Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10-256729-24
Parketnummers vordering TUL VV: 10-019373-22 en 10-117097-21
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van en preventief gedetineerd in de
[naam P.I.] te [detentieplaats] ,
raadvrouw: mr. T.T.H.M. Bruers, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzittingen van 14 november 2024, 4 februari 2025, 1 mei 2025, 24 juni 2025, 18 september 2025, 9 december 2025 en 9 en 10 maart 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officieren van justitie mrs. C. Brandwijk en E. Verhoeven-Ivankovic hebben gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak zonder nadere motivering van moord
Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering van doodslag en wapenbezit met bijbehorende munitie
De onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag en het onder 2 ten laste gelegde wapenbezit met bijbehorende munitie zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Rotterdam opzettelijk en al dan nietmet voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeftberoofd, immers heeft verdachte opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustigoverleg,met een vuurwapen een kogel in/door het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
2hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Rotterdam,een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens enmunitie,te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm vaneen pistool van het merk Glock, Gen5, Cz, kaliber .9mmen/of voor dat vuurwapen geschikte munitie, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten en verdachte
Strafbaarheid
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een noodweersituatie en dat de verdachte een geslaagd beroep kan doen op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer(exces).
De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte en het slachtoffer zich in een personenauto bevonden en dat er tussen hen een discussie ontstond. Het slachtoffer had een wapen bij zich en hij bedreigde de verdachte met dat wapen. Vervolgens heeft het slachtoffer zijn wapen doorgeladen. De verdachte heeft de situatie proberen te de-escaleren door uit de auto te stappen, maar dit was niet voldoende om de bedreigingen af te wenden. De verdachte heeft door een hevige gemoedsbeweging uiteindelijk zijn vuurwapen gebruikt. Er was sprake van een (dreigende) wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.
Standpunt officieren van justitie
De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat een beroep op noodweer
(exces) danwel putatief noodweer(exces) niet kan slagen. De officieren van justitie voeren daartoe aan dat de verklaring van de verdachte op dit punt niet aannemelijk is en niet past binnen de bewijsmiddelen.
Beoordeling noodweer(exces)
De rechtbank dient te beoordelen of aannemelijk is geworden dat er sprake was van een situatie waarin de verdachte zich mocht verdedigen tegen een dreigende aanval. De rechtbank stelt ten aanzien van de toedracht van het incident aan de hand van het dossier het volgende vast.
De verdachte is vanaf de ochtend van 9 augustus 2024 tot aan het schietincident in de vroege ochtend van 10 augustus 2024 samen met het slachtoffer en getuigen [getuige 1] en [getuige 2] geweest. De verdachte en de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] verklaren ieder dat de sfeer steeds goed was. Zij zijn met een grotere groep die nacht in de [horecagelegenheid] geweest en zijn daarna naar de parkeerplaats aan de Hedaweg gegaan om nog lachgas te gebruiken. Aangekomen op de parkeerplaats en vlak voor het schietincident is de stemming omgeslagen. Op dat moment zaten de verdachte en het slachtoffer samen op de achterbank van een auto. De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] zaten voorin als bestuurder en bijrijder in diezelfde auto. [getuige 2] en [getuige 1] verklaren, anders dan de verdachte en kort na het incident, dat de verdachte het slachtoffer aansprak, waarna tussen hen een discussie ontstond. De getuigen horen vervolgens het doorladen van een vuurwapen, waarna zij zich omdraaien en zien dat de verdachte uitstapt en op het slachtoffer schiet. Dit alles vond plaats in een zeer kort tijdbestek, zo’n 15 tot 20 seconden. [getuige 2] en [getuige 1] verklaren dat er geen sprake was van een voor de verdachte bedreigende situatie. Van een vuurwapen aan de zijde van het slachtoffer was ook geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] betrouwbaar en geloofwaardig. Zij hebben in de kern, meermaals en afzonderlijk van elkaar, hetzelfde verklaard. Bovendien komt hun verklaring op belangrijke punten overeen met de verklaring van de getuige [getuige 3] . [getuige 3] heeft op de parkeerplaats met het slachtoffer gesproken. Als het slachtoffer weer in de auto naast de verdachte stapt, staat [getuige 3] naast die auto. Zij verklaart toen te hebben gehoord en gezien dat tussen de verdachte en het slachtoffer een discussie ontstond. De verdachte deed daarop heel boos, stapte uit de auto en graaide in zijn tas. Getuige [getuige 3] is daarna weer in de auto gestapt en hoort vervolgens direct dat er twee keer wordt geschoten. [getuige 3] heeft ook geen wapen bij het slachtoffer gezien en zij geeft aan dat het slachtoffer de situatie probeerde te sussen. Er is daarnaast geen wapen van het slachtoffer in de auto of in de omgeving van de parkeerplaats aangetroffen. In dat verband kan de rechtbank aan de verklaring van de door de verdediging naar voren gebrachte getuige geen conclusie verbinden. Deze getuige heeft gezien dat iemand iets dat lijkt op een wapen heeft opgeraapt in de omgeving waar het slachtoffer uiteindelijk is aangetroffen. Deze verklaring is vaag, weinig concreet en vindt geen steun in het dossier.
