RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Schiedam, eiser
de burgemeester van Schiedam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3475
(gemachtigde: mr. M.S. Dalfour),
en
(gemachtigde: mr. J. Aksu).
1. Deze uitspraak gaat over een besluit van de burgemeester om de woning aan [adres] (de woning) te sluiten voor de duur van zes weken. Eiser is het niet eens met de sluiting. Aan de hand van de beroepsgronden die eiser aanvoert beoordeelt de rechtbank de sluiting.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de woning heeft mogen sluiten voor de duur van zes weken. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 11 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij de sluiting van de woning gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser huurde de woning van zijn ex-vrouw. Uit een bestuurlijke rapportage van 27 juni 2024 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende.
Op 27 juni 2024 is de politie op verzoek van eiser naar de woning gegaan omdat hij en zijn ex-vrouw ruzie hadden in de woning. De ex-vrouw zou de woning zonder toestemming zijn binnengetreden. Eén van de politieambtenaren werd aangesproken door de vader van de ex-vrouw. Hij zei: “hij liegt, hij heeft een hennepplantage op zolder.” Bij binnenkomst verklaart de ex-vrouw dat zij het goed vindt als eiser in de woning blijft en op zolder verblijft. De ex-vrouw vraagt de politieambtenaar mee te lopen naar zolder om te laten zien dat die bewoonbaar is. Op zolder blijkt een gesloten deur aanwezig te zijn en de politieambtenaar vraagt wat er achter de deur is. De ex-vrouw geeft aan dit niet te weten en dat de politieambtenaar mag gaan kijken. Bij het openen van de deur ruikt de politieambtenaar direct een geur welke zij ambtshalve herkent als de geur van cannabis. Zij ziet een grote zwarte vuilniszak die open is. In deze vuilniszak zit een doorzichtige zak met daarin groen plantachtig materiaal.
Er wordt aan eiser en de ex-vrouw gevraagd of zij toestemming geven voor een doorzoeking van de woning. Beiden geven daarvoor schriftelijk toestemming. Tijdens de doorzoeking wordt het volgende aangetroffen:
Op de bovenste etage zijn in de eerste kamer gipsplaten tegen de wand geschroefd en in de hoek staat een houten plaat tegen de wand. Na het verwijderen van de houten plaat is een ruimte zichtbaar waar meerdere zwarte bakjes zijn opgestapeld die gebruikt worden bij het telen van hennepplanten. Ook liggen er meerdere open zakken met potgrond.
In de tweede kamer ruikt de politieambtenaar de geur van hennep. Hij ziet meerdere zwarte vuilniszakken met daarin hennepgruis/hennepafval en een viertal dozen met grote lampen. In een bigshopper ziet de politieambtenaar meerdere geperste en vacuümverpakte blokken liggen. De blokken zijn wit van kleur en de politieambtenaar vermoed dat deze blokken mogelijk verdovende middelen betreffen.
In de keuken wordt in een kast onder het gasfornuis nog een zak aangetroffen met daarin hennepafval.
In de woonkamer wordt in een kast een klein zakje henneptoppen aangetroffen.
In totaal is 30.957,12 gram hennepgruis/hennepafval aangetroffen. Het zakje met henneptoppen bevat een brutogewicht van 37,62 gram. De negen vacuüm verpakte plastic zakken met witte substantie en één plastic zakje met grijze brokken worden getest met gebruik van de ‘TRUNARC’. Uit dit onderzoek blijkt dat de negen vacuümverpakte zakken een brutogewicht hebben van 7.816,98 gram en positief testen op amfetamine. Het zakje met grijze brokken heeft een brutogewicht van 117,84 gram en de test geeft geen duidelijk resultaat.
