaar is met het Nederlandse alimentatierecht en dat het verzoek om een partnerbijdrage ook in Luxemburg wordt beoordeeld aan de hand van behoefte en draagkracht. Dit is voor de rechtbank onvoldoende concreet om het verzoek naar Luxemburgs recht te kunnen beoordelen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw nog voorgesteld om haar voormalige advocaat in Luxemburg te raadplegen. De rechtbank stelt de vrouw daartoe niet meer in de gelegenheid. Het had op haar weg gelegen om dit na lezing van het verweer van de man te doen, voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat Luxemburgs recht van toepassing is. Dat de vrouw dit al die tijd heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. Het verzoek van de vrouw wordt dan ook afgewezen omdat dit onvoldoende is onderbouwd.
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing. Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben gedaan. Op grond van artikel 26, lid 1 onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlands recht, omdat partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.
Verzoeken
De man stelt dat partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen op
1 april 2022. Hij verzoekt vast te stellen dat partijen uit hoofde van de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden over en weer niets van elkaar te vorderen hebben.
De vrouw verzoekt – zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling – primair een verklaring voor recht dat de huwelijkse voorwaarden nietig zijn en subsidiair vernietiging van de huwelijkse voorwaarden. Daarnaast verzoekt zij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen vast te stellen op de door haar voorgestelde wijze, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de man in gebreke blijft mee te werken aan de afwikkeling van de vermogensbestanddelen.
Nietigheid huwelijkse voorwaarden
Ten aanzien van de formele geldigheid van de huwelijkse voorwaarden geldt op grond van artikel 25 lid 1 van de Verordening huwelijksvermogensstelsels dat de huwelijkse voorwaarden op schrift worden gesteld, worden gedagtekend en door beide echtgenoten worden ondertekend. Uit lid 2 volgt dat, als volgens het recht van de lidstaat waar beide echtgenoten bij het maken van de huwelijkse voorwaarden hun gewone verblijfplaats hadden, de huwelijkse voorwaarden aan aanvullende vormvereisten zijn onderworpen, die aanvullende vereisten van toepassing zijn.
Vast staat dat partijen ten tijde van het opstellen van het document dat door de man wordt aangeduid als huwelijkse voorwaarden, te weten op 1 april 2022, hun gewone verblijfplaats in Luxemburg hadden. Op grond van artikel 1394 van het Luxemburgs Burgerlijk Wetboek moeten alle huwelijkse voorwaarden worden opgesteld bij notariële akte voor een notaris, in aanwezigheid en met instemming van alle partijen.
De vrouw betwist de rechtsgeldigheid van de huwelijkse voorwaarden. De man beroept zich op het bestaan daarvan en het ligt dan ook op zijn weg om te onderbouwen dat partijen volgens Luxemburgs recht rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. De man heeft dat nagelaten. Uit het door de man overgelegde document dat partijen op 1 april 2022 op het Turkse consulaat in Rotterdam hebben ondertekend, blijkt niet dat dit document is opgesteld en ondertekend door een notaris. Dat de vice-consul die de overeenkomst heeft ondertekend, naar Luxemburgs recht mag werken als notaris wordt door de vrouw betwist en door de man niet verder onderbouwd. De rechtbank kan daarom niet tot de conclusie komen dat tussen partijen sprake is van naar Luxemburgs recht rechtsgeldig overeengekomen huwelijkse voorwaarden. Dat brengt met zich mee dat partijen in een beperkte gemeenschap van goederen naar Nederlands recht zijn gehuwd.
Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het verzoek van de vrouw over de verdeling van deze beperkte gemeenschap. Dit betekent ook dat de vrouw geen belang meer heeft bij een afzonderlijke verklaring voor recht over de nietigheid van de huwelijkse voorwaarden en dat de rechtbank niet toekomt aan het vernietigen van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw die daarop betrekking hebben daarom afwijzen.
De conclusie dat partijen in een beperkte gemeenschap van goederen naar Nederlands recht zijn gehuwd, maakt dat de bijlage bij het bericht van de vrouw van
23 januari 2026 niet van belang is voor de beslissing, zodat dit stuk niet wordt betrokken in de beoordeling.
Verdeling beperkte gemeenschap
De beperkte gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd:
goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift;
pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef en onder c BW.
Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 18 september 2024.
Volgens partijen of één van hen bestaat de huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:
Goederen:
appartement in Istanbul op naam van de man;
de saldi op de volgende bankrekeningen:
- [rekeningnummer 1] op naam van de vrouw;
- [rekeningnummer 2] op naam van de man;
- [rekeningnummer 3] op naam van de man;
- bankrekeningen van de man in Turkije.
personenauto Ford Puma, tussen partijen genoegzaam bekend;
a. appartement Istanbul
De vrouw stelt dat de man op de peildatum een appartement had in Istanbul. Zij verzoekt deze toe te delen aan de man en te bepalen dat hij de helft van de waarde aan haar moet voldoen. De man betwist niet dat hij op de peildatum een appartement had in Istanbul, maar wel dat hij de helft van de waarde daarvan aan de vrouw zou moeten voldoen. Volgens de man heeft hij dit appartement in 2013 en dus voorafgaand aan het huwelijk gekocht.