Daartegenover staat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat het slachtoffer als eerste zijn wapen heeft gepakt. Deze verklaring is echter niet aannemelijk geworden, nu deze zijn weerlegging vindt in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Daar komt nog bij dat de verklaring van verdachte minder overtuigend is, nu hij zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht heeft beroepen, pas een voorbereide verklaring heeft afgelegd nadat hij kennis had genomen van de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] en over die verklaring verder geen vragen wilde beantwoorden. De verdachte heeft bovendien niet willen verklaren over de aanleiding voor het incident.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie zoals door de verdachte geschetst, zodat het beroep op noodweer(exces) niet slaagt.
Beoordeling putatief noodweer(exces)
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of – zoals door de verdediging is bepleit – sprake is geweest van putatief noodweer(exces).
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op putatief noodweer niet. Zoals hiervoor reeds overwogen volgt niet uit het dossier en het verhandelde ter zitting dat sprake is geweest van een voor de verdachte bedreigende situatie en/of dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich had. Hierom kon de verdachte op geen enkel moment in redelijkheid denken dat hij zich tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding moest of mocht verdedigen.
Conclusie
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten. Het feit en de verdachte zijn dus strafbaar.
De bewezen feiten leveren op (de meerdaadse samenloop van):
1.
doodslag
2.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
6. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft op zeventienjarige leeftijd zijn vriend, het zevenentwintigjarige slachtoffer [slachtoffer] , doodgeschoten. In de vroege ochtend van 10 augustus 2024 kwamen de verdachte en het slachtoffer na een avond uitgaan – en nadat zij al urenlang met elkaar hadden doorgebracht – met andere jongeren bijeen op een openbare parkeerplaats in Rotterdam. De verdachte zat samen met zijn vriend op de achterbank van een auto. Op enig moment is tussen hen een discussie ontstaan. Hoewel niet is gebleken dat dit een heftige discussie was, heeft dit wel tot een zeer heftige reactie bij de verdachte geleid. Hij is uit de auto gestapt, heeft zijn doorgeladen vuurwapen gepakt en heeft hiermee op zijn vriend geschoten. Het slachtoffer is kort daarna aan de gevolgen hiervan overleden.
De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. De familie van het slachtoffer heeft hun zoon en broer verloren en zijn destijds nog ongeboren kinderen moeten opgroeien zonder vader. Het overlijden van het slachtoffer heeft intens verdriet en onherstelbaar leed veroorzaakt bij zijn nabestaanden en bij andere mensen in zijn omgeving. Dit is ook gebleken uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de moeder, zus en partner van het slachtoffer. Onverteerbaar voor hen is hoe een jong en dierbaar leven zo plotseling en op deze wijze beëindigd heeft kunnen worden. Zij moeten de ingrijpende gevolgen van dit verlies voor altijd met zich dragen. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf de pijn en het verdriet van het gemis van het slachtoffer kan wegnemen.
