RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Rotterdam, eiseres
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4175
(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en
(gemachtigde: [naam]).
1. Deze uitspraak gaat over een aan eiseres opgelegd onderzoek naar de rijgeschiktheid. Eiseres is het niet eens met het onderzoek. Aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het opleggen van het onderzoek.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR het onderzoek heeft mogen opleggen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het CBR heeft in een besluit van 6 december 2024 aan eiseres een onderzoek naar haar rijgeschiktheid opgelegd. Met het bestreden besluit van 9 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het CBR bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Het CBR heeft aan eiseres een onderzoek naar haar rijgeschiktheid (het onderzoek) opgelegd, omdat zij in de ochtend van 13 november 2024 een ongeluk heeft veroorzaakt en bij de politie en het CBR het vermoeden is gerezen dat dit wegens onvoldoende geestelijke geschiktheid is ontstaan. In een proces-verbaal staat – zakelijk samengevat – het volgende.
4. De verbalisanten zijn in de ochtend van 13 oktober 2024 naar een melding gegaan van een aanrijding. Ter plaatse troffen de verbalisanten slechts één auto aan met schade aan de rechter achterkant. Via het kenteken van eiseres zijn de verbalisanten bij haar terechtgekomen, zij was weggereden bij de plaats van het ongeval. De verbalisanten zijn naar de woning van eiseres gegaan en hebben aangebeld. Na vijf minuten werd er vanuit het raam geroepen dat de deur opengedaan zou worden. Na nog eens vijftien minuten wachten werd opengedaan door een andere aanwezige. Eiseres bleek de gehele tijd dat de verbalisanten voor de deur stonden in de woonkamer te hebben gezeten, maar deed niet open. Eiseres verklaarde dat zij haar telefoonnummer aan de andere betrokkene had gegeven. De verbalisant belde de politie ter plaatse, waarop die verklaarde dat de andere betrokkene geen telefoonnummer had gekregen. Eiseres vertelde een onsamenhangend verhaal en bleef niet-relevante informatie herhalen. Eiseres verklaarde meermaals dat zij haar telefoonnummer had gegeven en zei steeds “Ja, ze heeft foto’s gemaakt.” De verbalisant wilde met eiseres terug naar de plek van het ongeval. De verbalisant nam eenmaal ter plaatse waar dat eiseres zich vasthield aan de auto van de andere betrokkene tijdens het lopen. De verbalisant had niet het idee dat eiseres begreep wat er gaande was. De verbalisant vertelde eiseres terug te gaan naar haar voertuig en nam waar dat eiseres niet geheel wist in welk voertuig zij moest gaan zitten. De dochter van eiseres bood haar excuses aan voor het gedrag van eiseres en zei dat zij manisch depressief is.
5. Op basis van het voorgaande is bij het CBR twijfel gerezen of het nog veilig is dat eiseres deelneemt aan het verkeer. Het CBR heeft aan eiseres een onderzoek naar haar rijgeschiktheid opgelegd.
Mocht het CBR besluiten dat eiseres een medisch onderzoek naar de rijgeschiktheid moest ondergaan?
6. Eiseres voert aan dat het CBR ten onrechte het onderzoek heeft opgelegd op de grond dat zij verward gedrag vertoonde na het ongeluk. Het CBR heeft niet gemotiveerd waarom de in de mededeling genoemde gedragingen een vermoeden van geestelijke ongeschiktheid opleveren. Zo wordt in de mededeling gesproken over de rijvaardigheid van eiseres, maar die staat niet ter discussie. De opmerking van de dochter van eiseres dat zij manisch depressief is had het CBR niet mogen meewegen, de huisarts is er niet van op de hoogte en zij heeft nooit de diagnose gehad. Eiseres was na het incident in shock, wat haar gedrag verklaart. Eiseres verwijst bij haar betoog naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
In artikel 23, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) is bepaald dat een medisch onderzoek naar geestelijke geschiktheid wordt opgelegd aan bestuurders in geval van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage onder B, onderdeel II. Daar is ten aanzien van de geestelijke gesteldheid onder meer opgenomen, onder a: verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen, en onder h: een van de in onderdeel A, subonderdelen I of II, genoemde gedragingen, indien het vermoeden bestaat dat ze het gevolg zijn van onvoldoende geestelijke geschiktheid. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling hoeft voor het opleggen van een medisch onderzoek naar de geschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.
Het CBR heeft aan het vermoeden van ongeschiktheid onder meer ten grondslag gelegd dat de verklaringen van eiseres niet overeenkomen met de werkelijkheid. Ook heeft het CBR meegewogen dat eiseres de politie ruim een kwartier voor de deur heeft laten wachten zonder open te doen, waarna de dochter van eiseres opendeed. Verder stelt het CBR zich op het standpunt dat de reactie van eiseres niet past bij de geringe ernst van de aanrijding. Eiseres was vrijwel nergens meer toe in staat, zelfs niet tot het invullen van het schadeformulier of een gesprek met de andere betrokkene.
De rechtbank overweegt dat het CBR het vermoeden van verwardheid heeft gebaseerd op voormelde informatie uit de processen-verbaal die zijn opgemaakt op ambtsbelofte. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling mag het CBR, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. De processen-verbaal zijn immers opgesteld door verbalisanten van de politie die geen belang hebben bij hetgeen zij vermelden als door hen waargenomen.
De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om anders te oordelen. Dat in de mededeling de rijvaardigheid wordt benoemd en niet de rijgeschiktheid, maakt nog niet dat het CBR het onderzoek niet mag opleggen. In de processen-verbaal die bij de mededeling zijn gevoegd schrijft de politie zowel de rijvaardigheid als de rijgeschiktheid. De uitspraak waar eiseres naar verwijst ziet niet op haar situatie. Het CBR had in die zaak niet gemotiveerd welke gevallen van de bijlage op de betrokkene van toepassing waren. In dit geval heeft het CBR dit wel toegelicht en ook onderbouwd aan de hand van de processen-verbaal. Het CBR heeft ook mogen meewegen dat de dochter van eiseres zei dat eiseres manisch depressief is. Het is mogelijk dat eiseres hier onder lijdt, maar dat de huisarts daarvan niet op de hoogte is. Het CBR heeft bij het opleggen van het onderzoek de volledige situatie meegewogen waarbij de opmerking van de dochter slechts een onderdeel is. Het overige gedrag van eiseres tezamen met de opmerking van de dochter rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat eiseres verward gedrag heeft vertoond. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal en het CBR kon op basis hiervan een vermoeden van ongeschiktheid bij eiseres aannemen, zodat een medisch onderzoek naar de rijgeschiktheid kon worden opgelegd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR het onderzoek heeft mogen opleggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.