ECLI:NL:RBROT:2026:3164

ECLI:NL:RBROT:2026:3164

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 10.305496.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling voor het opzettelijk voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid MDMA in auto en het tweemaal plegen van huiselijk geweld in een periode van slechts enkele dagen. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uren. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10.305496.25

Datum uitspraak: 24 februari 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] [postcode] [plaatsnaam] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

[detentieadres] ,

raadsman mr. R. van den Boogert, advocaat te Nieuwerkerk a/d IJssel.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 februari 2026.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.J. Kruit heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 1

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Bewijswaardering feit 2 en 3

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 2 en 3 ten laste gelegde mishandelingen. De aangifte wordt ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse en het letsel. Daar komt bij dat de verdachte heeft bekend dat hij aangeefster heeft vastgepakt en zijn hand op haar mond heeft geduwd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 en 3 wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Beoordeling door de rechtbank

Naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld krijgen verbalisanten in de ochtend van 13 november 2025 de opdracht om naar het adres [adres] te gaan. Ter plaatse treffen de verbalisanten de verdachte en aangeefster aan. Aangeefster verklaart dat zij door haar partner, de verdachte, is geslagen en dat zij veel pijn heeft. Zij doet dezelfde dag aangifte waarin zij verklaart dat zij op 11 november en 13 november 2025 door de verdachte is mishandeld. De verdachte zou haar op de bank hebben geduwd, haar in het gezicht hebben geslagen en haar bij haar keel hebben vastgepakt. Ook zou de verdachte een hand en een kussen in haar gezicht hebben geduwd en met zijn benen op haar nek hebben gezeten.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangeefster op verschillende punten steun vindt in het procesdossier. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door het letsel dat ter plaatste door de verbalisanten bij aangeefster is geconstateerd en het letsel dat door de forensisch arts van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEV) is geconstateerd. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster en acht de feitelijke geweldshandelingen zoals onder feit 2 en 3 aan verdachte tenlastegelegd, bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1hij op of omstreeks 13 november 2025 te Hoogvliet Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3259 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;2hij op of omstreeks 11 november 2025 te Hoogvliet Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door- op die [slachtoffer] te springen en/of die [slachtoffer] op de bank te duwen,- met zijn benen op de nek/hals van die [slachtoffer] te zitten,- met zijn hand in/op/tegen het gezicht van die [slachtoffer] te duwen,- een kussen in het gezicht van die [slachtoffer] te duwen en/of- de keel van die [slachtoffer] vast te pakken,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

3hij op of omstreeks 13 november 2025 te Hoogvliet Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door- die [slachtoffer] op de bank te duwen en/of- die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of te stompen,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2. mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

3. mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft in zijn auto een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen (ruim 3,2 kilo MDMA) opzettelijk aanwezig gehad. Het behoeft geen betoog dat het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid synthetische drugs – die een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormen – buitengewoon kwalijk is. Een groot deel van de criminaliteit vindt direct of indirect zijn oorsprong in het gebruik van dergelijke middelen. Hiertegen dient streng te worden opgetreden.

Daarnaast heeft de verdachte zich in een periode van slechts enkele dagen tweemaal schuldig gemaakt aan huiselijk geweld van zijn toenmalige partner. De verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de aangifte en de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat de gedragingen van de verdachte zowel lichamelijk als psychisch een impact op het slachtoffer hebben gehad. De mishandelingen vonden bovendien plaats in de woning van het slachtoffer, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen.

De rechtbank rekent de verdachte deze feiten aan.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 3 februari 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Gezien de proceshouding van de verdachte en dat de relatie tussen hem en zijn ex- partner is verbroken, ziet de reclassering geen passende interventies in de vorm van bijzondere voorwaarden. Buiten een risicovolle relatie (die inmiddels verbroken is) en sociaal netwerk (vriend met wie hij geen contact meer zou hebben), ziet de reclassering enkel beschermende factoren. Dit beeld wordt ook beaamd door contact met verschillende referenten en ketenpartners. Zo heeft de verdachte een structurele dagbesteding waar hij kan terugkeren na detentie, gedegen huisvesting waar hij kan terugkeren na detentie, zijn er geen schulden, is er geen geschiedenis van eerdere geweldsdelicten of verslavingen en heeft hij zich positief opgesteld tijdens zijn detentieperiode.

Bij een veroordeling adviseren wij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Wij zien geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.

Wij zien geen contra-indicaties voor het uitvoeren van een gevangenisstraf, een taakstraf of voor een financiële, dan wel andere sanctie.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daaruit volgt dat het uitgangspunt bij het aanwezig hebben van harddrugs van deze hoeveelheid in geval van een first offender een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden is en dat bij huiselijk geweld in beginsel geen geldboete wordt opgelegd.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft geen (relevante) justitiële voorgeschiedenis en heeft zijn leven op orde. Het recidiverisico kan door de reclassering niet worden ingeschat, echter wordt het risico op letsel als laag ingeschat. Gelet op voornoemde omstandigheden zal de rechtbank afzien van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf en naast het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf een forse taakstraf opleggen. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Door de officier van justitie is een contactverbod geëist. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod op te leggen, omdat niet is gebleken dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer. De relatie tussen het slachtoffer en de verdachte is inmiddels beëindigd en de verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij geen contact met het slachtoffer zal zoeken en dat hij via een advocaat bij de rechtbank om een omgangsregeling van zijn zoontje zal verzoeken.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De vordering

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 41,75 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het verweer strekkende tot vrijspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Het staat vast dat de verdachte door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade aan de benadeelde partij heeft toegebracht. De reiskosten zijn onderbouwd en door de verdachte niet betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen.

Tevens is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 november 2025.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 791,75, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de veroordeelde tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

veroordeelt de veroordeelde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 791,75 (zegge: zevenhonderdeenennegentig euro en vijfenzeventig eurocent), bestaande uit € 41,75 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de veroordeelde de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen € 791,75 (hoofdsom, zegge: zevenhonderdeenennegentig euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 791,75 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter,

en mrs. D.H. Hamburger en J. van de Klashorst, rechters,

in tegen­woordig­heid van mr. A.B.A. Slebus, griffier,

en uitge­sproken op de openbare terecht­zitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1hij op of omstreeks 13 november 2025 te Hoogvliet Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3259 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2hij op of omstreeks 11 november 2025 te Hoogvliet Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door- op die [slachtoffer] te springen en/of die [slachtoffer] op de bank te duwen,- met zijn benen op de nek/hals van die [slachtoffer] te zitten,- met zijn hand in/op/tegen het gezicht van die [slachtoffer] te duwen,- een kussen in het gezicht van die [slachtoffer] te duwen en/of- de keel van die [slachtoffer] vast te pakken,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

3hij op of omstreeks 13 november 2025 te Hoogvliet Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door- die [slachtoffer] op de bank te duwen en/of- die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of te stompen,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.C.S. van Bree

Griffier

  • mr. A.B.A. Slebus

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?