ECLI:NL:RBROT:2026:3279

ECLI:NL:RBROT:2026:3279

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 10/094719-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld voor een poging doodslag op de slachtoffers slachtoffer 1 en slachtoffer 2 en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte wordt vrijgesproken van een poging doodslag op slachtoffer 3 en van een bedreiging met een vuurwapen van slachtoffer 4. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 78 maanden. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/094719-25

Datum uitspraak: 17 maart 2026

Datum zitting: 3 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteland]

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,

gedetineerd in [detentieadres]

Advocaat van de verdachte: mr. M. de Reus

Officier van justitie: mr. N. Daalder

Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]

Advocaat van de benadeelde partijen: mr. Y.Y. Boduç

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor een poging doodslag op de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte wordt vrijgesproken van een poging doodslag op [slachtoffer 3] en van een bedreiging met een vuurwapen van [slachtoffer 4]. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 78 maanden. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 26 maart 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met een vuurwapen van het leven te beroven en [slachtoffer 4] met dat vuurwapen heeft bedreigd. Daarnaast beschuldigt de officier van justitie de verdachte ervan dat hij op 26 maart 2025 een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

De volledige tenlastelegging (hierna de beschuldiging) houdt in dat

1. hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen op korte afstand op/in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen op korte afstand op/in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen op korte afstand op/in de richting van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 ° van de Wet wapens en munitie, te weten: een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een omgebouwd gaspistool van het

merk Aksa, model AK15-k8, kaliber 9xl9 mm, voorhanden heeft gehad;

5. hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- een vuurwapen uit zijn (jas)zak te halen en dit vuurwapen door te laden en/of (vervolgens)

- dit vuurwapen op (het hoofd van) die [slachtoffer 4] te richten en gericht te

houden;

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 3 en 5. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zij het dat er wat de verdediging betreft geen sprake is van medeplegen bij het bezit van het vuurwapen.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 4

Bewezen is dat de verdachte op 26 maart 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven door met een vuurwapen op korte afstand op hen of in hun richting te schieten. Daarnaast is bewezen dat de verdachte op diezelfde dag een vuurwapen van het merk Aksa, model AK15-k8, kaliber 9xl9 mm voorhanden heeft gehad. Van medeplegen van het vuurwapenbezit is inderdaad geen sprake.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 1, 2 en 4 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. De bekennende verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie (forensisch onderzoek plaats delict)

3. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 1]

4. Schriftelijk stuk, (farr-verklaring)

5. Proces-verbaal van politie, aangifte [slachtoffer 2]

6. Schriftelijk stuk, (farr-verklaring)

7. Proces-verbaal van politie (voorlopige schouw)

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1.

hij op 26 maart 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen op korte afstand op/in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 26 maart 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen op korte afstand op/in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 26 maart 2025 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten: een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een omgebouwd gaspistool van het merk Aksa, model AK15-k8, kaliber 9xl9 mm, voorhanden heeft gehad;

Vrijspraak feit 3

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet “willens en wetens” getracht heeft om [slachtoffer 3] van het leven te beroven. Voor zogenoemd “vol opzet” biedt het dossier geen aanknopingspunten.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 3] . Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Vast staat dat de verdachte op 26 maart 2025 rond half tien ’s avonds met een vuurwapen op korte afstand op en in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten. De slachtoffers bevonden zich op dat moment op het balkon van hun woning en de verdachte stond op straat voor het balkon. [aangeefster] bevond zich ten tijde van het schieten in de kamer van haar broer, dichtbij de deuropening naar het balkon. De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 3] niet heeft gezien. Hij wist niet dat zij tijdens het schietincident vlakbij het balkon stond. Vast staat dat het rond het tijdstip van het schietincident donker was buiten en dat er over de gehele breedte van het balkon een zwart doek hing, waarmee het zicht op het balkon voor verdachte deels was ontnomen.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende naar voren komt dat de verdachte [slachtoffer 3] heeft zien staan, zodat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte zich bewust was van de (mogelijke) aanwezigheid van [slachtoffer 3] en dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer 3] . Van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 3] is daarom geen sprake. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 3 tenlastegelegde vrijspreken.

Vrijspraak feit 5

[slachtoffer 4] heeft aangifte gedaan van bedreiging met een vuurwapen. De verdachte heeft stellig ontkend dat hij aangever heeft bedreigd. De verklaring van de aangever wordt niet ondersteund door ander bewijs. Het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar die naar aanleiding van de melding over het schietincident ter plaatste kwam en die heeft verklaard dat hij waarnam dat de aangever aan het trillen was en ontdaan was van de schietpartij, is daarvoor onvoldoende.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen steunbewijs bevat om vast te kunnen stellen dat de verdachte een vuurwapen heeft gericht op de aangever en hem met dat vuurwapen heeft bedreigd.

