RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1605
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
(gemachtigde: mr. T. Baltus).
Deze uitspraak gaat over een ondersteuningsarrangement in de vorm van zorg in natura op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiseres is het niet eens met de leveringsvorm van het aan haar toegekende ondersteuningsarrangement. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de leveringsvorm van het toegekende ondersteuningsarrangement.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht een ondersteuningsarrangement heeft toegekend in de vorm van zorg in natura voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren trede midden over de periode van 26 augustus 2024 tot en met 23 februari 2025. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Met het primaire besluit van 23 augustus 2024 heeft het college eiseres een ondersteuningsarrangement toegekend in de vorm van zorg in natura. Met het bestreden besluit van 29 januari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college het primaire besluit gehandhaafd.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 22 augustus 2024 een aanvraag gedaan voor ondersteuning in het kader van de Wmo 2015. Met het primaire besluit is aan eiseres een ondersteuningsarrangement in de vorm van zorg in natura toegekend voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren trede midden over de periode van 26 augustus 2024 tot en met 23 februari 2025. De zorgaanbieder ontvangt hiervoor een zorgbudget van maximaal € 209,53 per week.
4. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit in stand gelaten. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres en haar pgb-vertegenwoordiger niet beschikken over voldoende administratieve vaardigheden om een pgb te beheren. Daarom heeft het college een ondersteuningsarrangement in de vorm van zorg in natura toegekend. Daarnaast is volgens het college sprake van gebruikelijke hulp, zodat er geen reden is om aan eiseres huishoudelijke ondersteuning toe te kennen.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of sprake is van procesbelang. Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat als gevolg van de besluitvorming schade is geleden.
6. Eiseres wenst een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Met het bestreden besluit heeft het college eiseres juist een ondersteuningsarrangement in de vorm van zorg in natura toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit besluit ook worden opgevat als een indirecte afwijzing van een aanvraag om pgb. Duidelijk is dat eiseres geen gebruik wilde maken van zorg in natura. Eiseres heeft ook bij het college aangegeven dat zij geen prijs stelt op de indicatie voor ondersteuning in de vorm van zorg in natura, waarna het college de indicatie met het besluit van 11 september 2024 per 26 augustus 2024 stop heeft gezet. Met het instellen van beroep wil eiseres bereiken dat aan haar alsnog een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt. Zij kan dit resultaat bereiken en het realiseren van dat resultaat zou voor haar ook feitelijk betekenis hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit specifieke geval sprake is van procesbelang.
De ingangsdatum van de maatwerkvoorziening
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het gaat om een verlengingsverzoek van haar maatwerkvoorziening met ingang van 21 juli 2024.
8. De Wmo 2015 bevat geen regels over de ingangsdatum van een maatwerkvoorziening. In de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 (Beleidsregels) is in artikel 2.4.1. bepaald dat uitgangspunt is dat de ingangsdatum van de ondersteuning ligt op of na de datum waarop op de aanvraag voor ondersteuning is beslist. Dit betekent in de praktijk dat het enige tijd kan duren voordat de zorg daadwerkelijk kan aanvangen. Hierop is een uitzondering mogelijk als de ondersteuning met toestemming van het college (wijkteam) is ingezet voordat het besluit tot toekenning is genomen. Dit kan als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. In overeenstemming met de Beleidsregels heeft het college het ondersteuningsarrangement toegekend met ingang van 26 augustus 2024. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht. Het college heeft inzichtelijk gemotiveerd dat de nieuwe melding van eiseres aanleiding gaf tot het verrichten van een nieuw onderzoek om de ondersteuningsbehoefte op dat moment te kunnen bepalen voordat op de aanvraag kon worden beslist.
Het niet toekennen van de huishoudelijke ondersteuning
9. Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
10. Op grond van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 wordt onder gebruikelijke hulp verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.
11. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat in de situatie van eiseres sprake is van gebruikelijke hulp. Uit de Wmo 2015 volgt dat van de twee inwonende, volwassen zoons van eiseres verwacht mag worden dat zij gebruikelijke hulp verlenen. Dit betekent dat van hen wordt verwacht dat zij de huishoudelijke taken binnen de woning op zich nemen. Dit is alleen anders wanneer zij daartoe niet of niet volledig in staat zouden zijn, bijvoorbeeld vanwege geobjectiveerde beperkingen op het gebied van de noodzakelijke ondersteuning of – dreigende – overbelasting. Hiervan is niet gebleken. Eiseres heeft weliswaar naar voren gebracht dat haar zoons allergische klachten en luchtwegklachten hebben, toch is onvoldoende onderbouwd dat de zoons hierdoor niet in staat zouden zijn om gebruikelijke hulp te verlenen.
De weigering van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
12. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat haar hulpvraag niet op de juiste wijze is afgehandeld. Zij wenst een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb, zoals eiseres bij haar eerste indicatie ook verstrekt heeft gekregen.
13. De rechtbank stelt voorop dat een cliënt de vrijheid heeft te kiezen tussen zorg in natura en een pgb. Als een cliënt gemotiveerd de wens te kennen geeft dat aan hem een pgb wordt verstrekt, moet het college echter toetsen of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015. Om in aanmerking te komen voor een pgb dient op grond van sub a van dit artikel te worden voldaan aan de voorwaarde dat de aanvrager – al dan niet met hulp van mensen uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger – in staat is om de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Het gaat daarbij om de vraag of de aanvrager, met de hulp van zijn omgeving, in voldoende mate in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
14. Artikel 3.4.1, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018 (Combiverordening 2018) bepaalt dat als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, de cliënt daartoe volgens een door het college ter beschikking gesteld format een aanvraag en pgb-plan indient waarbij hij onder andere aangeeft wat hij met het pgb wenst in te kopen en wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren.
15. Eiseres heeft de benodigde pgb-formulieren niet correct en niet volledig ingevuld, ook niet nadat het college haar daar op heeft gewezen. Zo werd in de financieel overzichten bijvoorbeeld niet het juiste pgb-budget opgenomen en werd als vervangend zorgverlener de naam van de pgb-vertegenwoordiger van eiseres vermeld. Zoals ook tijdens de zitting door het college is toegelicht, mag de pgb-zorgverlener niet ook de pgb-vertegenwoordiger zijn. Het is niet duidelijk geworden waarom eiseres ondanks herhaalde verzoeken daartoe niet alle gevraagde informatie aan het college heeft verstrekt. Als het voor eiseres niet duidelijk (genoeg) was wat zij op de pgb-formulieren had moeten invullen, had het op haar weg gelegen om hierover bij het college navraag te doen.
16. Als gevolg van het niet volledig invullen van de pgb-formulieren, heeft het college mogen vaststellen dat eiseres en haar pgb-vertegenwoordiger niet in staat kunnen worden geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Hieruit volgt dat het college tot het oordeel heeft mogen komen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb, zodat de voorziening terecht in de vorm van natura is verstrekt. Verder is uit de stukken niet gebleken dat bij de behandeling van de aanvraag van eiseres sprake zou zijn geweest van beoordelingen op grond van persoonlijke meningen.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.