RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraak van 12 februari 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 27 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 27 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 februari 2026.
Ter zitting van 5 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
Ter zitting heeft verzoeker nadere stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. De schuld aan verweerster is ontstaan door een hoge afrekening stook- en servicekosten, die op 25 juni 2024 bij verzoeker in rekening is gebracht, en de daarbij behorende verhoging van de huurtermijnen. Verzoeker was niet op de hoogte van de verhoging. De advocaat van verzoeker is een verzetprocedure gestart tegen de afrekening van de stook- en servicekosten. Verzoeker werkt als zzp’er bij een autospuiterij en verdient voldoende om de lopende huurtermijnen te betalen. Verzoeker heeft betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de huur voor de maanden januari en februari 2026 is betaald. Ter zitting is door verzoeker een betaalbewijs overgelegd waaruit blijkt dat een extra betaling van € 778,03 is gedaan.
3. Het verweer
Verweerster heeft schriftelijk laten weten dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 7 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 28 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 december 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft een inkomen als zzp’er van € 1750,- per maand. Daarnaast ontvangt hij een bedrag van € 325,- per maand aan huurtoeslag en € 131,- per maand aan zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn toereikend om de lopende huurtermijnen van € 778,03 per maand te voldoen. De huurtermijnen voor de maanden januari en februari 2026 zijn betaald. Daarnaast is ter zitting door de wijkcoach verklaard dat hij verzoeker heeft aangemeld bij Geldplein en dat op 5 februari 2026 om 15:00 uur een afspraak met Geldplein gepland staat. Geldplein gaat de schulden van verzoeker in kaart brengen en zal een schuldbemiddelingstraject starten. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 december 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan het [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 27 januari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.Y. Hu, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.