Het onder 5 ten laste gelegde feit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1. en 2.

eendaadse samenloop van poging doodslag, meermalen gepleegd

4.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid, de rol van de aangevers in de aanloop naar het delict, het strafblad, de proceshouding van de verdachte, de bepleite vrijspraken en het strafblad van verdachte een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft met een vuurwapen op de openbare weg negen keer in de richting van het balkon van een woning geschoten waar op dat moment twee leden van het gezin stonden die werden geraakt door de kogels. De slachtoffers zijn ernstig gewond geraakt en ondervinden nog dagelijks de gevolgen hiervan. De pogingen tot doodslag hebben niet alleen voor de twee slachtoffers, maar voor het hele gezin grote gevolgen gehad; zo blijkt uit de vorderingen van de benadeelde partijen en de slachtofferverklaring die namens de familie ter terechtzitting is voorgedragen. Een woning is een plek waar de slachtoffers zich bij uitstek veilig moeten kunnen voelen. Dat gevoel heeft de verdachte de slachtoffers ontnomen. Zij hebben zich zelfs genoodzaakt gevoeld om te verhuizen. Dat sprake was van een burenruzie tussen de verdachte en de slachtoffers, doet geenszins af aan de ernst van de feiten.

Daarnaast zijn ook derden getuige geweest van het schietincident. Het schieten vond plaats midden in een woonwijk en er stonden minderjarige kinderen in de buurt. Meerdere personen hebben de schoten gehoord en het incident heeft een grote indruk gemaakt op de getuigen. Het toepassen van vuurwapengeweld zoals de verdachte heeft gedaan zorgt voor gevoelens van angst en onrust in de maatschappij. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij ook deze derden hiermee ongewild heeft geconfronteerd.

Dat geldt ook voor het voorhanden hebben van een wapen op de openbare weg. Zoals ook hier is gebeurd, leidt vuurwapenbezit tot het gebruik ervan en dat leidt weer tot gevoelens van angst en onrust in de maatschappij.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 september 2025 (uit Curaçao) en 29 januari 2026 blijkt dat de verdachte eerder – zij het langer dan vijf jaren geleden - onherroepelijk is veroordeeld wegens poging doodslag (2015) en vuurwapenbezit (2018); zowel hier in Nederland als op Curaçao (vóór 2009). Hier houdt de rechtbank rekening mee bij het opleggen van de straf.

Rapporten van deskundigen

In het NIFP-rapport van 28 oktober 2025 staat het volgende. Verdachte heeft een belast verleden en er is sprake van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een licht verstandelijk beperking en van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Door zijn licht verstandelijke beperking heeft hij gebrekkig overzicht op complexe situaties. Zijn beperking heeft in combinatie met angst en achterdocht in enige mate doorgewerkt in de aanloop naar de ten laste gelegde feiten 1 en 2 waarin een stapeling van conflictfactoren tot verhoogde stress heeft geleid. Verdachte had ook uit de situatie kunnen weglopen, maar is onvoldoende wilsvrij geweest om voor dit gedragsalternatief te kiezen. Zijn licht verstandelijke beperking heeft zijn gedrag tijdens het begaan van de strafbare feiten 1 en 2 beïnvloed. Dat geldt niet voor feit 4. De rapporteurs adviseren de rechtbank om de feiten 1 en 2 in enigszins verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Verder wordt het recidiverisico met behulp van zowel een klinische analyse als een statische risicotaxatie als laag tot matig ingeschat. De verdachte kent een lang en zorgelijk justitieel verleden, waaronder een poging doodslag en vuurwapen bezit, maar sinds 2018 bleef de verdachte bij politie en justitie uit beeld.

De rechtbank neemt de conclusies uit dit rapport over en zal de feiten 1 en 2 in enigszins verminderde mate toerekenen aan de verdachte.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten, het strafblad van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit gepleegd is, is alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De proceshouding van de verdachte, zijn spijtbetuiging aan de slachtoffers ter terechtzitting die op de rechtbank oprecht overkomt en zijn licht verstandelijke beperking die heeft geleid tot een enigszins verminderde mate van toerekening ten aanzien van de strafbare feiten 1 en 2, wegen in strafverminderende zin mee. Ook neemt de rechtbank mee dat zij, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, vrijspreekt van twee van de ten laste gelegde feiten. Alles afwegend wordt daarom een gevangenisstraf van 78 maanden opgelegd.

