RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak van 12 februari 2026
In de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 23 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 23 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 februari 2026.
Ter zitting van 5 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
Verzoekster heeft ter zitting nog overgelegd; een eigen verklaring, een uittreksel uit de basisregistratie personen, een overzicht van wijzigingen van de Kamer van Koophandel – waaruit blijkt dat de eenmanszaak van verzoekster met ingang van 1 januari 2025 is opgeheven – en een brief van Avant sanare over het begeleidingstraject van verzoekster.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft zich op 11 december 2025 bij Geldplein aangemeld voor hulp bij haar schulden. De schulden van verzoekster zijn ontstaan door een leasecontract voor een auto en de ziekte en het uiteindelijke overlijden van haar oma. Verzoekster volgt op dit moment een BBL-opleiding waarbij zij achtentwintig uur per week werkt en één dag per week naar school gaat. Verzoekster verwacht haar opleiding binnen anderhalf jaar af te kunnen ronden. Gelet op deze BBL-opleiding acht schuldhulpverlening de kans dat een minnelijk traject zal slagen nihil. Schuldhulpverlening wil daarom het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voortzetten. Op dit moment is schuldhulpverlening enkel in afwachting van de aangiftes Omzetbelasting. Zij zal de missende stukken zo snel mogelijk aanleveren.
Verzoekster heeft een nettoloon van € 2.014,81 per maand, maar door een loonbeslag en bronheffing wordt er slechts een bedrag van € 1.166,00 uitbetaald op haar rekening. Verzoekster ontvangt ook huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. Het inkomen van verzoekster is voldoende om de verschuldigde huur van € 670,99 per maand te voldoen. Dit blijkt ook uit het door verzoekster overgelegde budgetplan. De verschuldigde huur voor de maanden januari en februari 2026 is ook voldaan.
3. Het verweer
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat de verschuldigde huur voor de maanden januari en februari 2026 is voldaan. Verweerster is blij dat er gewerkt wordt aan een oplossing en verzet zich niet tegen het verzoek.
4. De beoordeling
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat bedoeld is om in plaats van een verzoek ex artikel 287b Fw een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw in te dienen, dat ertoe strekt om verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen, totdat op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal zijn beslist. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoekster is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2025 tot ontruiming van haar woonruimte heeft overgelegd. Tevens is door verzoekster een kopie van het exploot van 5 januari 2026 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 27 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoekster enerzijds en de belangen van verweerster anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat eruit dat zij in afwachting van een beslissing van deze
rechtbank op het door haar ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw, samen met haar kinderen, in haar huurwoning kan blijven wonen.
Het belang van verweerster bestaat eruit dat zij het vonnis van 16 december 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid, aangevuld met huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. Dit inkomen is voldoende om de verschuldigde huur te voldoen. De verschuldigde huur voor de maanden januari en februari 2026 is ook voldaan. Ter zitting is door schuldhulpverlening verklaard dat budgetbeheer is opgestart, waarmee wordt gewaarborgd dat de verschuldigde huur ook in de toekomst betaald zal worden. Schuldhulpverlening heeft ter zitting ook verklaard dat zij niet verwacht dat de schuldeisers gaan meewerken in een minnelijk traject en dat verzoekster er (mede gelet op het gelegde beslag) belang bij heeft dat zo snel mogelijk het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat op voorhand niet onaannemelijk is dat het verzoek ontvankelijk zal worden verklaard en dat verzoekster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten. Het verzoek tot toepassing tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal bovendien op 18 maart 2026 om 11:00 uur – en derhalve op korte termijn – door de rechtbank worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming conform artikel 305 lid 2 Fw. Verzoekster zal bij afzonderlijk schrijven voor deze behandeling worden opgeroepen.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De verzochte voorziening zal worden toegewezen, waarbij in het belang van verweerster zal worden bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan.
5. De beslissing
De rechtbank:
- verbiedt verweerster, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, gelegen aan de:
[adres] ,
[postcode] [woonplaats] ;
- bepaalt dat de genoemde voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van
- de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel de beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan.
Deze beschikking is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
De griffier is buiten staat om
deze beschikking mede te ondertekenen