Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-304869-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 22-003434-22
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Datum zitting: 19 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 op [geboorteland]
ingeschreven op het adres [adres],
gedetineerd in [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. S.C. van Paridon
Officier van justitie: mr. M.J. Kruit
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten: een poging tot doodslag en het bezit van een vuurwapen met bijbehorende munitie. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden opgelegd.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 9 november 2025 te Rotterdam heeft geprobeerd om het slachtoffer te doden door hem met een vuurwapen in zijn bil te schieten en dat hij toen en daar een vuurwapen met daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1hij op of omstreeks 9 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen heeft geschoten in de bil en/of been, althans het lichaam, van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij op of omstreeks 9 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk/type/kaliber en/of- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie II onder 1º en/of categorie III, te weten één of meer kogelpatr(o)on(en) van een tot op heden onbekend merk/type/kaliber, voorhanden heeft gehad.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 (poging tot doodslag) en feit 2 (vuurwapenbezit).
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de poging tot doodslag. De verdachte heeft weliswaar geschoten, maar door naar beneden te richten en ook daadwerkelijk te schieten bestond er geen aanmerkelijke kans op de dood.
Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de poging tot zware mishandeling en het vuurwapenbezit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft de verdediging ten aanzien van feit 1 een beroep gedaan op (putatief) noodweer(exces). Op deze verweren zal nader worden ingegaan bij de beoordeling van het bewijs en bij de vraag naar de strafbaarheid van het feit en de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde en feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Bekennende verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik op 9 november 2025 in Rotterdam met een vuurwapen op [aangever] heb geschoten.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever]Ik stond op 9 november 2025 op het Stadhuisplein in Rotterdam. De donkere man (de rechtbank begrijpt: de verdachte) schoot. Ik voelde iets en zag ineens wat in mijn bil. Er zit een kogel in mijn been.
3. Schriftelijk stuk
Forensisch Medische Letselrapportage, betreffende [slachtoffer]
Informatie ontvangen van Franciscus Gasthuis, afdelingen Spoedeisende Hulp en Chirurgie, betreffende een bezoek aan de Spoedeisende Hulp op 09-11-2025 met aansluitend een opname op de afdeling Chirurgie van 09-11-2025 t/m 10-11-2025, en een bezoek aan de Spoedeisende Hulp op 11-11-2025.
Daarnaast informatie ontvangen van Franciscus Gasthuis, afdeling Chirurgie, betreffende een opname aldaar op 24-11-2025.
Bij lichamelijk onderzoek werd een verwonding van 0,5 bij 0,5 cm gezien op de linkerbil.
Beeldvormend onderzoek (röntgenfoto en echo) toonde een vreemd voorwerp op 5 cm diepte aan de binnenzijde van het linkerbovenbeen, vermoedelijk een projectiel.
Op 24-11-2025 werd het vreemde voorwerp operatief verwijderd op de polikliniek Chirurgie.
4. Proces-verbaal van de politieOp 9 november 2025 werden wij verzocht om naar het plaats-delict van een schietpartij te gaan welke had plaatsgevonden op het Stadhuisplein in Rotterdam. Wij kregen de taak om het plaats-delict te bewaken omdat daar een huls was aangetroffen. Ik nam de huls in beslag.
Uniek Voorwerp Nummer : [nummer 1]
Categorie Omschrijving : Munitie
Omschrijving : Huls
Bewijsmotivering
Om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te komen dient de rechtbank vast te stellen dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – was gericht op de dood van het slachtoffer. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verdachte de bedoeling had om de aangever te doden. In die zin is er dan ook geen sprake van vol opzet. Met betrekking tot de vraag of wel sprake is van voorwaardelijk opzet bij de verdachte, overweegt de rechtbank het volgende.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De verdachte heeft bekend dat hij toen en daar met een vuurwapen gericht op de benen van aangever heeft geschoten. De aangever is daarbij in zijn linkerbovenbeen aan de binnenzijde ervan geraakt.
Anders dan de verdediging acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met het schot voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehad. Het voorwaardelijk opzet ligt in zijn handeling besloten. Door als ongeoefend schutter op een bewegend persoon te schieten, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever door het schot om het leven zou kunnen komen. Bovendien betrof het een onoverzichtelijke situatie en stond de verdachte op zeer korte afstand van de aangever. Door de afgevuurde kogel hadden verschillende vitale organen van de aangever geraakt kunnen worden.
Uit de bewezenverklaring van dit feit, volgt dat de verdachte tevens schuldig wordt bevonden voor het tweede feit, zijnde bezit van het vuurwapen en munitie waarmee het bewezen verklaarde schot is gelost.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1hij op 9 november 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met een vuurwapen heeft geschoten in de bil en/of been van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij op 9 november 2025 te Rotterdam, -een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk/type/kaliber en -munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie II onder 1º en/of categorie III, te weten één kogelpatroon van een tot op heden onbekend merk/type/kaliber, voorhanden heeft gehad.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
poging tot doodslag;
Feit 2
De eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
Noodweer
De verdediging heeft bepleit dat sprake was van een noodweersituatie, waardoor de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, waartegen hij zich mocht verdedigen en dat dit ook noodzakelijk was. De verdachte heeft verklaard dat hij op de aangever heeft geschoten op het moment dat de aangever op hem afrende met het kennelijke doel om hem te steken.