De burgemeester maakt op 11 juli 2024 aan eiser en de ex-vrouw het voornemen kenbaar om de woning te sluiten voor de duur van zes maanden. Met een besluit van 26 augustus 2024 heeft de burgemeester besloten om de woning te sluiten voor de duur van zes weken. Hierbij heeft de burgemeester overwogen dat de ex-vrouw met vier kinderen in de woning verbleef. De woning is gesloten geweest van 4 september 2024 tot en met 16 oktober 2024. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard en overwogen dat hij op goede gronden tot sluiting van de woning is overgegaan.
Toetsingskader
4.
Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in woningen soft- of harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. De last onder bestuursdwang (zoals een sluiting, een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing) is een herstelmaatregel, in dit geval met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet. Als een burgemeester in een concreet geval bevoegd is om op te treden met een last onder bestuursdwang en hij overweegt om een woning te sluiten, zal hij moeten beoordelen of dat in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Wanneer hij daarvoor beleid heeft geformuleerd, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. Een burgemeester moet zich in dat kader ervan vergewissen dat de sluiting en de duur ervan met het oog op de genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Bij de bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester beleidsruimte. Dit betekent dat het aan een burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. In dit geval heeft de burgemeester voor de uitoefening van zijn bevoegdheid beleidsregels opgesteld, in het Besluit van de burgemeester van de gemeente Schiedam houdende regels omtrent het damoclesbeleid (Damoclesbeleid gemeente Schiedam 2020) (het Damoclesbeleid). Dit Damoclesbeleid strekt ertoe om de rol van het betreffende pand in de productie van drugs en/of handel in drugs ongedaan te maken, recidive en ook verdere nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden te voorkomen. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning.
Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. Eiser voert aan dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten. Hij stelt daartoe dat de indicatieve test van de gevonden stoffen onvoldoende is om vast te stellen dat het om harddrugs gaat. De burgemeester had het moeten laten onderzoeken door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Eiser is onder het vermoeden van de vondst van harddrugs door de politie verhoord en in hechtenis genomen. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak echter geseponeerd. Eiser meent dat de burgemeester door deze omstandigheid had moeten twijfelen aan het resultaat van de indicatieve test. De burgemeester heeft ook onvoldoende gemotiveerd hoe hij dit heeft meegewogen. Volgens eiser had de burgemeester niet kunnen volstaan met de enkele opmerking dat in het strafrecht een andere bewijsmaatstaf geldt.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De burgemeester heeft terecht overwogen dat in het bestuursrecht een andere bewijslast geldt dan in het strafrecht en dat in het bestuursrecht gebruik kan worden gemaakt van een indicatieve test. In de woning is een totaal van ruim 30 kilo hennepafval aangetroffen dat achter een gipsplaat verstopt was. Ook zijn er henneptoppen gevonden waarvan het totaal meer is dan de handelshoeveelheid van 5 gram. Gelet daarop en op de indicatieve test waarvan het resultaat is neergelegd in het naar waarheid (op basis van ambtsedige/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen) opgemaakte bestuurlijke rapportage, is voldoende aannemelijk dat de aangetroffen stof amfetamine bevat. Een verklaring van het NFI dat de aangetroffen stoffen daadwerkelijk amfetamine bevat, is dan niet nodig. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om anders te oordelen. Daarbij is van belang dat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit de reden van het sepot van de strafzaak blijkt.
Omdat het hier gaat om een hoeveelheid aan harddrugs die de als voor eigen gebruik bestemde maximumhoeveelheid van 0,5 gram overschrijdt, mocht de burgemeester in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Hij was daarom bevoegd om de woning te sluiten.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan sluiting moeten volstaan (noodzaak)?
6. Eiser voert aan dat de burgemeester met een lichter middel had moeten volstaan. Er is geen sprake geweest van loop op de woning en eiser heeft geen eerdere antecedenten op het gebied van de Opiumwet. Op basis van de omstandigheden dient de juistheid van het indicatieve onderzoek in twijfel te worden getrokken waardoor onvoldoende is aangetoond dat er harddrugs in de woning aanwezig waren. Het hennepafval heeft betrekking op de door eiser zelfgemaakte CBD-olie voor eigen gebruik. Er is dusdanig weinig hennep gevonden dat dit geen sluiting kan rechtvaardigen.