De man voert verder aan dat dit het appartement is dat in zijn Turkse aangifte inkomstenbelasting 2024 is vermeld inclusief adresgegevens en huurinkomsten.
De vrouw stelt dat de man zijn appartement in 2023 heeft verkocht en vervolgens een nieuw appartement heeft gekocht dat wel in de beperkte gemeenschap valt. De man is om die reden in 2023 ook naar Turkije gereisd volgens de vrouw. De man ontkent dat hij in 2023 een nieuw appartement heeft gekocht. Hij voert aan dat zijn moeder in 2023 een nieuw appartement heeft gekocht. Hij heeft haar daarbij geholpen, maar is niet (deels) eigenaar geworden van het appartement van zijn moeder. Hij staat enkel op dat adres ingeschreven, aldus de man.
In het licht van de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de man op de peildatum (deels) eigenaar was van een appartement in Istanbul dat in de beperkte gemeenschap valt. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw daarom af.
b. Saldi bankrekeningen
De vrouw verzoekt de saldi van de bankrekeningen per peildatum te verdelen.
De man heeft niet betwist dat de door de vrouw gestelde bankrekeningen er waren op de peildatum. De rechtbank zal als wijze van verdeling bepalen dat partijen binnen 4 weken de saldi op de datum van het huwelijk en de saldi op de peildatum van de bankrekeningen die op zijn/haar naam staan aan de ander inzichtelijk maken en dat het verschil daartussen binnen vier weken na deze beschikking bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Bij een negatief verschil zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig.
c. Auto Ford Puma
De vrouw verzoekt de auto toe te delen aan de man, onder verrekening van de helft van de waarde met de vrouw. De man voert gemotiveerd verweer.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw de stelling van de man erkend dat de Ford voorafgaand aan de peildatum is verkocht. De vrouw heeft voorts de stelling van de man dat de verkoopopbrengst op zijn Luxemburgse bankrekening is gestort, niet betwist.
De rechtbank constateert dat de vrouw meedeelt in het saldo van die bankrekening op de peildatum (waarop het op de datum van het huwelijk aanwezige saldo in mindering komt). Voor zover de man met de verkoopopbrengst huwelijkse schulden heeft afgelost, hebben partijen daarmee ieder aan hun gelijke draagplicht in hun onderlinge verhouding voldaan. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw daarom af.
Overige verzoeken
Dwangsom
De vrouw verzoekt een dwangsom van € 5.000,- per dag, voor elke dag dat de man in gebreke blijft om mee te werken aan de afwikkeling van de vermogensbestanddelen.
De rechtbank zal deze dwangsom niet toewijzen. Nog los van de vraag of een dwangsom noodzakelijk is, is deze dwangsom niet uitvoerbaar. Daarvoor zijn de van de man te verwachten handelingen niet concreet genoeg. Overigens heeft de vrouw tot op heden ook geen concrete stappen gezet om tot een afwikkeling te komen, zoals het verstrekken van bankafschriften.
Pensioenrechten
De vrouw verzoekt te bepalen dat de vrouw recht heeft op de helft van het door de man opgebouwde pensioenrecht tijdens het huwelijk, zowel in Nederland als in Luxemburg. Ingevolge artikel 10:51 BW is het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogens-regime ook van toepassing op de pensioenverevening. Naar Nederlands recht heeft te gelden dat, indien een echtgenoot tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd, de andere echtgenoot bij echtscheiding van rechtswege recht op pensioenverevening heeft.
Dit geldt ook voor in het buitenland opgebouwd pensioen voor zover dit onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding valt. De vrouw heeft niet gesteld noch onderbouwd dat de in het buitenland door de man opgebouwde pensioenrechten niet onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen en om die reden apart in de verdeling betrokken zouden moeten worden. Gelet op het voorgaande heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek en zal de rechtbank dit afwijzen.
Aanhouding
De vrouw verzoekt aanhouding om haar in de gelegenheid te stellen haar verzoek om een schadevergoeding van de man te concretiseren en te onderbouwen. De rechtbank wijst dit verzoek om aanhouding af. De vrouw heeft voldoende gelegenheid gehad om haar verzoek op dit punt te concretiseren en te onderbouwen.
Intrekking
Het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw gehouden is de helft van de IB-schuld te voldoen, is door de man ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom niet meer te beslissen op dit verzoek.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;
gelast de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap in die zin dat partijen binnen vier weken na de datum van deze beschikking het verschil tussen de saldi op de datum van het huwelijk en de peildatum (18 september 2024) van de onder 3.26. (onder b) genoemde bankrekeningen bij helfte moeten verdelen en ieder voor de helft draagplichtig zijn voor een eventueel negatief verschil;
bepaalt dat partijen de saldi van de bankrekeningen op zijn/haar eigen naam op de datum van het huwelijk en de peildatum (18 september 2024) aan de ander inzichtelijk maken binnen een periode van vier weken na de datum van deze beschikking;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, voorzitter en (kinder)rechter, mr. S.L. Raphael en mr. C.C.B. Boshouwers (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. Stolk, griffier, op 9 maart 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.