Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10.079445.21 en 10.314278.21
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Datum zitting: 11 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [plaatsnaam] .
Advocaat van de verdachte: mr. S.R. Bordewijk
Officier van justitie: mr. M. Vollebregt
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van het tweemaal opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en methamfetamine, het tweemaal plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van en handel in heroïne en methamfetamine en het witwassen van een geldbedrag. De verdachte wordt veroordeeld voor het voorhanden hebben van één vuurwapen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van zes maanden met aftrek van het voorarrest.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – op twee verschillende momenten heroïne dan wel methamfetamine opzettelijk aanwezig heeft gehad, op twee verschillende momenten voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de productie van en handel in heroïne dan wel methamfetamine, een geldbedrag van € 11.250,- heeft witgewassen en twee vuurwapens voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
10.079445.21
1
hij op of omstreeks 20 maart 2021 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 7112,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
- ongeveer 201 pillen/34,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine,
zijnde heroïne en/of methamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 20 maart 2021 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en/of methamfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of methamfetamine, zijnde heroïne en/of methamfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen (ongeveer) 10058,6 gram versnijdingsmiddel, bestaande uit een mengsel van paracetamol en cafeïne, een of meer weegschalen, metalen pers, bakken en/of vergieten, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
10.314278.21
3
hij in of omstreeks de periode van 8 mei 2021 tot en met 19 november 2021, althans de periode van 18 november 2021 tot en met 19 november 2021, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 46.140 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4
hij in of omstreeks de periode van 8 mei 2021 tot en met 19 november 2021, althans de periode van 18 november 2021 tot en met 19 november 2021, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer voorwerpen, onder meer versnijdingsmiddelen en/of drugpersen en/of mallen en/of compressor, zijnde stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of diens mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit;
5
hij op of omstreeks 19 november 2021, te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een geldbedrag, te weten 11.250,- euro, althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
6
hij op of omstreeks 19 november 2021 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 ° van de Wet wapens, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van
- een revolver van het merk S&W, model 629-3, kaliber .44 Magnum en/of
- een pistool van het merk HK, model USP Compact, kaliber 9 mm
en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.
2. Vrijspraak feiten 1, 2, 3, 4 en 5 / Bewijs feit 6
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten met dien verstande dat de verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van het voorhanden hebben van een vuurwapen, te weten; een revolver van het merk S&W. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feiten 1, 2, 3, 4 en 5
De feiten 1, 2, 3, 4 en 5 waarvan de verdachte wordt beschuldigd zijn niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Deze vrijspraken worden hieronder gemotiveerd.
feiten 1 en 2
De verdachte is op 20 maart 2021 door de politie aangehouden in een woning aan de [adres 2] . Tijdens de doorzoeking bleek dat in deze woning, in één van de slaapkamers, een versnijdingsruimte was ingericht. In deze slaapkamer werd ook heroïne (in de vorm van blokken) aangetroffen. Daarnaast werden er in de woonkamer pillen (met methamfetamine) aangetroffen in een opbergkast. De verdachte bevond zich tijdens de inval van de politie met vijf andere personen in de woonkamer van de woning. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de verdovende middelen, die in een andere ruimte lagen respectievelijk in een kast. De verdachte was niet de eigenaar of huurder van deze woning. Het feit dat op de camerabeelden te zien is dat de verdachte reeds eerder in de woning aanwezig is geweest en het feit dat er DNA van de verdachte is aangetroffen op een hengsel van een plastic tas waarin meerdere blokken heroïne zijn aangetroffen in de desbetreffende slaapkamer, versterken de verdenking. Hieruit kan echter niet worden geconcludeerd dat de verdachte zeggenschap of beschikkingsmacht had over de heroïne en/of methamfetamine. Er is geen DNA van de verdachte aangetroffen op het verpakkingsmateriaal van de blokken heroïne. De rechtbank stelt voorts vast dat er geen bewijs aanwezig is dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de verdovende middelen.
