ECLI:NL:RBROT:2026:3146

ECLI:NL:RBROT:2026:3146

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer C/10/710396 / FA RK 25-8865
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Rechtbank stelt zorgregeling, informatieregeling en kinderbijdrage vast in het kader van voorlopige voorzieningen. Partijen worden doorverwezen naar mediation.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/710396 / FA RK 25-8865

Beschikking van 11 maart 2026 over voorlopige voorzieningen

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. S. Kara te Rotterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. L. de Brito te Rotterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlage van de man, ingekomen op 19 november 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 13 februari 2026;

het bericht met bijlagen van de man van 20 en 24 februari 2026;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 23 februari 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

De oudste minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft op 9 februari 2026 met de kinderrechter gesproken.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn op 19 maart 2018 met elkaar gehuwd.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats]

De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan, bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/706529 / FA RK 25-6910.

Partijen zijn in onderling overleg overeengekomen dat de minderjarigen om de week van vrijdag na school tot maandag naar school en iedere woensdag na school tot 18.30 uur bij de man verblijven.

3. De beoordeling

Ingetrokken verzoek

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw het verzoek ten aanzien van de afgifte van goederen ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

Zorgregeling

De man verzoekt – na wijziging –een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) als volgt vast te stellen:

primair: de minderjarigen verblijven de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw, met als wisselmoment zondag om 17.00 uur waarbij de ouder bij wie de zorgweek begint de minderjarigen ophaalt;

subsidiair: de minderjarigen verblijven de ene week van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar de school en in de andere week van donderdag uit school tot maandagochtend naar school bij de man;

de schoolvakanties en feestdagen worden bij helfte tussen partijen verdeeld, waarbij de minderjarigen in de even jaren de eerst helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw. In de oneven jaren zal dit andersom zijn.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

De man stelt dat er geen contra-indicaties zijn voor uitbreiding van de zorgregeling. De communicatie tussen partijen verloopt volgens hem naar behoren. Daarnaast is hij actief betrokken bij het leven van de minderjarigen en is hij in staat om de zorg voor hen volledig op zich te nemen, aldus de man. De vrouw stelt dat er geen spoedeisend belang is, omdat er al een zorgregeling is die door partijen wordt uitgevoerd. Voor een co-ouderschap is goede communicatie vereist, hetgeen tussen partijen ontbreekt. De huidige regeling zorgt voor rust en stabiliteit voor de minderjarigen.

De raad is van mening dat de huidige regeling beperkt is en dat een uitbreiding van de zorgregeling mogelijk moet zijn. Verder adviseert de raad partijen een mediationtraject in te gaan om de communicatie tussen hen te verbeteren en afspraken te maken.

Partijen zijn overeengekomen een mediationtraject in te gaan om te trachten overeenstemming te bereiken over de zorgregeling en verdere afspraken te maken die kunnen worden opgenomen in een ouderschapsplan. De rechtbank zal de zaak, zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling, niet aanhouden en beslissen op de verzoeken.

Reguliere zorgregeling

De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de man toewijzen. De rechtbank ziet geen enkele reden waarom de man niet een groter aandeel kan dragen in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Een meer uitgebreide regeling is voor de man ook praktisch uitvoerbaar, omdat hij met zijn werkgever heeft geregeld dat hij op zorgdagen beschikbaar is voor de minderjarigen. Het uitgangspunt is dat de man de minderjarigen zelf ophaalt van school, maar als dat hem om welke reden dan ook niet lukt, staat het hem vrij de tante (vz) of oma (vz) te vragen de kinderen op te halen.

Partijen kunnen tijdens het mediationtraject bespreken hoe zij de zorgregeling verder willen vormgeven en/of uitbreiden.

Vakanties en feestdagen

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De vakanties van twee weken of langer worden bij helfte verdeeld, waarbij de man in de even jaren de eerste helft heeft en de vrouw de tweede helft. In de oneven jaren is dit andersom.

De vakanties die korten duren, zoals de voorjaars- en herfstvakantie, worden om en om bij één van de ouders doorgebracht. Omdat de minderjarigen in de voorjaarsvakanties van 2026 het grootste deel bij de vrouw hebben verbleven, stemt zij ermee in dat de minderjarigen in de herfstvakantie van 2026 bij de man verblijven. De overeenstemming van partijen heeft als gevolg dat de minderjarigen in 2027 in de voorjaarsvakantie bij de man verblijven en in de herfstvakantie bij de vrouw. Dit wisselt elk jaar.

De vrouw heeft aangegeven dat de school van de minderjarigen vaak de studiedagen plakt aan de vakanties, waardoor die langer dan een week kunnen duren. De rechtbank beslist dat in dat geval deze vakanties ook bij helfte worden verdeeld.