Een schietincident veroorzaakt ook breder binnen de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid. De heftige gebeurtenissen in deze zaak illustreren bovendien op trieste wijze tot welke gevolgen het voorhanden hebben van een vuurwapen kan leiden. De rechtbank rekent de verdachte deze feiten ernstig aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
GZ-psychiater, [persoon A], heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 13 februari 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
De verdachte heeft een psychische stoornis in de vorm van een norm-overschrijdende gedragsstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken en een stoornis in het gebruik van cannabis. Hiervan was ook ten tijde van het ten laste gelegde sprake. De verdachte heeft toen zijn antisociale keuzes en gedrag niet adequaat afgewend en/of bijgestuurd, terwijl hij wel in voldoende mate in staat is het strafrechtelijk ontoelaatbare van zijn handelwijze in te zien en daarom voldoende in staat is zijn wil conform dit besef te bepalen. Dit betekent dat zijn problematiek wel een rol heeft gespeeld in zijn gedragskeuzes, maar dat dit hem niet heeft belemmerd bij het maken van de keuze om af te zien van het ongeoorloofde gedrag. Het advies is daarom om het tenlastegelegde -bij een bewezenverklaring - volledig toe te rekenen aan te verdachte.
Het risico op recidive zonder begeleiding en behandeling wordt matig tot hoog ingeschat. Dit komt met name door de ambivalente houding van de verdachte ten opzichte van regels en afspraken, zijn omgang met risicojongeren, het niet hebben van proactieve activiteiten en onvoldoende pro-sociaal gedrag. Daarbij komt dat er nauwelijks beschermende factoren aanwezig zijn in het leven van de verdachte.
Het advies is om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Pedagogische beïnvloeding en/of een gezinsgerichte aanpak is niet langer geïndiceerd. De verdachte maakt inmiddels een autonome indruk en hij lijkt ingebed te zijn in een crimineel milieu. Hij heeft bovendien een jarenlange justitiële voorgeschiedenis en heeft eerdere justitiële sancties laten mislukken. Verder lijkt de verdachte niet erg onder de indruk van justitiële autoriteiten en lijkt er sprake van een toename in ernst van het delictgedrag. Langdurige beveiliging van de maatschappij is noodzakelijk.
GZ-psychiater, [persoon A] , heeft desgevraagd haar bevindingen ter zitting toegelicht en haar conclusies gehandhaafd.
GZ-Psycholoog, [persoon B] , heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 14 februari 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
De verdachte heeft een norm-overschrijdende gedragsstoornis. Hiervan was ook tijdens het ten laste gelegde sprake, maar deze problematiek beperkte niet zijn gedragskeuzes en gedragingen. De verdachte heeft ook een stoornis in cannabisgebruik. Het is niet duidelijk wat de ernst daarvan voorafgaand aan de preventieve hechtenis is geweest, maar er waren geen zorgen bekend. De verdachte kent daarnaast een gebrekkige morele ontwikkeling met antisociale cognities en omringde zich voor zijn aanhouding al langere tijd met antisociale jongeren. Hij wordt voornamelijk gestuurd door zijn eigen behoeftebevrediging en houdt weinig rekening met anderen.
Het advies is om het ten laste gelegde - indien bewezen - volledig toe te rekenen aan de verdachte. Er is geen noodzaak voor behandeling. De verdachte is onvoldoende pedagogisch te bereiken en de gehele situatie overstijgt het pedagogische karakter van een afdoening binnen het jeugdstrafrecht. De verdachte is de pubertijd voorbij en in staat om zijn leven voor de buitenwereld adequaat vorm te geven, terwijl hij zich tegelijkertijd in laat met minder sociaal acceptabele activiteiten. Het advies is om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen
GZ-Psycholoog, [persoon B] heeft desgevraagd haar bevindingen ter zitting toegelicht en haar conclusies gehandhaafd.
E25 Zorg en Welzijn (hierna: E25) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd van 4 april 2025. Dit rapport houdt voor zoverre van belang het volgende in.
