ECLI:NL:RBROT:2026:3179

ECLI:NL:RBROT:2026:3179

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 10-190105-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Gevangenisstraf van 18 maanden voor bedreiging met vuurwapen en mishandeling ex-partner. Tevens TBS-maatregel met dwangverpleging. Verzoek tot tegenonderzoek psychiater en psycholoog afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-190105-25

Datum uitspraak: 5 maart 2026

Datum zitting: 19 februari 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,

gedetineerd in [detentieadres] .

Advocaat van de verdachte: mr. G.R. Stolk

Officier van justitie: mr. R.P.L. van Loon

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer 1] meermalen bedreigd, waaronder een bedreiging met een vuurwapen in het bijzijn van hun minderjarige zoontje. Ook heeft hij haar mishandeld. De verdachte wordt veroordeeld voor bedreiging, mishandeling en vuurwapenbezit tot een gevangenisstraf van 18 maanden. De rechtbank legt tevens een tbs-maatregel met dwangverpleging op. Het verzoek tot schadevergoeding wordt deels toegewezen. De verdachte wordt vrijgesproken van de mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer 2] .

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) in of omstreeks de periode van 21 november 2024 tot en met 14 [naam 1] 2025 te Rotterdam en Capelle aan de IJssel meermalen heeft bedreigd, haar heeft mishandeld, een vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft mishandeld. De volledige tenlastelegging (beschuldiging) houdt in dat:

1hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2025 tot en met 21 [naam 1] 2025 te Rotterdam,althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- die [slachtoffer 1] via Whatsapp de woorden toe te voegen "Als je 1x naar iemand kijkt vermoord ik je beloofd" en/of "Ik vermoord je zonder te twijfelen", en/of- een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten,

althans woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking;

2hij op of omstreeks 21 [naam 1] 2025 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel, [benadeelde partij] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1]- in het gezicht te slaan,- bij de arm te pakken en/of aan de arm te trekken, en/of- met die [slachtoffer 1] te worstelen;

3hij op of omstreeks 21 [naam 1] 2025 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Colt, type Detective Special, kaliber .38 spec, en/of- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten vijf kogelpatronen, kaliber .38 spec,voorhanden heeft gehad;

4hij in of omstreeks de periode van 21 november 2024 tot en met 14 [naam 1] 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2]- te wurgen, althans bij de keel te pakken en/of de adem te ontnemen,- aan de haren te trekken,- in de arm te knijpen en/of de arm te krabben, en/of- in de borst te knijpen,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.

2. Bewijs / vrijspraak

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 (het eerste gedachtestreepje), 2, 3 en 4. De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevorderd voor feit 1, tweede gedachtestreepje voor zover dit betrekking heeft op het richten van het vuurwapen op [slachtoffer 1] . Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 (voor zover dit betrekking heeft op het richten van een vuurwapen op [slachtoffer 1] ), 2 en 4. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en mishandeling van [slachtoffer 1] en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 1 partieel (eerste gedachtestreepje) bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit partiële feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.

1. Bekennende verklaring van de verdachte

2. Aangifte van de [aangeefster 1] .

De bewezenverklaring van feit 1, tweede gedachtestreepje en van de feiten 2 en 3 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

3. Aangifte van de [aangeefster 1]

Ik zal [verdachte] verder [naam 1] noemen. Op 21 juni 2025 reden [naam 1] , ons kind en ik in de auto richting Rotterdam Oost. Ik reed en [naam 1] zat op de passagiersstoel. Ik zag dat hij een revolver in zijn hand hield met de loop in mijn richting. Ik vreesde voor mijn leven en van mijn kind. Inmiddels waren wij aangekomen bij de kruising Hoofdweg met de Capelseweg.

4. Verklaring van de verdachte

Het kan zijn dat ik haar (de rechtbank begrijpt: de aangeefster) toevallig heb geraakt in haar gezicht en dat de bloedlip is ontstaan toen ik haar in de auto wilde trekken.