5. Vordering van de benadeelde partijen

Vorderingen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]

Er zijn vier vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Alle benadeelde partijen hebben

verzocht om de toegekende bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie refereert zich ten aanzien van alle vorderingen aan het oordeel van de rechtbank en verzoekt de rechtbank om, bij toewijzing, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Overzicht vorderingen benadeelde partijen

De vorderingen en de standpunten van de verdediging daarover zijn samengevat in onderstaand overzicht.

Benadeelde partij

Vordering

Standpunt verdediging

[benadeelde partij 1]

Materieel:

a) € 220,-

Trainingspak

schadepost onvoldoende onderbouwd

b) € 364,79

Medisch: eigen risico vervoer met ambulance

toewijzen

c) € 50,-

Medisch: pijnstillers

schadepost onvoldoende onderbouwd

d) € 304,-

Daggeldvergoeding ziekenhuis

toewijzen

e) € 139,17,-

Reiskosten naar advocaat, Erasmus MC, politiebureau en psycholoog

schadepost onvoldoende onderbouwd

f) € 5.551,- ( € 4.927,- + € 625,-)

Huishoudelijke hulp

schadepost onvoldoende onderbouwd

g) € 2.730,-

Verzorgingskosten/persoonlijke verzorging

schadepost onvoldoende onderbouwd

h) € 59.782,49

Verlies van arbeidsvermogen

schadepost onvoldoende onderbouwd

Immaterieel:

i) € 50.000,-

Smartengeld, vanwege geestelijk letsel, letsel op de borst en PTSS

matigen tot categorie ernstig als bedoeld in paragraaf 14.2 van de Rotterdamse Schaal

[benadeelde partij 2]

Materieel:

j) € 520,-

T-shirt en broek

schadepost onvoldoende onderbouwd

k) € 50,-

Pijnstillers

schadepost onvoldoende onderbouwd

l) € 342,-

Daggeldvergoeding ziekenhuis

toewijzen

m) € 20,52,-

Reiskosten naar Erasmus MC en politiebureau

schadepost onvoldoende onderbouwd

n) € 2.730,-

Verzorgingskosten/persoonlijke verzorging

schadepost onvoldoende onderbouwd

Immaterieel:

o) € 50.000,-

Smartengeld, vanwege geestelijk letsel, littekens op lichaam en PTSS

matigen tot categorie ernstig als bedoeld in paragraaf 14.2 van de Rotterdamse Schaal

[benadeelde partij 3]

Immaterieel:

p) € 20.000,-

Shockschade, vanwege PTSS

niet betwist

[benadeelde partij 4]

Immaterieel:

q) € 20.000,-

Shockschade, vanwege PTSS

niet betwist

Beoordeling

De vordering van [benadeelde partij 1]

Het gevorderde bedrag onder a) trainingspak wordt toegewezen tot een bedrag van € 100,-. Dat de kleding die het slachtoffer aan had niet meer bruikbaar was na het schietincident is aannemelijk. De rechtbank is wel van oordeel dat de vordering moet worden gematigd. Van het trainingspak is geen aankoopbewijs overgelegd en ook is de datum van aanschaf onbekend gebleven. Voor het overige deel verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering.

Het gevorderde bedrag onder b) eigen risico vervoer met ambulance wordt toegewezen. Dit deel van de vordering ter grootte van € 364,79,- is voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar.

Het gevorderde bedrag onder c) pijnstillers van € 50,- zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank volgt de verdediging in haar standpunt dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Van de pijnstillers is geen aankoopbewijs of schriftelijke onderbouwing overgelegd.

Het gevorderde bedrag onder d) daggeldvergoeding ziekenhuis wordt toegewezen. Dit deel van de vordering ter grootte van € 304,- is voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar.

Het gevorderde bedrag onder e) reiskosten wordt toegewezen voor een bedrag ter grootte van € 58,39,- (de reiskosten naar het Erasmus MC en de psycholoog). Voor het overige deel wordt de vordering afgewezen. Er bestaat geen wettelijke basis voor het vergoeden van de reiskosten naar de advocaat en het politiebureau.

Het gevorderde bedrag onder f) huishoudelijk hulp van € 5.551,- komt niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank volgt de verdediging in haar standpunt dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Uit de onderbouwing blijkt niet welk aandeel [benadeelde partij 1] had in het huishouden. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat [benadeelde partij 1] gedurende 6 maanden niets aan het huishouden heeft kunnen doen. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

Ook het gevorderde bedrag onder g) verzorgingskosten/persoonlijke verzorging van € 2.730,- zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren vanwege een gebrek aan onderbouwing.