De verdachte heeft zich in de vroegste jaren van zijn leven positief ontwikkeld. Op dertienjarige leeftijd heeft de verdachte een traumatische ervaring meegemaakt, als gevolg waarvan zijn basale gevoel van veiligheid is aangetast en zijn mens- en wereldbeeld is veranderd. De verdachte heeft daartoe geen behandeling ontvangen. De jaren erna heeft de verdachte gebeurtenissen meegemaakt, ook in de plek waar hij is opgegroeid, die zijn problematiek hebben versterkt. Door de begeleiding en behandeling van E25 is het de verdachte gelukt om aan zijn toekomst te bouwen. Het lukte hem echter niet om aan zijn trauma te werken.
Het is zeer aannemelijk dat bij de verdachte psychopathologie van invloed is geweest op zijn handelen ten tijde van het ten laste gelegde. Dit komt doordat de verdachte zich ten tijde van het laste gelegde bedreigd voelde, waarna hij naar eigen zeggen zonder na te denken heeft geschoten. Deze reflex kan begrepen worden vanuit de samenloop van de omstandigheden, te weten zijn onverwerkte traumatische ervaringen, de overlever-schema's die getriggerd worden ("hij of ik") en het onder invloed zijn.
De pathologie waarmee de verdachte kampt kan en moet behandeld worden. De verdachte wordt een veiliger mens als hij zijn traumatische ervaringen verwerkt en de scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling middels therapie verandert. De geïndiceerde behandeling in deze is een combinatie van risicogestuurde en traumaverwerkingstherapie. Het advies is daarom om – bij een bewezenverklaring – een PIJ-maatregel op te leggen. Het wordt daarnaast sterk aangeraden om de verdachte voor langere tijd (gedwongen) uit zijn omgeving te halen en hem in een onbevooroordeelde omgeving waar hij in de basis veilig kan zijn te plaatsen.
De deskundigen van E25, [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] , hebben ter zitting het rapport nader toegelicht. De verdachte kampt met trauma. De verdachte was en is wantrouwend, bang om fouten te maken en voelt zich altijd in het nauw gedreven. Hij handelt in een reflex. Ten tijde van het ten laste gelegde is er sprake geweest van psychopathologie bij de verdachte door alles wat hij heeft meegemaakt. Hoewel hij behandelbaar is en ambulante hulp heeft ontvangen, heeft de ingezette hulp onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. De verdachte vindt het lastig om zich open te stellen en ontwikkelt zich in kleine stappen. In detentie is de verdachte verder vastgelopen. Langdurige behandeling is noodzakelijk om zijn wantrouwen en het gevoel aangevallen te worden weg te krijgen. Zonder behandeling zal de verdachte meer wantrouwend worden, meer problemen krijgen en verder verharden. Nu ambulante hulp niet heeft gewerkt, is een PIJ-maatregel de logische vervolgstap.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 maart 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De verdachte heeft de afgelopen jaren verschillende vormen van hulpverlening ontvangen en hij wordt inmiddels al voor een langere tijd begeleid door de jeugdreclassering. Hoewel het voorafgaand aan dit incident goed met de verdachte leek te gaan, is hij nu ondanks alle maatregelen, interventies en langdurige behandeling opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen. De vraag is hoe dit heeft kunnen gebeuren. Het NIFP heeft zowel een
psychologisch als psychiatrisch onderzoek afgerond. De conclusies van het NIFP staan tegenover de conclusies die zijn opgenomen in de rapportage van E25. De Raad onthoudt zich daarom, in afwachting van de inhoudelijke behandeling, in het rapport van een advies.
[persoon G] , zittingsvertegenwoordiger van de Raad, heeft in aanvulling op het bovengenoemde rapport ter zitting het volgende toegelicht. Gelet op het justitiële verleden van de verdachte en het pakket aan bijzondere voorwaarden waarin hij liep, bestaat de vraag in hoeverre de verdachte nog profijt heeft bij een pedagogische interventie. Tegelijkertijd staat vast dat de verdachte ten tijde van de zitting pas negentien jaar oud is en zijn hersenen nog in ontwikkeling zijn. De Raad acht daarom in het onderhavige geval nog een interventie mogelijk. Behandeling van de verdachte is noodzakelijk nu hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De verdachte is gebaat bij hulpverlening gericht op zijn identiteit, neutralisering en traumaverwerking. De inzet van PMT kan ook hulp bieden.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna te noemen: JBRR) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 februari 2026.