5. Aangifte van de [aangeefster 1]

Ik stopte voor het verkeerslicht bij de kruising Hoofdweg met de Capelseweg en opende mijn portier. Ik stapte uit mijn auto. Ik voelde dat [naam 1] mijn pols vastpakte. Ik bleef mij verzetten en hij bleef aan mij trekken. Ik voelde dat [naam 1] mij in de auto kreeg. Ik was aan het spartelen. Ik bleef vechten om los te komen. [naam 1] pakte mijn jurk vast en trok mij in de auto. Op dat moment zag ik dat zijn hand in de richting van mijn gezicht kwam. Ik voelde meteen pijn op mijn linker lip. Mijn tand ging door mijn lip heen. Vervolgens kneep hij met heel veel kracht mijn keel dicht. Ik kreeg geen lucht. Hij pakte mij bij mijn arm en hij trok aan mijn arm.

6. FARR-rapportage van 25 juli 2025Tijdens de letselbeoordeling op 21 juni 2025 van [slachtoffer 1] werd letsel geconstateerd aan de hals, schouder, wang, nek, haargrens, borst, elleboog, arm en onderlip.

7. Verklaring [getuige 1]

Op 21 juni 2025 reed ik over de Hoofdweg in de richting van het kruispunt met de Capelseweg, gemeente Capelle aan den IJssel. Een vrouw stapte uit een auto. Ik zag dat de vrouw doodsbang was, omdat ik haar hoorde gillen en huilen. Ik zag dat een man die in de auto zat haar weer in de auto probeerde te krijgen.

8. Verklaring [getuige 2]

Op 21 juni 2025 reed ik met mijn auto op de Hoofdweg in de richting van Nieuwerkerk aan den IJssel. Bij de verkeerslichten met de Capelseweg zag ik dat een vrouw uit de auto probeerde te komen, maar dat zij aan haar arm werd vastgehouden door de man die naast haar in de auto zat. De man stapte uit de auto en heeft het kindje uit de auto gehaald. Ik zag dat de man daar op dat grasveldje met zijn ene hand het kindje bij zijn pols vasthield en in zijn andere hand hield hij een zwart vuurwapen omhoog.

9. Proces-verbaal van de politieWij riepen op 21 juni 2025 op de kruising Capelseweg-Hoofdweg de [verdachte] aan en vroegen hem om te blijven staan. De verdachte keerde zich om, keek richting ons en schudde zijn hoofd van rechts naar links. De verdachte bleef doorlopen richting een groenstrook. Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand aan het rommelen was aan de voorkant van zijn lichaam. De verdachte hield met zijn linkerhand zijn zoon vast.

Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand een korte gooibeweging voorlangs het lichaam maakte in de richting van de bosschages. Ik zag een zwart klein voorwerp gelijkend op een vuurwapen in de bosschage vallen.

Ik zag dat de verdachte de hand van zijn zoon inmiddels los had gelaten. Ik riep hem aan dat hij zijn handen omhoog moest doen en op zijn knieën moest gaan zitten. Ik zag dat hij hier geen gehoor aan gaf en zijn handen langs zijn lichaam had. Ik zag intussen dat zijn zoon richting [verbalisant] liep. De verdachte was helemaal niet meewerkend en maakte drukke bewegingen en luisterde niet naar onze aanwijzingen. Na een waarschuwingsschot ging de verdachte op zijn knieën zitten om de transportboeien aan te leggen. Later is een revolver met patronen in de bosjes aangetroffen.

10. Proces-verbaal van de politieOp 21 juni 2025 nam ik bij de kruising Capelseweg met de Hoofdweg te Capelle aan den IJssel een zwarte revolver in beslag.

11. Kennisgeving van inbeslagnemingInbeslagneming: Capelseweg, Capelle aan den IJssel (kruising Hoofdweg).Datum: 21 juni 2025.Beslagene: [verdachte] .Goednummer: [nummer 1] .Object: Vuurwapen (Revolver).Merk/type: Colt Detective Special.Kleur: zwart.SIN: AASL9571NL.Kaliber: .38 special.Goednummer: [nummer 2] .Object: Munitie (Kogelpatroon).SIN: AASL9572NL.Kaliber: .38 special.

