RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraak van 12 februari 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 28 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 28 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 februari 2026.
Ter zitting van 5 februari 206 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
De schulden van verzoekster zijn ontstaan door verkeerde beslissingen die hij in het verleden heeft genomen. De schulden werden steeds hoger en verzoeker zag door de bomen het bos niet meer. Vorig jaar heeft verzoeker zich bij Geldplein aangemeld voor schuldhulpverlening. Door Geldplein is toen ook een traject gestart, maar in verband met het wegvallen van het inkomen van verzoeker is het traject beëindigd. Sinds een paar maanden heeft verzoeker een uitkering op grond van de Participatiewet. Daarnaast ontvangt verzoeker huur- en zorgtoeslag. Het inkomen van verzoeker is voldoende om de verschuldigde huur van € 898,08 te voldoen. De huur voor de maand februari 2026 is ook voldaan. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat zij weer met verzoeker aan de slag zal gaan en dat er stukken worden verzameld voor het opstarten van budgetbeheer. Mocht budgetbeheer niet het gewenste resultaat hebben, dan zal er gekeken worden naar beschermingsbewind.
3. Het verweer
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand in januari 2024 is ontstaan. In 2024 zijn meerdere betalingsregelingen met verzoeker getroffen en in januari 2025 is een melding gedaan bij het Meldpunt Preventie Huisuitzettingen. Hulpverlening is continu betrokken geweest bij verzoeker en continu waren er problemen met het inkomen. Verweerster hoopt dat het verzoek wordt toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huur wordt voldaan en verzoeker hulp krijgt bij zijn schulden. De huur voor de maand februari 2026 is op 2 februari 2026 ontvangen.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 12 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 12 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 31 december 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft een uitkering op grond van de Participatiewet. Daarnaast ontvangt hij huur- en zorgtoeslag. Het inkomen van verzoeker is voldoende om de verschuldigde huur van € 898,08 per maand te voldoen. De huur voor de maand februari 2026 is ook voldaan. Ter zitting is door schuldhulpverlening verklaard dat budgetbeheer zal worden opgestart. Betaling van de lopende termijnen is daarmee gewaarborgd. De optie beschermingsbewind is ook met verzoeker besproken en zal indien nodig worden ingezet. Daarnaast zal er een schuldbemiddelingstraject worden gestart om tot een oplossing voor de schuldenproblematiek te komen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster en zal het verzoek worden toegewezen.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 31 december 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 28 januari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
De griffier is buiten staat om
dit vonnis mede te ondertekenen