Bij de beoordeling van het beroep op noodweer, dient allereerst vastgesteld te worden of de feitelijke grondslag daarvan aannemelijk wordt geacht. Hiertoe dient de verklaring van de verdachte – wat immers de grondslag vormt voor zijn beroep op noodweer – te worden beoordeeld aan de hand van de beschikbare informatie van het incident.
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden en overweegt hiertoe als volgt.
De verklaring van de verdachte dat hij heeft geschoten op het moment dat de aangever op hem is afgerend, vindt onvoldoende steun in de inhoud van het procesdossier. Uit de camerabeelden blijkt weliswaar dat de aangever op een gegeven moment richting de vriend van de verdachte en de verdachte is gerend, maar de aangever verklaart hierover dat hij uithaalde naar de vriend van de verdachte en dat de verdachte vervolgens schoot. De verklaring van de aangever vindt ondersteuning in de aangifte van de vriend van de verdachte en in de getuigenverklaring van diens vriendin. De rechtbank leidt hieruit af dat de aanranding niet op de verdachte was gericht, maar op de vriend van de verdachte. Bovendien wordt de verklaring van de verdachte weersproken door het (objectieve) gegeven dat de aangever niet aan de voorzijde van zijn lichaam, maar in zijn bil/bovenbeen, is geraakt. Voorgaande maakt dat niet is komen vast te staan dat sprake was van ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval door de aangever, waartegen de verdachte zichzelf noodzakelijk moest verdedigen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de geweldssituatie niet van dien aard was dat de door de verdachte gegeven reactie door te schieten met een vuurwapen passend en geboden zou zijn geweest. Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Noodweerexces en putatief noodweer
Nu geen sprake is van een noodweersituatie behoeft een situatie van noodweerexces dan wel putatief noodweer niet meer te worden besproken. Deze verweren worden daarom ook verworpen.
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de hoogte van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een vuurwapen in zijn bil te schieten. De kogel had (vitale) delen van het lichaam van het slachtoffer kunnen raken, waardoor hij het leven had kunnen verliezen. Uit de medische verklaring blijkt dat de kogel operatief verwijderd moest worden. De verdachte heeft met zijn handelen op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de schietpartij plaatsvond tijdens het uitgaan in het centrum van Rotterdam waar veel omstanders getuige van zijn geweest. Hieruit blijkt dat de verdachte in het openbaar en in de nabijheid van andere personen, een doorgelaten vuurwapen voorhanden heeft gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens met bijbehorende munitie brengt in het algemeen op zichzelf al een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, omdat het bezit van een vuurwapen al snel kan leiden tot het gebruik ervan, met alle schadelijke gevolgen van dien. Ook in deze zaak is gebleken hoe gemakkelijk de verdachte een vuurwapen heeft getrokken en daadwerkelijk heeft gebruikt. De verdachte heeft daarmee bovendien op de koop toegenomen dat andere – niet bij het conflict betrokken – personen geraakt hadden kunnen worden door de kogel van de verdachte. Het handelen van de verdachte zorgt voor veel angst, onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat is waarom streng moet worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen.
Voor de verdachte gold daarbij nog dat hij een gewaarschuwd man was. Hij liep ten tijde van het plegen van het feit in een proeftijd voor een geweldsdelict en was pas enkele weken op vrije voeten vanwege een veroordeling voor wapenbezit. De rechtbank rekent de verdachte de feiten dan ook ernstig aan en houdt met dit alles in strafverzwarende zin rekening.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 januari 2026 blijkt dat de verdachte recent meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden komen voldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf en de rechtbank ziet geen aanleiding van de eis van de officier van justitie af te wijken. Daarom wordt een gevangenisstraf van 42 maanden opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen (vier telefoons) worden teruggegeven.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de in beslag genomen voorwerpen moeten worden teruggegeven aan de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beslist tot de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte:
telefoon Google Pixel 9 Pro (goednummer [nummer 2]);
telefoon Google Pixel (goednummer [nummer 3]);
telefoon Apple iPhone (goednummer [nummer 4]);
telefoon Apple iPhone (goednummer [nummer 5]).
6. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 43 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de in het arrest verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de straf.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden.
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
In beslag genomen voorwerpen
- beveelt de teruggave aan de verdachte van:
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 22-003434-22)
beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 43 dagen, zoals opgelegd in het arrest van gerechtshof Den Haag van 12 juli 2024.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.P. van de Beek, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.B.A. Slebus, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 maart 2026.
Mrs. G.P. van de Beek en H.C. van Vuren zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.