JBRR heeft de verdachte in 2021 leren kennen als een zeer gesloten en wantrouwend persoon. Hij liep vast op meerdere leefgebieden. De verdachte had last van trauma gerelateerde klachten, ging niet naar school en maakte deel uit van een overlast gevende groep. Sinds de start van de behandeling en begeleiding van E25 in 2022 heeft de verdachte een persoonlijke groei en groei in vaardigheden laten zien. De verdachte heeft diploma’s behaald, werk gevonden en geleerd om zijn gevoelens tot uiting te brengen. Desondanks is de verdachte opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. De verdachte lijkt gedurende de begeleiding en behandeling onvoldoende openheid en inzicht te hebben gegeven in zijn situatie. De verdachte heeft het leven van de straat en de daarbij behorende contacten onvoldoende kunnen loslaten. Het is ook niet gelukt om aan zijn trauma te werken.
JBRR merkt op dat de rapportages van het NIFP en E25 zijn opgesteld door deskundigen en goed zijn onderbouwd. Nu JBRR zelf geen beschikking heeft gehad over het strafdossier en zij waarde hecht aan allebei de visies en adviezen, onthoudt zij zich van een strafadvies en refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Conclusies van de rechtbank
Toepassing van het volwassenstrafrecht
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het sanctierecht voor jeugdige personen of dat voor volwassenen op de verdachte dient te worden toegepast.
Hoofdregel in het Wetboek van Strafrecht (Sr) is dat ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar, maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt, het jeugdstrafrecht van toepassing is.
Ingevolge artikel 77b Sr kan ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van zestien jaar, maar nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, het jeugdstrafrecht buiten toepassing worden gelaten en recht worden gedaan overeenkomstig het strafrecht voor volwassenen, indien daartoe grond wordt gevonden in de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank heeft acht geslagen op de verschillende rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt en de toelichting daarop van de deskundigen ter zitting. De rechtbank stelt vast dat daaruit niet een eenduidig beeld van de verdachte naar voren komt. Dat heeft er mede toe geleid dat zowel de Raad als JBRR zich onthouden van een advies om al dan niet het volwassenstrafrecht toe te passen. Gelet op al hetgeen er over de persoonlijke omstandigheden is aangevoerd en gelet op wat er uit het dossier blijkt, ziet de rechtbank aanleiding om in het onderhavige geval het jeugdstrafrecht buiten toepassing te laten en het strafrecht voor volwassenen toe te passen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank heeft allereerst acht geslagen op de ernst van het feit. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, door met het doorgeladen vuurwapen dat hij al de hele dag bij zich droeg op zijn vriend, het slachtoffer, te schieten. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte stelt de rechtbank vast dat hij ten tijde van het plegen van de feiten de verdachte 17 jaar en 8 maanden oud was. Uit het dossier blijkt dat de verdachte in het verleden al veelvuldig met justitie in aanraking is geweest. Zo is hij onder meer twee keer eerder veroordeeld voor vuurwapenbezit. In het kader van die veroordelingen in het jeugdstrafrecht is ook toezicht, begeleiding en uiteindelijk hulpverlening ingezet. Deze hulpverlening, die in de periode voor het delict door E25 werd geboden, stond op het punt om positief te worden afgerond. De verdachte wekte de indruk dat hij zijn leven ten goede had gekeerd. Vastgesteld moet echter worden dat hij ondertussen optrok met veel oudere vrienden met wie hij ook volwassen activiteiten onderneemt, zoals op de avond van het delict. Uit het dossier komt ook voldoende naar voren dat binnen deze vriendengroep het voorhanden hebben van vuurwapens normaal is. Het is zelfs het slachtoffer geweest dat voor de verdachte een vuurwapen heeft geregeld. De verdachte heeft geen verklaring willen geven waarvoor hij dit vuurwapen, dat volgens verklaringen € 5.000,- zou kosten, nodig zou hebben of waarvan hij dit betaalt. De verdachte liet naar buiten het beeld zien dat hij profiteerde van de hulpverlening en dat hij afstand had genomen van het antisociale gedrag, maar bleek ondertussen nog steeds antisociaal gedrag te vertonen. De forse inzet en begeleiding van de hulpverlening heeft de afgelopen jaren niet geleid tot een bestendige verbetering van de situatie. Onder de zich hier voordoende feiten en omstandigheden ziet de rechtbank geen mogelijkheden meer voor pedagogische interventies.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de feiten geen andere straf toelaat dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank wel rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte. Alhoewel de rechtbank het volwassenstrafrecht zal toepassen, is zij van oordeel dat de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het delict en het beeld zoals dat uit de rapportages naar voren komt aanleiding geven om een lagere straf op te leggen dan zoals gevorderd door de officieren van justitie. De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar opleggen.
Redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wegens bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden zijn gelegen in het feit dat enerzijds het onderzoek in deze zaak, ook naar aanleiding van de wensen van de verdediging, geruime tijd in beslag heeft genomen en anderzijds de planning door het horen van een groot aantal deskundigen ter zitting complex was.
7. Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen
De volgende vorderingen zijn door mr. S. Epema namens de in het geding gevoegde benadeelde partijen ingediend:
De volgende vorderingen zijn door mr. P.G.J.M. Boonen namens de in het geding gevoegde benadeelde partijen ingediend:
Door alle benadeelde partijen wordt verzocht om over de gevorderde bedragen de wettelijke rente toe te wijzen, alsmede de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt officieren van justitie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen toewijsbaar zijn, inclusief de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat zij niet in aanmerking komen voor shockschade en affectieschade. Daartoe is allereerst aangevoerd dat geen sprake is van een nauwe relatie zoals die uit de wet volgt. Daarnaast in dit geval geen sprake geweest van een directe confrontatie met het strafbare feit, waardoor de benadeelde partijen niet in aanmerking komen voor shockschade. De confrontatie met het overleden slachtoffer was ook niet onverhoeds en gebleken is dat de benadeelde partijen in het mortuarium steun aan elkaar hebben gehad. Bovendien is onvoldoende onderbouwd dat enige hevige shock heeft geleid tot een bepaald ziektebeeld.
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.
Beoordeling
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] (moeder van het slachtoffer)
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde 1] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade van € 1.853,00 is toegebracht, bestaande uit kosten voor het afscheid van het slachtoffer. Omdat dit deel van de gevorderde schadevergoeding voldoende is onderbouwd en door de verdediging niet is weersproken, zal dit deel van de vordering worden toegewezen.
Daarnaast behoort de moeder van het slachtoffer tot de kring van gerechtigden die op grond van artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. De rechtbank zal de vordering van de moeder toewijzen tot een bedrag van € 20.000,00, zoals verzocht en niet betwist, overeenkomstig het bepaalde in het Besluit vergoeding affectieschade.
Shockschade – ten aanzien van de zus en de partner van het slachtoffer
De zus en de partner van het slachtoffer hebben een vergoeding voor shockschade van € 25.000,00 gevorderd. Zij hebben hun broer en partner een dag na zijn overlijden in het mortuarium gezien. Zij hebben gesteld dat hun geestelijk letsel voortvloeit uit de confrontatie met het levenloze lichaam in het mortuarium.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een geslaagd beroep op shockschade sprake moet zijn van een hevige emotionele schok veroorzaakt door het waarnemen van het ten laste gelegde of een (directe) confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Voor vergoeding is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld.