12. Proces-verbaal van de politieGoednummer: [nummer 1] .Object: Vuurwapen (Revolver).Merk/type: Colt Detective Special.Kleur: zwart.SIN: AASL9571NL.Kaliber: .38 special.Bijzonderheden: Met munitie.Het inbeslaggenomen voorwerp is een revolver geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie. Derhalve is deze revolver een vuurwapen in de zin van artikel l, onder 3, gelet op artikel 2, lid l categorie III onder l van de Wet wapens en munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II, sub 2, 3 of 6 van de WWM.Goednummer: [nummer 2] .Object: Munitie (Kogelpatroon).Aantal: 4 stuks.SIN: AASL9572NL.Kaliber: .38 special.Bijzonderheden: uit cilinder revolver.Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de WWM. Deze kogelpatronen kunnen worden verschoten door voornoemd revolver Colt .38 Special.

13. Proces-verbaal van de politieBemonstering vuurwapen: met AASL9459NL (trekker, haan, kolf, trommel, -as en -ontgrendelpal) en AASL9460NL (binnenzijde loop). Bemonstering munitie: SIN AASL9461NL.

14. Deskundigenverslag[afbeelding deskundigenverslag]

Bewijsmotivering

Vastgestelde feiten en omstandigheden

Op basis van het procesdossier en het onderzoek op de terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 21 juni 2025 is de verdachte bij aangeefster en hun zoontje in de auto gestapt. Aangeefster bestuurde de auto en de verdachte zat naast haar op de passagiersstoel. Op enig moment zag aangeefster dat de verdachte een revolver op haar richtte. Aangeefster vreesde voor haar leven. Op het moment dat ze bij de kruising Hoofdweg met de Capelseweg in Capelle aan den IJssel aankwamen, stopte aangeefster de auto voor het verkeerslicht. Aangeefster opende het portier en probeerde te vluchten. Zij verklaarde dat de verdachte haar vervolgens bij haar pols vastpakte. Aangeefster verzette zich, maar de verdachte bleef aan haar trekken. Aangeefster vocht om los te komen. Zij verklaarde dat de verdachte haar jurk vastpakte en haar de auto introk. Op dat moment sloeg de verdachte haar in het gezicht waardoor zij pijn voelde aan haar lip. Vervolgens kneep de verdachte met kracht haar keel dicht. Tijdens de worsteling pakte de verdachte bovendien haar arm vast en trok daaraan. Op het moment dat de verdachte haar keel losliet, wist aangeefster uiteindelijk te ontsnappen uit de auto. Uit de FARR-rapportage van 25 juli 2025 blijkt dat bij aangeefster op 21 juni 2025 letsel is geconstateerd aan de hals, schouder, wang, haargrens, borst, elleboog, arm en onderlip. Meerdere getuigen hebben de worsteling gezien.

De verdachte stapte vervolgens uit de auto. Hij had in zijn ene hand het wapen en met de andere hand hield hij zijn zoontje vast. Inmiddels was de politie gearriveerd. De politie sommeerde de verdachte om te blijven staan. De verdachte gehoorzaamde niet. Hij schudde met zijn hoofd en liep richting een groenstrook. De verbalisant zag dat de verdachte vervolgens een voorwerp dat op een vuurwapen leek weggooide in de richting van de bosschages. Nadat de verdachte zijn zoontje losliet gaf hij wederom geen gehoor aan de aanwijzingen van de politie dat hij zijn handen omhoog moest doen en op zijn knieën moest gaan zitten. De verdachte ging na een waarschuwingsschot op zijn knieën zitten. Hij is daarna aangehouden. In de bosschages is een revolver met kogelpatronen gevonden.

Op de revolver werd DNA aangetroffen van de verdachte en in veel mindere mate DNA van de aangeefster. Daarnaast werd op de binnenzijde van de loop en op vier kogelpatronen alleen DNA aangetroffen van de verdachte.

Oordeel van de rechtbank feit 1, tweede gedachtestreepje

De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of het door de verdachte geschetste alternatieve scenario aannemelijk is. De verdachte heeft namelijk ter zitting verklaard dat het vuurwapen van aangeefster was. Zij heeft hem tijdens het rijden bedreigd en hij heeft de revolver van haar afgepakt. Zijn DNA is op de kogelpatronen terechtgekomen, omdat hij deze tijdens het rijden uit de revolver heeft gehaald en daarna weer in de revolver heeft teruggedaan.

Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat aangeefster tijdens het besturen van de auto hem heeft bedreigd, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verdachte heeft dit scenario onvoldoende onderbouwd. Bovendien vindt dit scenario geen enkele steun in het procesdossier. Daarnaast draagt het handelen van de verdachte nadat hij uit de auto is gestapt en zijn handelen tijdens zijn aanhouding niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Daar komt nog bij dat de plekken en de hoeveelheid aangetroffen DNA van de verdachte op de revolver niet passen bij het geschetste alternatieve scenario. Op de revolver is immers meer DNA aangetroffen van de verdachte en in veel mindere mate van de aangeefster en op de binnenzijde van de loop en op de vier kogelpatronen is alleen DNA van de verdachte aangetroffen. De rechtbank acht het bovendien hoogst onwaarschijnlijk dat de verdachte terwijl hij in de auto zat de kogelpatronen eerst uit de revolver heeft gehaald om deze vervolgens even later weer in de revolver terug te plaatsen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het door de verdachte geschetste alternatieve scenario.

De rechtbank is van oordeel dat het op korte afstand richten van een revolver op iemand van zeer bedreigende aard is. Dit geldt des te meer nu daaraan voorafgaand de verdachte aangeefster een met de dood bedreigend whatsappbericht had gestuurd. De rechtbank is op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde gedraging van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van aangeefster oplevert.

De rechtbank komt op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden en gelet op het voorgaande daarom tot een bewezenverklaring van het onder 1, tweede gedachtestreepje, ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank feit 2

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaringen en de FARR-rapportage. Uit de FARR-rapportage blijkt dat bij aangeefster op 21 juni 2025 letsel is geconstateerd aan de hals, schouder, wang, haargrens, borst, elleboog, arm en onderlip. Ook hebben meerdere getuigen een worsteling gezien. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat bewezen is dat de verdachte aangeefster in het gezicht heeft geslagen, haar arm heeft vastgepakt, aan haar arm heeft getrokken en met haar heeft geworsteld. Deze gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm en naar algemene ervaringsregels worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van pijn, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van die pijn ook bewust heeft aanvaard.

De rechtbank komt op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden en gelet op het voorgaande daarom tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank feit 3

Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, kan het ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie eveneens wettig en overtuigend worden bewezen.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1hij in de periode van 31 mei 2025 tot en met 21 juni 2025 in Nederland, meermalen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door- die [slachtoffer 1] via Whatsapp de woorden toe te voegen "Als je 1x naar iemand kijkt vermoord ik je beloofd" en "Ik vermoord je zonder te twijfelen", en - een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten,

althans woorden en gedragingen van gelijke bedreigende aard en strekking;

2hij op 21 juni 2025 te Capelle aan den IJssel [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1]- in het gezicht te slaan, - bij de arm te pakken en aan de arm te trekken, en - met die [slachtoffer 1] te worstelen;

3hij op 21 juni 2025 te Rotterdam en Capelle aan den IJssel,- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Colt, type Detective Special, kaliber .38 spec, en - munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten vier kogelpatronen, kaliber .38 spec, voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak feit 4

[aangeefster 2] heeft verklaard dat zij in de periode van 21 november 2024 tot en met 14 juni 2025 meermaals door de verdachte is mishandeld. Ter ondersteuning van haar verklaring heeft zij diverse foto’s overhandigd. Deze foto’s zijn onderzocht door de FARR en er is een rapportage opgemaakt. De verdachte heeft ontkend dat hij [aangeefster 2] heeft mishandeld.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het procesdossier. Uit de FARR-rapportage van 5 december 2025 en de foto’s blijkt weliswaar dat sprake is van letsel, maar daaruit valt niet op te maken wanneer dit letsel en door wie is veroorzaakt. Dit geldt evenzo voor het ‘sfeer proces-verbaal’. De daarin genoemde data en handelingen komen niet overeen met de data en handelingen die de aangeefster in de aangifte heeft vermeld. Nu de verklaring van de aangeefster verder op geen enkele manier wordt ondersteund, zal de verdachte worden vrijgesproken.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

Feit 2

mishandeling;

Feit 3

de eendaadse samenloop van

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de NIFP-dubbelrapportage van 16 februari 2026, opgemaakt door GZ-psycholoog [naam 2] en psychiater [naam 3].

