ECLI:NL:RBROT:2026:3460

ECLI:NL:RBROT:2026:3460

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer ROT 25/1471
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Varia, woningsluiting op grond van de Opiumwet. De burgemeester heeft de woning mogen sluiten voor de duur van drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Hoogvliet Rotterdam, eiser

de burgemeester van Rotterdam

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1471

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),

en

(gemachtigde: mr. A.J. Wintjes en [naam]).

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van eiser gelegen aan het [adres] (de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden wegens een overtreding van de Opiumwet. In bezwaar heeft de burgemeester dit besluit in stand gelaten. Eiser is het er niet mee eens dat de burgemeester het besluit tot woningsluiting in stand heeft gelaten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op bezwaar.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de woning heeft mogen sluiten voor de duur van drie maanden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.

Met het sluitingsbesluit van 2 september 2024 heeft de burgemeester de woning van eiser voor de duur van drie maanden gesloten. Eiser heeft tegen de sluiting bezwaar gemaakt.

Met het besluit op bezwaar van 13 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester de sluiting gehandhaafd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester. Op de zitting is het onderzoek geschorst om de burgemeester gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op door eiser voor de zitting ingediende nadere gronden van beroep, die door de griffie niet aan de burgemeester waren doorgezonden. Na ontvangst van een aanvullend verweerschrift heeft de rechtbank partijen op 13 januari 2026 kenbaar gemaakt dat zij voor een nadere zitting geen aanleiding zag, tenzij een partij hierom binnen twee weken zou vragen. Partijen hebben niet gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.

Eiser is huurder en hoofdbewoner van de woning. De woning is eigendom van de woningstichting Stichting Woonbron (de verhuurder).

In de bestuurlijke rapportage van 11 juli 2024 is – samengevat – het volgende vermeld. Op 8 april 2024 en op 16 april 2024 is er bij Meld Misdaad Anoniem melding gemaakt dat de bewoner van de woning zou handelen in lachgasflessen, welke in de woning zouden zijn opgeslagen. Op 7 mei 2024 zijn politiemedewerkers naar de woning gegaan met een machtiging tot binnentreden. In de woning zijn meerdere lege lachgasflessen en ballonnen aangetroffen. Daarnaast zijn (onder andere) meerdere zakjes wit poeder, zakjes bruin kristal, pillen en geldbiljetten in kleine coupures gevonden in de woning. Uiteindelijk bleek het in ieder geval te gaan om 7,9 gram cocaïne, 36,8 gram MDMA (pillen), 13,1 gram MDMA (brokvormig), 13,2 gram 3-MMC en 27,6 gram ketamine. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten de woning voor de duur van drie maanden te sluiten.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in woningen soft- of harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. De last onder bestuursdwang (zoals een sluiting, een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing) is een herstelmaatregel, in dit geval met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet. Als een burgemeester in een concreet geval bevoegd is om op te treden met een last onder bestuursdwang en hij overweegt om een woning te sluiten, zal hij moeten beoordelen of dat in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Wanneer hij daarvoor beleid heeft geformuleerd, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. Een burgemeester moet zich in dat kader ervan vergewissen dat de sluiting en de duur ervan met het oog op de genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.

Bij de bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester beleidsruimte. Dit betekent dat het aan een burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. In dit geval heeft de burgemeester voor de uitoefening van zijn bevoegdheid beleidsregels opgesteld, in de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022 (de Beleidslijn). De Beleidslijn strekt ertoe om de openbare orde te herstellen door de drugshandel te beëindigen en beëindigd te houden. Met een sluiting wordt het risico op herhaling voorkomen en een signaal gegeven dat drugspanden en drugsgerelateerde activiteiten niet worden getolereerd. Een sluiting zorgt voor terugkeer van de rust in de omgeving, beëindigt eventuele overlast en loop op het pand en neemt de bekendheid van het pand in het drugscircuit weg. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning.

Was de burgemeester bevoegd de woning sluiten?

5. Eiser voert aan dat de burgemeester de woning niet had mogen sluiten. Hij stelt daartoe dat hij niet wist dat de drugs in zijn woning aanwezig waren, hij kon daarom geen maatregelen treffen om de goederen te verwijderen dan wel niet toe te laten. Volgens eiser hebben zijn vrienden de drugs zijn huis in gebracht tijdens een huisfeestje voor het bevrijdingsfestival. Eiser overlegt hierbij meerdere verklaringen van zijn vrienden waaruit blijkt dat de drugs van hen waren en dat de drugs bestemd waren om op het festival door meerdere personen te worden gebruikt. Eiser verwijst naar de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling.

De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Tussen partijen is niet in geschil dat er meer dan 0,5 gram harddrugs in de woning is aangetroffen. De burgemeester is daarom in beginsel bevoegd om de woning te sluiten. Bovendien blijkt uit de verklaring van één van de vrienden van eiser dat die vriend de drugs de woning in heeft gebracht om de drugs te verstrekken aan andere personen. Hij schrijft: “Ik wilde drugs meenemen naar het feest na het huisfeestje. Ik zou op het feest buiten ook andere vrienden zien/ontmoeten en de drugs met hen delen.” Het is bij de beoordeling van de bevoegdheid om te sluiten niet relevant dat het niet eiser was die de drugs de woning in heeft gebracht. Uit de verklaring van de vriend blijkt dat de drugs in de woning aanwezig waren met het oogmerk deze te verstrekken aan andere personen.

Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan sluiting moeten volstaan (noodzaak)?

6. Eiser voert aan dat de burgemeester met een minder ingrijpend middel had moeten volstaan. In dit geval was een waarschuwing voldoende geweest. Er is geen sprake geweest van loop op de woning en eiser heeft geen eerdere antecedenten op het gebied van de Opiumwet. Ook is er geen sprake van een ernstig geval. De enkele omstandigheid dat er sprake is van een bepaalde hoeveelheid harddrugs rechtvaardigt niet de conclusie dat het een ernstig geval is. Zelfs als het wel een ernstig geval is betekent dit niet dat de burgemeester niet had kunnen volstaan met een waarschuwing.

De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat zij gelet op de beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning had kunnen volstaan. Het gaat om een niet lichte overschrijding van de grenshoeveelheid voor eigen gebruik, die grens is ruim 197 keer overschreden. Het gaat daarom om een ernstig geval. De rechtbank overweegt daarbij dat de omstandigheid dat er geen loop op de woning is waargenomen niet betekent dat de drugs niet in de woning aanwezig waren met het doel om deze te verhandelen, al dan niet vanuit de woning zelf. Zoals hiervoor onder 5.1. overwogen blijkt uit de verklaring van een vriend van eiser dat de drugs in de woning aanwezig waren om te verstrekken aan andere personen. Ook blijkt uit de verklaring dat de vriend drugs in de woning achterliet om deze te bewaren voor een volgende keer. Bovendien was de drugs verpakt in gripzakjes die geschikt zijn voor de handel. Dat er feitelijk geen loop is waargenomen is daarom minder relevant. De rechtbank wijst erop dat een sluiting op grond van de Opiumwet een pandgerichte maatregel is. Het is daarom ook in de beoordeling van de noodzaak niet relevant of eiser de drugs de woning in heeft gebracht, of één van zijn vrienden. Ook heeft de burgemeester mogen meewegen dat er contant geld is aangetroffen in kleine coupures. In de bestuurlijke rapportage wordt daarbij opgemerkt dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die zich bezighouden met het dealen in verdovende middelen vaak een hoeveelheid contant geld op zak hebben, waarbij vooral de kleinere coupures in grote mate aanwezig zijn. De burgemeester heeft de noodzaak aanwezig mogen achten gelet op de aangetroffen drugs, de meldingen via Meld Misdaad Anoniem, de grote hoeveelheid harddrugs, de gripzakjes waarin de drugs zaten en het contante geld.

Was sluiting van de woning evenwichtig?

7. Eiser voert aan dat de sluiting niet evenwichtig is. De drugs waren niet van hem en hij was niet op de hoogte van de aanwezigheid ervan. Eiser heeft geen tijd gehad om de drugs te vinden nadat hij weer in zijn woning was. Als dat wel het geval was geweest had hij de drugs weggegooid. De politie stond bij hem voor de deur voordat hij deze kans had. Als gevolg van de sluiting kon eiser zijn recht op family life niet meer uitoefenen met zijn zoontje. Ook wilde de verhuurder tot ontbinding overgaan, maar heeft deze er uiteindelijk voor gekozen om een gedragsaanwijzing op te leggen. Bovendien had eiser geen toestemming gegeven voor de doorzoeking als hij wist dat er drugs in zijn woning aanwezig waren. Daaruit volgt dat eiser niet wist dat er drugs in zijn woning aanwezig was.

Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient zij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt het standpunt van de burgemeester dat eiser een verwijt valt te maken. Eiser was huurder en hoofdbewoner van de woning, het is daarom zijn verantwoordelijkheid om toezicht te houden op het gebruik van de woning. Dit geldt ook voor het geval waarin hij een feest heeft gegeven waar zijn vrienden bij hem binnen zijn geweest. Dat één van zijn vrienden verklaarde dat hij de drugs heeft meegenomen en ook deels heeft gebruikt ontslaat eiser niet van de voorgaande verplichting. Wat daar ook van zij, de verklaringen maken niet dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt. Eiser is als huurder van de woning zelf verantwoordelijk voor wat in de woning gebeurd. Bovendien acht de rechtbank het verhaal van eiser dat hij geen enkele weet had van de drugs onaannemelijk. Zoals de burgemeester terecht opmerkt zijn de drugs op persoonlijke plekken gevonden zoals de onderste lade van het TV meubel in de slaapkamer en in twee verschillende lades in de keuken. Ook stond er een zwarte tas op tafel in de woonkamer met contant geld en enkele pillen MDMA. De burgemeester acht het terecht niet aannemelijk dat eiser niets heeft meegekregen van de gedragingen van zijn vriend. De rechtbank hecht geen waarde aan de verklaring van eiser dat hij de politie niet had binnengelaten als hij had geweten van de drugs. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie een machtiging tot binnentreden had op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Opiumwet. Dat er voor het eerst drugs in zijn woning zijn gevonden maakt ook niet dat de burgemeester de sluiting niet evenredig heeft mogen achten. Verder heeft eiser niet toegelicht waarom hij zijn recht op family life met zijn zoontje niet kon uitoefenen tijdens de sluiting van de woning. Ook is niet gebleken dat eiser een bijzondere binding met de woning heeft, bijvoorbeeld op medische gronden.

Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de sluiting evenwichtig was.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester de woning heeft mogen sluiten voor de duur van drie maanden. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.

De rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?