ECLI:NL:RBROT:2026:3272

ECLI:NL:RBROT:2026:3272

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 10.181653.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewezen is dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het bewerken, verwerken en verkopen van grote hoeveelheden cocaïne, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een Sky-ID. Ook is bewezen dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het bewerken en verwerken van cocaïne door voorwerpen voorhanden te hebben welke bestemd zijn tot het plegen van dit feit. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.181653.25

Datum uitspraak: 25 maart 2026

Datum zitting: 11 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres [adres], [postcode] te [plaatsnaam],

gedetineerd in het [detentieadres].

Advocaat van de verdachte: mr. A.M. Seebregts

Officier van justitie: mr. M. van Eck

Kern van het vonnis

Bewezen is dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het bewerken, verwerken en verkopen van grote hoeveelheden cocaïne, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een Sky-ID. Ook is bewezen dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het bewerken en verwerken van cocaïne door voorwerpen voorhanden te hebben welke bestemd zijn tot het plegen van dit feit. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – in de periode van 17 juni 2020 tot en met 9 maart 2021 betrokken is geweest bij de productie van en handel in cocaïne, subsidiair ten laste gelegd als het plegen van voorbereidingshandelingen, én op 9 september 2025 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de productie van cocaïne.

De volledige (gewijzigde) tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:

1

primair

hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2020 tot en met 09 maart 2021 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

meermaals, althans eenmaal, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een groot aantal, althans een of meer, blokken, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2020 tot en met 09 maart 2021 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermaals, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door een of meer (encrypted) (chat)gesprekken te voeren waarin wordt gesproken over:

- de inkoop en/of verkoop van een of meer blokken cocaïne en/of

- de prijs en/of samenstelling van de blokken cocaïne, waarbij foto's van de blokken cocaïne worden verstuurd en/of

- de hoeveelheid blokken cocaïne die per keer kunnen worden afgenomen en/of

- het (laten) testen van de kwaliteit van de blokken cocaïne en/of

- ( het kopen en/of leveren en/of voorhanden hebben van) grondstoffen die worden gebruikt voor het vervaardigen/versnijden van die cocaïne en/of

- de prijzen van die grondstoffen en/of

- de wijze van het bereiden, bewerken, verwerken en/of vervaardigen van de cocaïne;

2

hij op of omstreeks 9 september 2025 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet een weegschaal en/of een potkrik en/of een vacuümmachine en/of een magnetron, in elk geval voorwerpen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair en 2, met dien verstande dat de verdachte ten aanzien van feit 1 partieel vrijgesproken dient te worden van het telen en vervoeren. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van feit 2. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich in de periode van 17 juni 2020 tot en met 9 maart 2021 schuldig heeft gemaakt aan het bewerken, verwerken en verkopen van blokken cocaïne en op 9 september 2025 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het bewerken en verwerken van cocaïne door het voorhanden hebben van voorwerpen die bestemd zijn tot het plegen van dit feit. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

Bewijsmotivering

Feit 1 - primair

De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte geïdentificeerd kan worden als de gebruiker van Sky ECC-account [account], gelet op de zendmastgegevens van de Cell-ID’s, de gesproken Turkse taal, het in de chats benoemen van zijn voornaam, zijn verjaardag en het café van zijn vader.

Uit de chatberichten gevoerd door de verdachte blijkt dat hij gedurende de periode van 17 juni 2020 tot en met 9 maart 2021 actief is geweest in de productie van en handel in cocaïne door het versnijden, persen (met stempels) en vervolgens verkopen van blokken cocaïne. De verdachte schrijft in verschillende chatberichten dat hij blokken ‘maakt’ in Rotterdam. Hij spreekt en onderhandelt in de chats met meerdere tegencontacten over de prijs van een blok cocaïne. Daarnaast wordt er gesproken over het versnijdingsproces, het gebruikte versnijdingsmiddel, de kwaliteit van de cocaïne en de productiehoeveelheden. Er zijn door de verdachte vele foto’s gestuurd van blokken cocaïne, veelal gekenmerkt door middel van stempels.

Op grond van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde.

Feit 2

In de woning van de verdachte zijn tijdens de doorzoeking op 9 september 2025 verschillende voorwerpen aangetroffen, te weten; een magnetron, een potkrik en een vacuümmachine. Van deze voorwerpen is bekend dat deze worden gebruikt bij het bewerken en verwerken van cocaïne. Op al deze voorwerpen zijn sporen van cocaïne aangetroffen. Daarmee is voldoende vastgesteld dat deze voorwerpen dienden om het feit, het bewerken en verwerken van cocaïne, voor te bereiden. Hieraan doet niet af dat een (of meer) van deze voorwerpen in een verpakkingsdoos werden aangetroffen, omdat voor een bewezenverklaring niet vastgesteld hoeft te worden dat de voorwerpen op de datum van aantreffen ook daadwerkelijk zijn gebruikt voor het feit. Het enkele feit dat de verdachte de voorwerpen voorhanden had en dat er sporen van cocaïne op zijn aangetroffen is voldoende bewijs voor het plegen van voorbereidingshandelingen.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1 primair

hij in de periode van 17 juni 2020 tot en met 9 maart 2021 te Rotterdam, opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermaals heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht, een groot aantal blokken cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij op 9 september 2025 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk bewerken en verwerken,

van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet een potkrik en een vacuümmachine en een magnetron voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1 primair

medeplegen van,

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

2

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

Bij bepaling van de strafmaat dient de ondergeschikte rol van cliënt in zwaarwegende mate te worden meegewogen, alsmede het gegeven dat de gedragingen zes jaar geleden plaatsvonden en cliënt first offender is. Ten aanzien van feit 2 merkt de verdediging op dat de observaties van de politie niet mogen worden meegewogen bij de bepaling van de strafmaat nu deze buiten de tenlastegelegde periode vallen.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna negen maanden samen met een ander schuldig gemaakt aan het bewerken, verwerken en verkopen van blokken cocaïne. Enkele jaren later heeft hij zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken en verwerken van cocaïne door voorwerpen voorhanden te hebben waarmee dit feit wordt gepleegd. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte een belangrijke schakel in de keten is geweest om de cocaïne te versnijden in Rotterdam en door te verkopen in de vorm van blokken. De verdachte maakte hierbij gebruik van een Sky-ID om zo contact te leggen met kopers en zijn ‘compagnon’. Het op de markt brengen van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Met de handel in cocaïne wordt veel geld verdiend en deze handel gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit, waaronder liquidaties. Ter bestrijding van harddrugsverslaving en ter voorkoming en bestrijding van illegale harddrugshandel wordt de handel in cocaïne streng bestraft. Gedurende het proces heeft de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 42 maanden. Van deze gevangenisstraf worden tien maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

5. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

6. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 10 (tien) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

7. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. C. Sikkel en L. den Teuling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 maart 2026.

Mrs. J. van der Groen en L. den Teuling zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. van der Groen

Griffier

  • mr. H. Tchang

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?