De verdediging heeft verzocht om een tegenonderzoek ten aanzien van deze NIFP-dubbelrapportage. Daartoe heeft de raadsman gesteld dat de rapportage zodanig snel is opgesteld dat geen kwalitatief onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorts heeft hij gesteld dat de twee deskundigen overleg hebben gevoerd alvorens hun conclusies en adviezen op te stellen, dat zij zich daarbij hebben laten leiden door vooringenomenheden, hetgeen onder meer blijkt uit het benoemen van eerdere rapportages en documenten en dat bij het advies tot oplegging van tbs met dwangverpleging voorbij is gegaan aan andere lichtere vormen van behandeling ten behoeve van de resocialisatie van de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van – bijvoorbeeld – de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan (vgl. HR 8 februari 2005, LJN AR7228, NJ 2005, 514).

De verdediging dient aan te tonen dat de door deskundigen vermelde stoornis op onjuiste gronden is aangenomen, dan wel dat de conclusie van de al dan niet verminderde toerekenbaarheid niet kan volgen uit de bevindingen van het onderzoek.

Met betrekking tot de gang van zaken tijdens de twee uitgevoerde onderzoeken door beide deskundigen is het volgende in de rapporten opgenomen.

Psychiater Hoek schrijft ten aanzien van diens onderzoek onder meer het volgende:

Het betreft een multidisciplinair psychiatrisch onderzoek en vindt plaats in opdracht van

de officier van justitie van het arrondissementsparket Rotterdam, bemiddeld via het NIFP

Zuid-Holland. De benoeming wordt ontvangen op 11 november 2025. Ondergetekende

heeft kennisgenomen van het onderhavige dossier. Aangezien bij de beschikbare stukken

geen verhoor van de verdachte aanwezig is over het vierde ten laste gelegde (mishandeling B.S.) heeft ondergetekende navraag gedaan of de verdachte hierover aanvullend verhoord zou kunnen worden. De officier van justitie heeft laten weten dat de politie de verdachte na de inbewaringstelling nogmaals wilde verhoren. De verdachte wilde echter niet meer gehoord worden over deze aangifte. Mocht de verdachte hier alsnog een verklaring over willen afleggen, dan kon de verdachte dit via zijn advocaat aan de Officier van Justitie laten weten.

Ondergetekende heeft geen behandelrelatie met de verdachte en zij is niet persoonlijk met hem bekend. Ondergetekende heeft de verdachte ten behoeve van het psychiatrisch onderzoek bezocht in Detentie Centrum Rotterdam op 12 november 2025 en 28 november 2025. Op 10 december 2025 heeft de verdachte bezoek en kan ondergetekende de verdachte niet bezoeken. Op 19 december 2025 bezoekt ondergetekende de verdachte wederom. De verdachte en aangeefsters worden op 13 en 15 januari 2026 aanvullend verhoord. Ondergetekende bezoekt de verdachte op 28 januari 2026 nogmaals om deze verhoren met de verdachte te bespreken. De totale gespreksduur van de onderzoeken bedraagt ongeveer 5 uur.

Op 12 februari 2026 wordt de verdachte door ondergetekende ingelicht over de diagnostische conclusies en advisering. De gespreksverslagen worden aan de verdachte verstrekt ter inzage en correctie. Op 13 februari 2026 wordt de verdachte wederom bezocht, samen met mederapporteur, om het rapport nogmaals te bespreken en zijn reactie op de gespreksverslagen te vernemen.

Psycholoog Baas schrijft ten aanzien van diens onderzoek het volgende:

Het betreft een multidisciplinair onderzoek, waarvan het psychologische deel is uitgevoerd

door ondergetekende, die als gezondheidszorgpsycholoog BIG geregistreerd is en geregistreerd in het NRGD. Het psychiatrische deel is uitgevoerd door [naam 3], psychiater. Er zijn gesprekken gevoerd en testpsychologisch onderzoek is verricht op 12 december, 15 december, 24 december 2025, 8 januari en 14 januari 2026. Gedurende het onderzoek bleek dat de verdachte nog niet was gehoord over het vierde tenlastegelegde feit.

