Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/698233 / FA RK 25-3079
Beschikking van 11 maart 2026 over het ouderlijk gezag, de opname van het ouderschapsplan en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R. Shahbazi te Den Haag,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A.C. van 't Hek te Dordrecht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 18 april 2025;
de berichten met bijlagen van de man van 21 augustus en 3 september 2025 en 10 februari 2026;
het bericht van de vrouw van 18 november 2025
het aanvullend verzoekschrift van de man, ingekomen op 23 februari 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Gelijktijdig is het verzoek van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) over een ondertoezichtstelling (zaaknummer / rekestnummer: C/10/711989 / JE RK 25-2622 ) behandeld, in welke zaak afzonderlijk mondeling uitspraak is gedaan. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad, vertegenwoordigd door [naam 1] ;
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, vertegenwoordig door [naam 2] en [naam 3] .
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 11 februari 2026 met de kinderrechter gesproken.
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum ] 2016 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum ] 2016 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarigen erkend.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Partijen hebben een ouderschapsplan en een aanvullend ouderschapsplan opgesteld, dat zij respectievelijk op 29 juli en 2 augustus 2025 hebben ondertekend.
Bij mondelinge uitspraak van 25 februari 2026 is het verzoek van de raad om de minderjarigen voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: GI) toegewezen.
3. De beoordeling
Gezag
Bij bericht van 3 september 2025 heeft de man laten weten dat er inmiddels al sprake is van gezamenlijk gezag, waardoor hij zijn verzoek heeft ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
Verblijfplaats en opname van het ouderschapsplan
De man verzoekt:
de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen, in die zin dat de hoofverblijfplaats bij hem zal zijn;
het ouderschapsplan en het aanvullend ouderschapsplan in de beschikking op te nemen
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
De rechtbank zal de verzoeken van de man aanhouden voor een periode van zes maanden. Er is sprake van een ondertekend ouderschapsplan, maar dat is opgesteld op het moment dat de situatie heel anders was. De minderjarigen verbleven toen nog bij de vrouw, maar inmiddels zijn ze, al dan niet met toestemming van de vrouw, bij de man en is er geen contact meer tussen de minderjarigen en de vrouw. Het ouderschapsplan wordt ook niet meer uitgevoerd. De rechtbank heeft zorgen over de minderjarigen bij beide ouders en heeft de minderjarigen onder toezicht gesteld tot 25 februari 2027. De GI zal de komende twaalf maanden onderzoek doen en hulpverlening inzetten, zodat pas op een later moment meer duidelijkheid kan worden gegeven over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats die het meest in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank wil hierin vinger aan de pols houden en daarom over uiterlijk zes maanden bericht van de advocaten ontvangen over de stand van zaken met betrekking tot de ondertoezichtstelling mét een verslag van de GI over de ontwikkelingen in de eerste zes maanden van de ondertoezichtstelling. Dan kunnen de advocaten ook hun proceswensen in deze procedure kenbaar maken.
Proceskosten
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
en voordat verder wordt beslist:
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 september 2026 PRO FORMA;
verzoekt de advocaten om de rechtbank voor 1 september 2026 overeenkomstig 3.4. van deze beschikking schriftelijk te berichten.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 11 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.