Het gevorderde bedrag onder h) verlies van arbeidsinkomen van € 59.782,49,- wordt evenmin toegewezen. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van de vordering, omdat sprake is van een onevenredige belasting van het strafproces. De omvang van de vordering en de onzekere toekomstige arbeidsmogelijkheden van [benadeelde partij 1] vragen om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. Daartoe biedt het strafproces onvoldoende mogelijkheden.

Tot slot heeft [benadeelde partij 1] onder i) smartengeld gevraagd van € 50.000,- ter vergoeding van immateriële schade. Aan de benadeelde partij is rechtstreeks immateriële schade toegebracht. Aangezien het geestelijk letsel bij het slachtoffer op de voorgrond staat heeft de rechtbank voor de vaststelling van de vergoeding voor immateriële schade categorie 14.2, onder b, van de Rotterdamse Schaal als vertrekpunt genomen. Het gaat om een ernstig schietincident bij de woning van [benadeelde partij 1] waarbij de verdachte meerdere keren op het slachtoffer heeft geschoten. Naast geestelijk letsel heeft het slachtoffer ook fors lichamelijk letsel opgelopen, namelijk een klaplong, inschotverwondingen en schampschotverwondingen. De rechtbank stelt de schade naar maatstaven van billijkheid vast op € 16.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het resterende deel van de vordering zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren.

De vordering van [benadeelde partij 2]

Het gevorderde bedrag onder j) T-shirt en broek wordt toegewezen tot een bedrag van

€ 100,-. Dat de kleding die het slachtoffer aan had niet meer bruikbaar was na het schietincident is aannemelijk. De rechtbank is wel van oordeel dat de vordering moet worden gematigd. Van de kleding is geen aankoopbewijs overgelegd en ook is de datum van aanschaf onbekend gebleven. Daarnaast blijkt uit niets dat [benadeelde partij 2] ten tijde van het schietincident het betreffende T-shirt en de broek aanhad. Het resterende deel verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk.

Het gevorderde bedrag onder k) pijnstillers van € 50,- zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank volgt de verdediging in haar standpunt dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Van de pijnstillers is geen aankoopbewijs of schriftelijke onderbouwing overgelegd.

Het gevorderde bedrag onder l) daggeldvergoeding ziekenhuis wordt toegewezen. De vordering van € 342,- is voldoende onderbouwd.

Het gevorderde bedrag onder m) reiskosten wordt toegewezen voor een bedrag tot € 14,85,- (de reiskosten naar het Erasmus MC). Voor het overige deel wordt de vordering afgewezen. Er bestaat geen wettelijke basis voor het vergoeden van de reiskosten naar het politiebureau.

Ook het gevorderde bedrag onder n) verzorgingskosten/persoonlijke verzorging van € 2.730,- zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren vanwege een gebrek aan onderbouwing.

Tot slot heeft M.K Odabasi onder o) smartengeld van € 50.000,- ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. Aan de benadeelde partij is rechtstreeks immateriële schade toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op

€ 20.000,-. Het gaat om een ernstig schietincident bij de woning van [benadeelde partij 2]. Het slachtoffer heeft ernstig lichamelijk letsel opgelopen, namelijk schotverwondingen in zijn hals, long en buik. Hij heeft blijvende en zichtbare littekens terwijl hij nog maar vijftien jaar oud was ten tijde van het incident. Hij zal dus zijn hele leven met deze littekens worden geconfronteerd. Daarnaast heeft [benadeelde partij 2] ook PTSS opgelopen, zij het dat hij daarvan inmiddels goed lijkt te herstellen. De rechtbank komt daarom op basis van hoofdstuk 10, categorie middelzwaar, en paragraaf 14.2, onder c, van de Rotterdamse Schaal, tot een totaalbedrag van € 20.000,-.

Het resterende deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard.

De vorderingen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] (dochter en moeder)

Met betrekking tot de gevorderde shockschade stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] tijdens en gelijk na het schietincident in hun woning rechtstreeks zijn geconfronteerd met de ernstige verwondingen van hun vader, respectievelijk echtgenoot en broer, respectievelijk zoon. Daarnaast staat voldoende vast dat deze confrontatie bij hen een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht. Ook staat - mede gelet op de als gevolg van het incident bij hen gestelde PTSS-diagnose - voldoende vast dat bij hen sprake is van geestelijk letsel dat in rechte kan worden vastgesteld.

