Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.405096.24
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Datum zitting: 27 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ,
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. C. Ihataren
Officier van justitie: mr. W.D. van den Berg
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. C.M. Diaz
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van een poging tot doodslag dan wel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Zijn medeverdachte heeft geschoten vanuit de auto waarin de verdachte als bestuurder reed, maar dit levert geen wetenschap op van het voorhanden hebben van dat vuurwapen en evenmin mededaderschap voor het schieten daarmee.
1. Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte
1.
op of omstreeks 8 december 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] , althans een ander (onbekend gebleven) persoon, opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meerdere malen, althans eenmaal met een vuurwapen op/richting die [slachtoffer 1] heeft geschoten, en/of
- een voertuig heeft bestuurd van waaruit op die [slachtoffer 1] werd geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op of omstreeks 8 december 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver en/of een pistool, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2. Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de bewezenverklaring gevorderd van de feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten.
Oordeel van de rechtbank
Op 8 december 2024 zijn het latere slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) en een bekende van hem, genaamd [slachtoffer 2] , naar een woning op de Kleine Visserijstraat in Rotterdam gegaan. Nadat [slachtoffer 2] aanbelde werd er, van boven vanaf een ander balkon dan van de woning waar zij aanbelden, op hen geschoten. Hierbij is het slachtoffer in zijn arm en in zijn zij geraakt. Het slachtoffer en [slachtoffer 2] zijn weggerend. In een auto in de buurt zaten de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . De verdachte was de bestuurder en [medeverdachte] was de bijrijder. Zij zijn achter het slachtoffer en [slachtoffer 2] aangereden. [medeverdachte] heeft op de Mathenesserdijk, waar het slachtoffer en [slachtoffer 2] naar toe waren gerend, vanuit de auto met een vuurwapen geschoten.
De rechtbank begrijpt uit de bewoordingen van de tenlastelegging en de gegeven toelichting van de officier van justitie op de terechtzitting dat de beschuldiging van de verdachte enkel ziet op zijn betrokkenheid bij het tweede schietincident, waarbij door [medeverdachte] is geschoten vanuit de auto die de verdachte bestuurde.
Zoals is opgemerkt is niet de verdachte maar medeverdachte [medeverdachte] degene geweest die heeft geschoten. De verdachte is dus geen pleger van het schietincident. Evenmin kan worden bewezen dat de verdachte daarbij als mededader betrokken is geweest. Er kan namelijk enkel worden vastgesteld dat de verdachte als bestuurder in de auto reed op het moment dat [medeverdachte] schoot. Uit niets blijkt dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto en evenmin dat [medeverdachte] van plan was om daarmee te gaan schieten. Het is aannemelijk dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, werd verrast door het handelen van [medeverdachte] . Hoewel de verdachte door [medeverdachte] werd aangestuurd om met de auto in een bepaalde richting te rijden, staat niet vast dat hij wist dat [medeverdachte] tijdens de achtervolging een wapen zou trekken en vanuit de auto zou schieten.
Daar komt bij dat niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat er door [medeverdachte] gericht op het slachtoffer is geschoten dan wel dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer door de schoten zou worden geraakt en dodelijk zou worden getroffen dan wel daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
De verdachte wordt daarom vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten.
3. Voorlopige hechtenis
De verdachte bevond zich op grond van een bevel gevangenhouding in voorlopige hechtenis. De voorlopige hechtenis is op 27 februari 2026 door de rechtbank opgeheven. Het bevel tot opheffing van de voorlopige hechtenis is in een apart document vastgelegd.
4. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde]
heeft als benadeelde partij van feit 1 € 4.934,- als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens is gevorderd de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering omdat het letsel en de schade zijn ontstaan bij het eerste schietincident, waar de verdachte niet bij betrokken is geweest.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van het handelen van de verdachte. De schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, houdt verband met het eerste schietincident waar de verdachte niet bij betrokken is geweest. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk is gelet op de bepleite integrale vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging.
De benadeelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
5. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Voorlopige hechtenis
stelt vast dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is opgeheven met ingang van 27 februari 2026.
Vordering benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op vandaag op nihil..
6. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
en mrs. M.K. Asscheman-Versluis en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 maart 2026.