De officier van justitie liet aan het NIFP weten dat de politie na de inbewaringstelling de verdachte nogmaals wilde horen over onder andere de verklaring van [aangeefster 2]. Hij wilde echter niet meer gehoord worden. Als hij alsnog een verklaring wilde afleggen, kon hij dit via zijn advocaat laten weten. Op 13 januari 2026 werd hij alsnog gehoord. Op 2 februari 2026 werd dit, evenals de getuigenverhoren van beide aangeefsters van 15 januari 2026, met de verdachte besproken. Alle contacten met de verdachte vonden plaats in het detentiecentrum te Rotterdam alwaar hij op dat moment was gedetineerd. Op 13 februari 2026 is het onderzoek nabesproken met hem. In totaal is er gedurende circa 12 uren onderzoekscontact geweest. De verdachte heeft schriftelijk toestemming gegeven om informatie te laten verstrekken door het Detentiecentrum, zijn huisarts en Fivoor. Voor het benaderen van referenten in zijn omgeving gaf hij toestemming om zijn zus en partner te

benaderen.

Mederapporteur bezocht de verdachte op 12 februari 2026, waarbij hij de gespreksverslagen van beide rapporteurs overhandigd kreeg ten behoeve van het correctierecht. Tevens werden toen al de diagnostische bevindingen en de forensische beschouwing van mederapporteur met de verdachte besproken. Op 13 februari 2026 bezochten beide rapporteurs de verdachte in het Detentiecentrum. Hierbij nam ondergetekende haar beantwoording van de vragen door met de verdachte, waarbij hij de gelegenheid kreeg om vragen te stellen.

De verdachte geeft hierbij onder andere aan dat hij, indien hij (onterecht) wordt veroordeeld, hij moet gaan liegen over zijn gedrag bij een eventuele behandeling en moet gaan doen alsof hij het wel gedaan heeft, omdat hij anders niet verder zou komen in zijn behandeling en met vrijheden. Hierbij haalt hij een tv-programma aan waarbij een zwakbegaafde man onterecht veroordeeld werd voor stalking, hetgeen hem dus ook kan overkomen (een onterechte veroordeling). De verdachte had alle gespreksverslagen doorgenomen en kwam op meerdere zaken terug, waarbij hij meermaals aangaf dat bepaalde zaken, die hij gezegd heeft tijdens de onderzoekscontacten, niet zo bedoelde. Meerdere opmerkingen/aanpassingen zijn doorgevoerd in het verslag, zonder dat dit tot veranderingen in conclusies heeft geleid. Eén citaat van de verdachte, dat volgens ondergetekende relevant is voor de conclusies, is daarbij blijven staan. Dit betrof het citaat dat het een dagbesteding is met de vrouwen. De verdachte geeft hierover aan dat hij het niet letterlijk bedoelde en dat het meer zo is dat de omgang met vrouwen met enige regelmaat wat van zijn tijd vroeg.

De verdachte geeft aan dat hij het ingrijpend vindt dat een tbs-advies wordt gegeven, terwijl

hij onschuldig zou zijn. Ook vindt hij het pijnlijk dat een dergelijke maatregel überhaupt

ter sprake komt. Hij heeft overleg gehad met zijn advocaat en vraagt naar waarom niet

gekozen is voor een mildere maatregel. Dit is hem nogmaals uitgelegd.

De verdediging heeft deze gang van zaken niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat beide onderzoeken op zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Omdat sprake is van een dubbelrapportage is het overleg tussen beide rapporteurs een vaste en binnen de NIFP vastgestelde werkwijze die de onafhankelijkheid met betrekking tot de totstandkoming van de bevindingen, conclusies en adviezen onaangetast doet zijn. Het getuigt van zorgvuldigheid dat een weergave wordt gegeven van de rapporten en andere documenten, die door de deskundigen zijn betrokken in hun onderzoek.