De rechtbank begroot deze schade voor zowel [benadeelde partij 3] als [benadeelde partij 4] naar billijkheid op € 10.000,-. Bij deze begroting is rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vorderingen worden tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vorderingen wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Schematisch overzicht schadevergoedingen

Bovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Benadeelde

partij

Vordering

Beslissing rechtbank

[benadeelde partij 1]

Materieel:

a) € 220,-

Trainingspak

Toewijzen € 100,-, overige niet-ontvankelijk

b) € 364,79,-

Medisch: eigen risico vervoer met ambulance

Toewijzen € 364,79

c) € 50,-

Medisch: pijnstillers

Niet-ontvankelijk

d) € 304,-

Daggeldvergoeding ziekenhuis

Toewijzen € 304,-

e) € 139,17,-

Reiskosten naar advocaat, Erasmus MC, politiebureau en psycholoog

Toewijzen € 58,39, overige afwijzen

f) € 5.551,- ( € 4.927,- + € 625,-)

Huishoudelijke hulp

Niet-ontvankelijk

g) € 2.730,-

Verzorgingskosten/persoonlijke verzorging

Niet-ontvankelijk

h) € 59.782,49,-

Verlies van arbeidsvermogen

Niet-ontvankelijk

Immaterieel:

i) € 50.000,-

Smartengeld, vanwege geestelijk letsel, letsel op de borst en PTSS

Toewijzen € 16.000,-, overige niet-ontvankelijk

[benadeelde partij 2]

Materieel:

j) € 520,-

T-shirt en broek

Toewijzen € 100,-, overige niet-ontvankelijk

k) € 50,-

Pijnstillers

Niet-ontvankelijk

l) € 342,-

Daggeldvergoeding ziekenhuis

Toewijzen € 342,-

m) € 20,52,-

Reiskosten naar Erasmus MC en politiebureau

Toewijzen € 14,85, overige afwijzen

n) € 2.730,-

Verzorgingskosten/persoonlijke verzorging

Niet-ontvankelijk

Immaterieel:

o) € 50.000,-

Smartengeld, vanwege geestelijk letsel, littekens op lichaam en PTSS

Toewijzen € 20.000,-, overige niet-ontvankelijk

[benadeelde partij 3]

Immaterieel:

p) € 20.000,-

Shockschade, vanwege PTSS

Toewijzen € 10.000,-, overige niet-ontvankelijk

[benadeelde partij 4]

Immaterieel:

q) € 20.000,-

Shockschade, vanwege PTSS

Toewijzen € 10.000,-, overige niet-ontvankelijk

Voor zover onderdelen van de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn verklaard, kunnen deze bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 26 maart 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. Gelet op de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen en de LOVS-afspraken hierover zal de totale duur van de gijzeling het toegestane maximum van een jaar overstijgen. Om dit te voorkomen zal de rechtbank het maximaal aantal dagen gijzeling naar evenredigheid vaststellen. Dit betekent dat voor de toegewezen vorderingen van [benadeelde partij 1] gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 107 dagen, voor de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] maximaal 130 dagen, voor de vordering van [benadeelde partij 3] maximaal 64 dagen en voor de vordering van de [benadeelde partij 4] eveneens maximaal 64 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [benadeelde partij 5]

De vordering van de [benadeelde partij 5] is ter zitting ingetrokken. Wel is verzocht om de maatregel ex artikel 38v van het wetboek van strafvordering op te leggen. Omdat de verdachte van de verdenking van bedreiging van [benadeelde partij 5] wordt vrijgesproken, komt de rechtbank aan de bespreking van dat verzoek echter niet toe.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 55 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 3 en 5 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, en 4, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregel

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 78 (achtenzeventig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de in onderstaande tabel genoemde benadeelde partijen te betalen het daarin genoemde totale bedrag aan toegewezen schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de genoemde datum tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het resterende gedeelte van de vordering van de [benadeelde partij 1] dat ziet op een bedrag van € 80,78 aan reiskosten; verklaart het resterende deel van de door hem gevorderde (im)materiële schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij M.K Odabasi dat ziet op een bedrag van € 5,67 aan materiële schade; verklaart het resterende deel van de door hem gevorderde (im)materiële schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

verklaart de [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

verklaart de [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de in de tabel genoemde benadeelden [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] te betalen de daarin genoemde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de daarin genoemde data tot aan de dag van algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van het in de tabel genoemde aantal dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de in de tabel genoemde benadeelde partijen, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Sikkel, voorzitter,

en mrs. C.M. Derijks en L.N. Foppen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Yenice, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.

Mr. C.M. Derijks is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C. Sikkel

Griffier

  • mr. D. Yenice

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?