In het onderhavige geval kan de rechtbank niet zonder meer vaststellen dat hiervan sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vragen of er sprake is geweest van een (directe) confrontatie zoals bedoeld door de Hoge Raad en of het geestelijk letsel wat is vastgesteld het gevolg is van deze directe confrontatie dan wel het gevolg is van de schok en het verdriet ten gevolge van het overlijden van hun naaste, mede gelet op de betwisting daarvan, alleen te beantwoorden na nadere onderbouwing en/of bewijslevering. Dat levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Dit maakt dat dit gedeelte van de vorderingen van de zus en de partner van het slachtoffer nu niet voor toewijzing vatbaar is. De benadeelde partijen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard voor dit deel van hun vorderingen. Zij kunnen dit deel van hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Vordering affectieschade [benadeelde 2] (zus van het slachtoffer)
[benadeelde 2] wenst als zus van het slachtoffer aanspraak te maken op affectieschade. De rechtbank overweegt dat broers en zussen niet zijn opgenomen in de opsomming van artikel 6:108, vierde lid, sub a tot en met f BW. Zij kunnen in bijzondere gevallen een beroep doen op de hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid, sub g BW. De hardheidsclause ziet op een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij als naaste kan worden aangemerkt. Hoewel duidelijk is dat in het onderhavige geval sprake was een waardevolle familieband, kan de rechtbank op basis van de overlegde informatie en het verhandelde ter zitting niet vaststellen dat sprake was van zo’n uitzonderlijk geval zoals voornoemd. Het slachtoffer woonde bij de moeder en onvoldoende blijkt dat de zus en het slachtoffer een zekere zorgrelatie jegens elkaar kenden. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering en bepalen dat zij dit gedeelte van haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Vordering affectieschade en toekomstige schade benadeelde partij [benadeelde 3] (partner van het slachtoffer)
[benadeelde 3] wenst als partner en levensgezel van het slachtoffer aanspraak te maken op affectieschade. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde 3] en het slachtoffer geen gezamenlijke huishouding voerden. Hierdoor is zij geen levensgezel en kan zij geen beroep doen op artikel 6:108 lid 3 en 4 onder b BW.
Naar het oordeel van de rechtbank komt [benadeelde 3] op grond van artikel 6:108 lid 3 en lid 4 onder g BW, ondanks de uitvoerige betwisting door de verdediging, in aanmerking voor vergoeding van de affectieschade op grond van de hardheidsclausule. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat zij en het slachtoffer een langdurige en affectieve relatie hadden. Zij waren vier jaar samen, hadden dagelijks contact, waren meerdere malen per week met elkaar samen en zij was in verwachting van de kinderen van het slachtoffer. Daarbij wordt de benadeelde partij door de familie van het slachtoffer als de vriendin van het slachtoffer gezien. Op grond van artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade heeft de benadeelde partij recht op € 17.500,00, zoals vastgesteld voor overige nauwe persoonlijke relaties. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering en bepalen dat zij dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor haar toekomstige schade € 5.000,00 nu de grondslag en omvang van deze schade op dit moment nog niet bepaald kan worden. De benadeelde partij kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Vorderingen benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (de kinderen van het slachtoffer)
De partner van het overleden slachtoffer was ten tijde van het bewezenverklaarde zwanger van haar twee kinderen. Deze kinderen, [benadeelde 4] en [benadeelde 5] , zijn na het overlijden van het slachtoffer geboren. Naar het oordeel van de rechtbank is het in deze in het belang van de kinderen van het slachtoffer om hen als geboren te beschouwen, zoals bedoeld in artikel 1:2 BW. Bij beschikking van 3 februari 2026 is het ouderschap van het overleden slachtoffer ten aanzien van [benadeelde 4] en [benadeelde 5] vastgesteld. Dit maakt dat zij voor een schadevergoeding in aanmerking komen.
Vaststaat dat de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, bestaande uit gederfd levensonderhoud. Naar het oordeel van de rechtbank is dit deel van de gevorderde schadevergoeding voldoende onderbouwd. Daarnaast is de hoogte van de vordering door de verdediging niet weersproken. De rechtbank zal dit deel van de vordering a € 5.400,00 daarom toewijzen.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat kinderen van een slachtoffer dat (als gevolg van een misdrijf) ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen, behoren tot de kring van gerechtigden die op grond van artikel 6:107, tweede lid BW aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. De rechtbank zal daarom aan ieder van de kinderen van het slachtoffer, [benadeelde 4] en [benadeelde 5] , een vergoeding van affectieschade toekennen a € 20.000,00, overeenkomstig het bepaalde in het Besluit vergoeding affectieschade.
De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op ten behoeve van [benadeelde 4] en [benadeelde 5] te openen bankrekeningen met een zogenoemde BEM-clausule (BEM is een afkorting van ‘Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen’). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarigen en hun wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot de minderjarige achttien jaar is
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024. Nu de vordering van de benadeelde partijen deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.