Informatieregeling

De man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, waarbij partijen gehouden zijn elkaar over en weer tijdig en volledig te informeren omtrent alle belangrijke aangelegenheden die de minderjarigen betreffen.

De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich tegen de verzochte regeling verzet. Partijen kunnen tijdens het mediationtraject met elkaar bespreken hoe vaak en op welke manier zij aan de informatieregeling uitvoering willen geven.

Onderhoudsbijdrage

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met een bedrag van € 670,- per maand.

De man voert gemotiveerd verweer.

De ingangsdatum

Artikel 822 lid 2 Rv bepaalt dat voor de datum van ingang van de door de rechtbank vastgestelde voorlopige voorzieningen de dag van de dagtekening van de beschikking als uitgangspunt geldt. Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling ziet de rechtbank geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.

De behoefte

Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) € 1.640,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.715,- per maand

Draagkrachtberekening

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.

Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.

Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van de man € 4.288,- per maand bedraagt.

De draagkracht van de man moet, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,- per maand, in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)].

De man stelt dat rekening gehouden moet worden met de maandelijkse advocaatkosten en de aflossingen op de schuld bij Eneco en een derde van wie hij geld heeft geleend. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad bij het bepalen van de draagkracht rekening dient te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop niet wordt afgelost (vgl. onder meer HR 14 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:627). Dat kan anders zijn wanneer er sprake is van een schuld die – kort gezegd – verwijtbaar dan wel vermijdbaar is. De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een verwijtbare en vermijdbare schuld. Uit de stukken en de toelichting van de man tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de leenovereenkomst op 1 september 2025 voor een bedrag van € 8.000,- is aangegaan om de kosten die verband houden met de scheiding van partijen te dekken, terwijl er geen spaargelden voorhanden waren om deze kosten van te betalen. Op deze lening wordt € 300,- per maand afgelost zoals volgt uit bankafschriften van de man. De rechtbank verstaat onder ‘kosten die verband houden met de scheiding’ ook de advocaatkosten, zodat alleen rekening zal worden gehouden met de betalingsverplichting van € 300,- per maand aan de derde partij.

De schuld bij Eneco betreft een eindafrekening waarvoor de man een betalingsregeling heeft getroffen. De man heeft door middel van betaalafschriften aangetoond dat maandelijks een bedrag van € 43,99 van zijn betaalrekening wordt geïncasseerd. De rechtbank zal daarom ook rekening houden met deze betalingsverplichting in die zin dat in de formule het draagkrachtloos inkomen wordt verhoogd met de aflossing van maandelijks € 344,-. De draagkracht van de man bedraagt dus 70% x [€ 4.288 – (0,3 x € 4.288 + 1.365 + € 300 + € 44)] = € 905,- per maand.

De man stelt dat voor het NBI van de vrouw rekening gehouden moet worden met een inkomen van € 3.490,- bruto per maand, omdat onbekend is tot wanneer de vrouw ouderschapsverlof zal opnemen en zij dat niet hoeft op te nemen als het primaire verzoek van de man over de zorgregeling wordt toegewezen. De vrouw heeft toegelicht dat zij al voor het moment van het uiteengaan van partijen ouderschapsverlof opnam en dat op dit moment nog steeds doet. De rechtbank zal daarom rekening houden met het bruto-inkomen dat op de overlegde salarisspecificatie staat. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) dan ook het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 3.782,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 3.102,- per maand

- IKB € 542,85 per maand (17,5%)

- pensioenpremie € 167,77 per maand

- premie AOP € 3,86 per maand

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 639,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 897,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: € 905 / € 1.802 x € 1.715 = € 861

het deel van de vrouw bedraagt: € 897 / € 1.802 x € 1.715 = € 854 +

samen € 1.715

Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 861,- per maand ofwel € 431,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 854,- per maand ofwel € 427,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gezien de nu vast te stellen zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 35%.

Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.715,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 600,- per maand.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 261,- per maand.

Conclusie

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van afgerond € 131,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig als volgt zal zijn:

de minderjarigen verblijven de ene week van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar de school en in de andere week van donderdag uit school tot maandagochtend naar school bij de man;

voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man;

herfstvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;

vakanties van twee weken of langer: in de even jaren de eerste helft bij de man en de tweede helft bij de vrouw. In de oneven jaren is dit andersom;

bepaalt dat partijen elkaar over en weer tijdig en volledig informeren omtrent alle belangrijke aangelegenheden die de minderjarigen betreffen;

bepaalt het bedrag dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 131,- per maand per kind bij vooruitbetaling te voldoen;

verzoekt de advocaten van partijen schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de mediation in de bodemprocedure bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/706529 / FA RK 25-6910 en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens partijen moet worden voort geprocedeerd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 11 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.A. Sedoc

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?