Beide deskundigen komen op basis van hun onderzoeken tot het oordeel dat een andere – lichtere – vorm van behandeling, die extramuraal zou kunnen plaatsvinden, niet tot de mogelijkheden behoort. Dit oordeel is door de deskundigen gemotiveerd en zorgvuldig onderbouwd tot stand gekomen.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging de bevindingen van het onderzoek, de door de deskundigen vastgestelde psychische stoornis en de conclusie ten aanzien van de toerekenbaarheid niet heeft weersproken of onjuist heeft bevonden. Er zijn dan ook geen redenen om het verzoek tot een tegenonderzoek toe te wijzen, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Nu de diagnostische conclusies van de psychiater en de psycholoog in hun dubbelrapportage worden gedragen door hun bevindingen, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt zij die tot de hare. De rechtbank stelt daarmee vast dat ten tijde van de bewezen verklaarde feiten bij de verdachte sprake was van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Deze stoornis was ten tijde van de ten laste gelegde bedreiging en mishandeling aanwezig. De stoornis heeft de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte beïnvloed met betrekking tot de bedreiging en mishandeling (feiten 1 en 2). Om deze reden acht de rechtbank de verdachte, voor de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 in verminderde mate toerekenbaar. De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf en maatregel

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1, 2, 3 en 4 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie dat aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging en een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. Alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

Standpunt van de verdediging

Primair verzoekt de verdediging om het advies van de deskundigen niet te volgen en geen tbs-maatregel op te leggen. Subsidiair verzoekt de verdediging tot het opleggen van een nader te bepalen voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, omdat de verdachte inmiddels lang genoeg in voorarrest heeft gezeten.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft meermaals zijn ex-partner bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. De verdachte had een vuurwapen met daarbij behorende munitie voorhanden. Hij heeft zijn ex-partner op klaarlichte dag op de openbare weg en in de auto, in het bijzijn van hun minderjarig zoontje, met een vuurwapen bedreigd. Daarna heeft hij haar, ook in het bijzijn van hun zoontje, mishandeld, haar de auto weer gepoogd in te trekken en de bevelen van de politie geweigerd op te volgen waardoor de politie zich genoodzaakt zag een waarschuwingsschot te geven.

Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven die de veiligheid van anderen in gevaar brachten. Het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Het ongecontroleerde bezit hiervan leidt niet zelden tot het plegen van ernstige geweldsdelicten en het voedt gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Door zijn ex-partner met het vuurwapen te bedreigen en haar te mishandelen in aanwezigheid van hun kind heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op haar geestelijke en lichamelijke integriteit. Hij heeft agressief en ontoelaatbaar gedrag laten zien, hetgeen bij het slachtoffer psychische schade en ook lichamelijk letsel heeft veroorzaakt.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hun minderjarig zoontje getuige is geweest van het geweld van zijn vader tegen zijn moeder. Door aldus te handelen heeft de verdachte bovendien zijn eigen kind in voornoemde situatie betrokken. Het meemaken van dergelijk geweld geeft bij een kind gevoelens van angst en onveiligheid. Dit geweld kan eveneens blijvende psychische schade veroorzaken. De verdachte heeft kennelijk geen oog gehad voor de impact van zijn handelen op zijn kind.

Voorts acht de rechtbank de omstandigheden rondom de aanhouding bijzonder ernstig. De verdachte had bij zijn aanhouding in de ene hand een vuurwapen en met zijn andere hand hield hij zijn zoontje vast. Daarmee heeft hij een uiterst gevaarlijke en onverantwoorde situatie in het leven geroepen. Door een vuurwapen te hanteren tijdens een politieoptreden heeft de verdachte het risico op een gewelddadige escalatie aanzienlijk vergroot. Dat hij daarbij zijn kind vasthield, maakt dit handelen des te ernstiger. De verdachte heeft zijn kind willens en wetens blootgesteld aan een levensgevaarlijke situatie. Dit getuigt van een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 21 januari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.

Rapporten van deskundigen

Op basis van de hierboven reeds aangehaalde NIFP-dubbelrapportage van de psychiater en de psycholoog, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de bedreiging en mishandeling beïnvloedde. Deze feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend. Dit is niet zo voor het voorhanden hebben van het vuurwapen en munitie.