De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat hij gelet op de beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning had kunnen volstaan. Zoals hiervoor onder 5.1. overwogen was de indicatieve test voldoende om te mogen concluderen dat er harddrugs in de woning zijn aangetroffen. Het gaat evident om een niet lichte overschrijding van de grenshoeveelheid voor eigen gebruik, die grens is met ruim 15.633 keer overschreden. Het gaat daarom om een ernstig geval. Dat er geen loop op de woning is waargenomen betekent niet dat de drugs niet in de woning aanwezig waren met het doel om deze te verhandelen, al dan niet vanuit de woning zelf. De rechtbank wijst erop dat een sluiting op grond van de Opiumwet een pandgerichte maatregel is. Het is daarom in de beoordeling van de noodzaak niet relevant of eiser de drugs de woning in heeft gebracht, of de ex-vrouw. Daarnaast acht de rechtbank het relevant dat er ruim 30 kilo aan hennepafval is gevonden. Ook de hoeveelheid hennep die is aangetroffen overschrijdt de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik. Daarbij heeft eiser niet door middel van bijvoorbeeld een doktersverklaring aannemelijk gemaakt dat hij de hennep voor zijn medische klachten gebruikte. Verder mocht de burgemeester van belang achten dat in de woning meerdere zwarte bakjes zijn gevonden welke gebruikt worden bij het telen van hennepplanten en meerdere open zakken met potgrond. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting van de woning aanwezig heeft mogen achten.
Was sluiting van de woning evenwichtig?
7. Eiser voert aan dat het besluit niet evenwichtig is. De drugs waren niet van hem. Er waren meerdere personen in de woning aanwezig toen de politie de verdovende middelen vond. De burgemeester heeft geen onderzoek gedaan naar de feitelijke betrokkenheid van eiser, zijn verwijtbaarheid ontbreekt. Hij is door de sluiting dakloos geworden aangezien zijn ex-vrouw de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft opgezegd. Zijn ex-vrouw heeft de woning op een onrechtmatige wijze betreden. Uit een vonnis van de kantonrechter van 27 augustus 2024 blijkt dat de ex-vrouw enkel het doel had om zichzelf te woning toe te eigenen. Eiser vindt het opmerkelijk dat de dag nadat de ex-vrouw haar spullen in de woning heeft geplaatst ook een grote hoeveelheid drugs in de woning is aangetroffen.
Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient zij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
De rechtbank vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. De burgemeester heeft de betrokken belangen meegewogen in de beoordeling van de sluiting. Zo heeft de burgemeester de sluitingsduur naar aanleiding van de zienswijze verkort naar zes weken in plaats van zes maanden wegens de omstandigheid dat er vier kinderen in de woning wonen. Hierbij mocht de burgemeester van belang achten dat uit het vonnis van de kantonrechter blijkt dat ten tijde van de sluiting de ex-vrouw het recht had om de woning te gebruiken en eiser niet. De impliciete stelling van eiser dat zijn ex-vrouw mogelijk de drugs de woning in heeft gebracht om zo van de huurovereenkomst af te komen, wat daar ook van zij, maakt de sluiting niet onevenredig. Ook de hoeveelheid hennep, waarvan eiser erkent dat die van hem was, overschrijdt de toegestane hoeveelheid en is in beginsel voldoende om tot een sluiting over te gaan. Verder heeft eiser niet onderbouwd waarom hij op medische gronden van de woning afhankelijk is. Zelfs indien eiser dit wel had onderbouwd was eiser ten tijde van de sluiting al dakloos, de sluiting heeft dit niet veroorzaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van het geschil tussen eiser en zijn ex-vrouw, maar dat is geen geschil waar de bestuursrechter zich over kan buigen.
Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de sluiting evenwichtig was.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester de woning heeft mogen sluiten voor de duur van zes weken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.