feiten 3, 4 en 5
In de nacht van 19 november 2021 was er brand in een woning aan de [adres 3] . De politie trof op de bovenste verdieping van deze woning een versnijdingsruimte aan en verdovende middelen (heroïne), die in beslag werden genomen. Later die nacht krijgt de politie een melding dat drie personen het zegel zouden hebben verbroken van de woning en zich daar ophielden. De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht door [medeverdachte 1] werd gebeld met de vraag of hij [medeverdachte 1] kon ophalen bij de [locatie], waar de verdachte vervolgens naartoe is gereden. De verdachte wordt door de politie voor het eerst gezien wanneer hij het portiek uit loopt. In het dossier is geen bewijs aanwezig voor de vaststelling dat de verdachte op enig moment in de woning aanwezig is geweest dan wel in de versnijdingsruimte. Zowel niet vlak voor zijn aanhouding als voor het plaatsvinden van de brand. De verdachte was niet de eigenaar of huurder van de woning. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de in de woning aangetroffen verdovende middelen. De buiten aangetroffen big shopper met verdovende middelen werd gedragen door [medeverdachte 2] . Ook voor de verdovende middelen in deze tas kan geen wetenschap of beschikkingsmacht worden vastgesteld. De bevindingen uit de telefoon van de verdachte maken dit oordeel niet anders omdat onvoldoende duidelijk is of de video’s betrekking hebben op de tenlastegelegde feiten. De rechtbank stelt verder vast dat er geen bewijs aanwezig is dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de verdovende middelen. Gelet op het voorgaande kan niet worden gesteld dat het aangetroffen geldbedrag in de woning toebehoort aan de verdachte.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte een vuurwapen, te weten; een pistool van het merk HK, en munitie voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring van dit feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Op 19 november 2021 was ik in de [locatie].
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]
Op 19 november 2021 kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse aan de [adres 3] . Wij, verbalisanten, zagen dat drie personen naar beneden de trap afliepen en zich voor de woning van de [adres 3] . Wij zagen dat één persoon een gele big shopper tas met zich mee voerde. Wij zagen dat de drie personen op het moment dat zij in onze richting keken direct wegrenden.
Ik, [verbalisant 2] , nam de gele big shopper tas met inhoud in beslag ter waarheidsvinding.
Op het politiebureau verrichtten wij, verbalisanten, onderzoek aan de gele big shopper tas. Wij zagen dat er zich twee vuurwapens onderin de tas bevonden.
3. Kennisgeving van inbeslagneming politie, rapporteur [verbalisant 2]
Kennisgeving van inbeslagneming
Registratienummer: [nummer 1]
Behandelend hOvJ: [naam]
Rapporteur: [verbalisant 2]
Inbeslagneming
Plaats: [adres 4]
Datum en tijd: 19 november 2021 te 03:18 uur
Reden: artikel 26/1 Wet wapens en munitie (Voorhanden hebben wapen cat II ond 1 (vuurwapen)
Grondslag: 94 lid 1 Wetboek van Strafvordering - De waarheid aan de dag brengen
Omstandigheden: Vermoedelijk weggenomen uit pand [adres 3], ter waarheidsvinding in beslag genomen.
Volgnummer 1
Goednummer: [nummer 2]
Categorie omschrijving: Wapens/munitie/springstof
Object: Vuurwapen
Kleur: Zwart
Land: Nederland
Inhoud/specificatie: Met patroonhouder
Bijzonderheden: Graveercode weggeveild
Afstand door beslagene: Nee
Eigenaar: [medeverdachte 2] , [adres 5]
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [verbalisant 3]
Op 19 november 2021 zijn goederen inbeslaggenomen. Na onderzoek van deze goederen is het volgende naar voren gekomen:
Vuurwapenomschrijving 13:
Goednummer: [nummer 3]
Categorie omschrijving: Wapens / munitie / springstof
Object: Vuurwapen (Pistool)
Merk/type: HK USP Compact
Kleur: Zwart
Land: Nederland
Spoor identificatienr.: AAPL1299NL
Kaliber: 9x19 mm
Bijzonderheden: Met patroonmagazijn serienummers verwijderd
Het inbeslaggenomen voorwerp is een pistool geschikt om projectielen door een loop af
te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie.
Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 , gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II, sub 2, 3 o f 6 van de WWM.
Met het in beslag genomen vuurwapen zijn proefschoten gemaakt. Hierbij functioneerde het vuurwapen goed.
Munitieomschrijving 14:
Goednummer: [nummer 4]
Categorie omschrijving: Wapens / munitie / springstof
Object: Munitie (Kogelpatroon)
Aantal/eenheid: 7 stuks
Merk/type S&B 9xl7 mm
Land: Nederland
Spoor identificatienr.: AAPL1300NL
Kaliber: 9x17 mm (kort)
Bijzonderheden: Uit patroonmagazijn HK USP
Het betreft kogelpatronen van het kaliber 9xl7 mm (kort). Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de WWM.
5. Deskundigenverslag Nederlands Forensisch Instituut d.d. 28 januari 2022
DNA-onderzoek
Onderstaand referentiemateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek
Tabel 2 Bemonstering van sporenmateriaal
SIN
Omschrijving bemonstering
AAPL0037NL#01
ruwe delen pistool - AAPL1299NL
In Tabel 3 staan de personen van wie de DNA-profielen zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
Tabel 3 DNA-profielen van personen betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek
SIN
Naam
Geboortedatum
WAAQ1059NL
[verdachte]
[geboortedatum] 1984
Tabel 4 Resultaten, interpretatie en conclusie van het (vergelijkend) DNA-onderzoek
SIN (omschrijving)
DNA kan afkomstig zijn van
Bewijskracht
AAPL0037NL#0l
(ruwe delen pistool)
minimaal vier personen
- [medeverdachte 1]
- [verdachte]
- minimaal twee onbekende personen
- meer dan 1 miljard
- circa 56 miljoen
- niet van toepassing
Bewijsmotivering
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich op 19 november 2021, tezamen met twee anderen (medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ), bevond in de [locatie]. Door de verbalisanten is waargenomen dat [medeverdachte 2] een big shopper tas droeg waarin door de politie twee vuurwapens zijn aangetroffen, welke vervolgens in beslag zijn genomen. Op het vuurwapen van het merk HK USP Compact werd het DNA aangetroffen van de verdachte met een bewijskracht van circa 56 miljoen. In dit vuurwapen zaten zevens stuks kogelpatronen in het patroonmagazijn. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte in vereniging een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
6
hij op 19 november 2021 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van
- een pistool van het merk HK, model USP Compact, kaliber 9 mm
en munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten kogelpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.
De tenlastelegging bevat een kennelijke verschrijving, deze is in cursief verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
6
medeplegen van de eendaadse samenloop
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Strafbaarheid van het feit
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
Standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank toekomt aan het opleggen van een straf wordt verzocht een voorwaardelijke straf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft een vuurwapen en munitie voorhanden gehad op de openbare weg. Ongecontroleerd bezit van vuurwapens met munitie brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, omdat het bezit van een vuurwapen al snel kan leiden tot het gebruik ervan, met alle schadelijke gevolgen van dien.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Ook betrekt de rechtbank de ruime overschrijding van de redelijke termijn bij haar oordeel.
De rechtbank legt een gevangenisstraf op van zes maanden.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag van 175 euro, verbeurd wordt verklaard.
Standpunt van de verdediging
Er is geen reden waarom dit geldbedrag verbeurd verklaard moet worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan de verdachte nu er geen verband is met het bewezenverklaarde feit.
6. Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 3 maart 2022 geschorst tot aan de einduitspraak.
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie (WWM).
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feit 6, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
In beslag genomen voorwerpen
beveelt de teruggave van een geldbedrag van 175 euro aan de verdachte;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. van der Groen, voorzitter,
en mrs. C. Sikkel en E.H.N. van Hees, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 maart 2026.
Mr. J. van der Groen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.