Het recidive risico op gewelddadig gedrag wordt door beide deskundigen ingeschat op matig-hoog. Volgens de psychiater is een eerdere ambulante behandeling onvoldoende effectief geweest. Beide deskundigen schatten in dat een tbs met voorwaarden tekort zal schieten. De ernst van de persoonlijkheidsproblematiek, de gebrekkige gewetensfunctie, afwezig ziektebesef en probleeminzicht, afwezigheid van respons op eerdere behandeling, ontbreken van intrinsieke motivatie en het hardnekkige delictpatroon zorgen volgens de psychiater ervoor dat tbs met dwangverpleging geïndiceerd is. De psycholoog schat in dat bij een meer voorwaardelijke behandelvariant (snelle) terugval op de loer ligt, met grote zorgen over de gevolgen en veiligheid van anderen. De verwachte behandelduur wordt vanwege de complexiteit van verdachtes problematiek ingeschat op meerdere jaren, aldus de psycholoog. De psychiater adviseert een zeer hoog beveiligingsniveau om de behandeling voldoende veilig te kunnen waarborgen. Volgens hem kan alleen in het kader van tbs-dwangverpleging de kern van de problemen behandeld worden en kan de maatschappij voldoende beveiligd worden.

Oplegging straf en maatregel

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd aan verdachten. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Bovendien houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid voor de bedreiging en mishandeling. Daarom en vanwege de hierna te noemen maatregel wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opgelegd. Het is de rechtbank niet gebleken dat oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht noodzakelijk is. Deze maatregel zal niet worden opgelegd.

Maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging onder dwang

De rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd.

Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Daarnaast is feit 1 een in de wet vermeld misdrijf waarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling mogelijk is. Tevens is feit 3 een misdrijf waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd. De rechtbank legt de maatregel van terbeschikkingstelling op voor bedreiging van enig misdrijf tegen het leven gericht van [aangeefster 1] en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Dat zijn misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom kan de terbeschikkingstelling langer duren dan vier jaar.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 300,00 als vergoeding voor immateriële schade, voor feit 2 € 75,00 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,00 als vergoeding voor immateriële schade en € 2.500,00 nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij betreffende de feiten 1 en 2 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.875,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering betreffende € 2.500,00, omdat het toekomstige schade betreft.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering betreffende de materiële schade van € 75,00, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. De vordering van de benadeelde partij betreffende de immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 750,00.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden ten aanzien van haar jurk als gevolg van het onder 2 gepleegde strafbare feit. De benadeelde partij heeft in haar aangifte verklaard dat haar jurk tijdens de worsteling is gescheurd. Het is aannemelijk dat haar jurk onbruikbaar is geworden door het bewezen verklaarde feit. De vordering is genoegzaam onderbouwd en is door de verdediging onvoldoende weersproken. De hoogte van de schade wordt door de rechtbank geschat op € 75,00. De vordering zal op dit punt worden toegewezen.

De beoordeling van het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de nader te onderbouwen schade van € 2.500,00 betreft een toekomstige schade en vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Feit 1

De benadeelde partij heeft genoegzaam aangetoond dat zij geestelijk letsel heeft geleden als gevolg van de bedreiging. Zij heeft dit gedaan door een stuk over te leggen van een GZ-psycholoog, die een terugkoppeling aan de huisarts geeft van een intake betreffende posttraumatisch stresssyndroom en de behandeling daarvan. De vordering zal op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 300,00.

Feit 2

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen, waardoor zij op grond van artikel 6:106, aanheft en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Het gevorderde bedrag van € 1.500,00 wordt toegewezen.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 juni 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 18 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 55, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregel

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

TBS-maatregel

beveelt dat de verdachte voor de feiten 1 en 3 ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van €1.875,00, bestaande uit € 75,00 als vergoeding van materiële schade (feit 2) en € 300,00 (feit 1) en € 1.500,00 (feit 2) als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 21 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,00 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 1.875,00 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 21 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 18 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.P. van de Beek, voorzitter,

en mrs. H.C. van Vuren en J. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B.A. Slebus, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 maart 2026.

De oudste rechter niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.P. van de Beek

Griffier

  • mr. A.B.A. Slebus

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?