Conclusie
Vordering [benadeelde 1]
De verdachte moet de benadeelde partij [benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 21.853,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling of vervangende detentie worden toegepast.
Vordering [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] is in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Vordering [benadeelde 3]
De verdachte moet de benadeelde partij [benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van € 17.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering verklaard. Zij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter;
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling of vervangende detentie worden toegepast.
Vorderingen [benadeelde 4] en [benadeelde 5]
De verdachte moet de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] een schadevergoeding betalen van ieder € 25.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling of vervangende detentie worden toegepast. De te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een rekening met een BEM-clausule.
8. Vordering tenuitvoerlegging
Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 10-117097-21 van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 19 oktober 2021 is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 210 dagen, waarvan een gedeelte groot 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 3 november 2021.
Bij vonnis van 3 augustus 2023 is de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie gedeeltelijk tenuitvoergelegd, in die zin dat 45 dagen jeugddetentie zijn omgezet in 90 uren werkstraf en voor het overige gedeelte van de opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie, te weten 45 dagen, de proeftijd met een jaar is verlengd.
Bij vonnis van 10-019373-22 van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 3 augustus 2023 is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 210 dagen, waarvan een gedeelte groot 105 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De proeftijd is ingegaan op 18 augustus 2023.
Standpunt officieren van justitie
De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat de vorderingen ten uitvoer moet worden gelegd.
Standpunt verdediging
De raadsvouw heeft verzocht de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straffen niet ten uitvoer te leggen.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van deze vonnissen en voor het einde van de proeftijden gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijden geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het (resterende) voorwaardelijk gedeelte van de bij die vonnissen aan de verdachte opgelegde straffen.
De veroordeelde heeft inmiddels de leeftijd van achttien jaren bereikt en is voor een onderhavige feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf. De rechtbank ziet voor pedagogische beïnvloeding geen ruimte meer. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er derhalve gronden de jeugddetentie te vervangen door gevangenisstraf.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 57, 60a, 77b en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit en het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 1], te betalen een bedrag van € 21.853,00 (zegge: eenentwintigduizend achthonderd drieënvijftig euro), bestaande uit materiële schade en affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen € 21.853,00 (zegge: eenentwintigduizend achthonderd drieënvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 3], te betalen een bedrag van € 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), bestaande uit affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] te betalen € 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 4], te betalen een bedrag van € 25.400,00 (zegge: vijfentwintigduizend vierhonderd euro), bestaande uit materiële schade en affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] te betalen € 25.400,00 (zegge: vijfentwintigduizend vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 4] te openen bankrekening met een BEM-clausule;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 5], te betalen een bedrag van € 25.400,00 (zegge: vijfentwintigduizend vierhonderd euro), bestaande uit materiële schade en affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] te betalen € 25.400,00 (zegge: vijfentwintigduizend vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 5] te openen bankrekening met een BEM-clausule;
gelast de tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte van de voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 45 dagen, opgelegd bij vonnis van 19 oktober 2021 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank aan de veroordeelde (parketnummer: 10-117097-21);
gelast dat deze jeugddetentie ten uitvoer zal worden gelegd als gevangenisstraf, nu de veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank niet meer voor jeugddetentie in aanmerking komt;
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 105 dagen, opgelegd bij vonnis van 3 augustus 2023 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank aan de veroordeelde (parketnummer: 10-019373-22);
gelast dat deze jeugddetentie ten uitvoer zal worden gelegd als gevangenisstraf, nu de veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank niet meer voor jeugddetentie in aanmerking komt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. C.N. Melkert en D.I. Hendriks - van Wel, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Rotterdam opzettelijk en al dan nietmet voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeftberoofd, immers heeft verdachte opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustigoverleg,met een vuurwapen een kogel in/door het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
2hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Rotterdam,een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens enmunitie,te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm vaneen pistool van het merk Glock, Gen5, Cz, kaliber .9mmen/of voor dat vuurwapen geschikte munitie, voorhanden heeft gehad.