RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
de burgemeester van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2002
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
(gemachtigde: mr. C.W. de Jong).
De burgemeester heeft de woning van verzoeker met onmiddellijke ingang gesloten voor de duur van één maand. De sluiting is gebaseerd op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Rotterdam. Verzoeker is het niet eens met de woningsluiting en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat zij de sluiting niet langer evenwichtig acht.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 25 februari 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker aan de [adres] in Rotterdam (de woning) met onmiddellijke ingang gesloten, voor de duur van één maand. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker met zijn echtgenote ( [persoon A] ), beiden via een videoverbinding, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester, vergezeld van [persoon B] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker is eigenaar van de woning. Hij heeft de woning op 5 augustus 2024 gekocht. De akte van levering is gepasseerd op 26 september 2024. Verzoeker staat ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) op het adres van de woning. Ook zijn echtgenote, met wie hij op 25 augustus 2025 in Nederland is gehuwd, staat op dit adres ingeschreven.
3. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 25 februari 2026 blijkt het volgende. Op 24 februari 2026 werd door medewerkers van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) een bestuurlijke controle gehouden op het adres van de woning, omdat daar mogelijk sprake zou zijn van het exploiteren van een seksinrichting zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. De AVIM-medewerkers hadden in hun hoedanigheid als toezichthouders via Kinky.nl contact gelegd met een mevrouw ‘ [persoon C] ’ ( [persoon C] ) die seksuele diensten tegen betaling aanbood. [persoon C] stuurde hierop het adres ‘ [adres] in Rotterdam’ door. Aan de deur heeft de verbalisant zich kenbaar gemaakt en gelegitimeerd als zijnde politieambtenaar. Hierop hebben de overige collega’s zich ook gelegitimeerd, waarna zij met toestemming van [persoon C] de woning hebben betreden.
[persoon C] heeft, met behulp van een Roemeense tolk, tegenover de politie verklaard twee tot drie weken voor de politie-instap vanuit Roemenië naar Nederland te zijn gekomen, het prostitutiewerk uit vrije wil te doen en daartoe niet te zijn gedwongen. Ook verklaarde zij pas twee dagen in deze woning te verblijven, nog niet in de woning te hebben gewerkt, en de enige persoon te zijn die in de woning verblijft. Haar afspraken worden door iemand anders (een vrouw) beheerd. Uit onderzoek van haar telefoon bleek dat zij contact heeft gehad met een fotograaf, om een afspraak te maken voor het maken van foto’s in de woning, voor een advertentie op Kinky.nl. Verder bleek uit de telefoongegevens dat zij met meerdere klanten seksafspraken heeft gehad, dat in haar zoekgeschiedenis naar haar seksadvertentie op Kinky.nl is gezocht en dat zij op 10 februari en op 11 februari 2026 de locatie van het pand [adres] in Rotterdam aan klanten heeft doorgegeven.
De politie heeft op basis van de verklaringen van [persoon C] , het telefoononderzoek en de aangetroffen situatie in de woning vastgesteld dat in de woning sprake was van bedrijfsmatige prostitutie zonder vergunning. De politie wijst daarbij op de volgende omstandigheden. Er is via Kinky.nl een seksafspraak gemaakt op het adres van de woning. De slaapkamer op de begane grond was ingericht als zogeheten afwerkkamer. Er lagen meerdere verpakkingen met condooms in de vensterbank en vochtige doekjes en tissues op een stoel naast het bed. Het adres [adres] in Rotterdam werd doorgegeven aan klanten. Er werd één persoon in de woning aangetroffen die daar werkzaam was als sekswerker en daartoe adverteert op Kinky.nl. Deze persoon stond niet ingeschreven in de brp op dit adres. De sekswerker verklaarde alleen in de woning te verblijven. Er waren ook geen signalen dat er andere personen (permanent) in de woning verbleven. De woning wekte niet de indruk (permanent) te worden bewoond. Voor de woning is geen exploitatievergunning voor een seksbedrijf afgegeven.
Waar gaat deze zaak om?
4. De burgemeester heeft op basis van de bestuurlijke rapportage besloten om de woning met onmiddellijke ingang te sluiten voor de duur van één maand. De spoedsluiting is gebaseerd op artikel 3:9a, eerste lid van de APV en de Nota prostitutie en seksbranche Rotterdam 2015 (de Nota). Voor de burgemeester staat vast dat in de woning bedrijfsmatig seksuele handelingen zijn aangeboden zonder dat de daarvoor benodigde vergunning is verleend. Dit is een overtreding van artikel 3:3, eerste lid, van de APV. Door het bedrijfsmatig aanbieden van seksuele handelingen in het pand dreigt volgens de burgemeester het woon- en leefklimaat van de omwonenden in ernstige mate te worden aangetast. Er is sprake van een illegale en zeer onwenselijke en onveilige situatie, die noodzaakt tot onmiddellijk ingrijpen om de openbare orde te herstellen en herhaling te voorkomen.
5. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat de woning weer open mag (tot op het bezwaar is beslist).
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
7. Vast staat dat verzoeker als gevolg van de spoedsluiting een maand lang zijn woning niet kan betreden. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij en zijn echtgenote expats zijn en geen familie of vrienden in Nederland hebben bij wie zij al dan niet tijdelijk kunnen verblijven. Daarbij is vooralsnog niet uitgesloten dat de sluiting nog zal worden verlengd. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende redenen voor het aannemen van een spoedeisend belang. De omstandigheid dat verzoeker en zijn echtgenote op dit moment nog in het buitenland verblijven, dat een eerder geplande terugvlucht op 9 maart 2026 vanwege de situatie in het Midden-Oosten niet is doorgegaan en daarom niet zeker is dat zij met de geplande vlucht op 15 maart 2026 wel kunnen terugvliegen naar Nederland, staat voor de voorzieningenrechter niet aan het aannemen van een spoedeisend belang in de weg. Zij zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
8. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Bevoegdheid tot sluiting
9. Op grond van artikel 3:3, eerste lid, van de APV is het verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning.
Volgens artikel 3:2 van de APV wordt onder seksbedrijf onder meer verstaan de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling. Hieruit volgt dat een seksbedrijf het aanbieden van bedrijfsmatige seksuele handelingen omvat.
10. Volgens artikel 3:2 van de APV betreft een seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf. De burgemeester kan op grond van artikel 3:9a, eerste lid, van de APV een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning, danwel indien een van de in artikel 3:9, tweede lid, onder h, i en j, van de APV genoemde situaties zich voordoet. Daaronder begrepen de situatie dat de openbare orde gevaar loopt of de woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting.
11. Vast staat dat nimmer een geldige exploitatievergunning voor het uitoefenen van een seksbedrijf in het pand aan de [adres] in Rotterdam is afgegeven.
12. De burgemeester heeft zich op basis van de bestuurlijke rapportage op goede gronden op het standpunt gesteld dat in de woning, zonder de daarvoor benodigde vergunning, een seksbedrijf werd geëxploiteerd. Via Kinky.nl werd een seksafspraak gemaakt op het adres van de woning. De slaapkamer op de begane grond bleek te zijn ingericht als zogenoemde afwerkkamer. Er lagen meerdere verpakkingen met condooms in de vensterbank en vochtige doekjes en tissues op een stoel naast het bed. In de woning werd één persoon aangetroffen die daar werkzaam was als sekswerker en als zodanig adverteert op Kinky.nl. Deze persoon stond niet ingeschreven in de brp op dit adres, maar verklaarde wel als enige persoon op het adres te verblijven. Uit de telefoon van de sekswerker bleek dat het adres van de woning al twee keer eerder, op 10 februari en 11 februari 2026, met klanten was gedeeld voor een seksafspraak in de woning. Het adres [adres] in Rotterdam is dus zeker drie keer gedeeld voor het verrichten van seksuele handelingen in de woning. Er waren op het moment van de politie-instap geen signalen dat er andere personen (permanent) in de woning woonden.
13. Uit het voorgaande volgt dat de burgemeester (in overeenstemming met de Nota) bevoegd was om de woning met spoed te sluiten.
Noodzaak voor de sluiting
14. Bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.
15. Uit de toelichting op artikel 3:9a van de APV volgt dat als de burgemeester een seksinrichting sluit, hij dat doet in het belang van de openbare orde. Dit betekent dat de burgemeester het noodzakelijk mag achten om een pand te sluiten als de openbare orde op het moment dat hij besluit het pand te sluiten nog steeds is of dreigt te worden verstoord. Het is aan de burgemeester om aannemelijk te maken dat daarvan sprake is.
16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de onmiddellijke sluiting van de woning noodzakelijk heeft kunnen achten. Door het bedrijfsmatig aanbieden van seksuele handelingen in het pand wordt het woon- en leefklimaat van de omwonenden in ernstige mate aangetast. De aanwezigheid van een illegale seksinrichting heeft in het algemeen een aanzuigende werking op het ontstaan van illegale praktijken in de omgeving, versterkt het onveiligheidsgevoel in de omgeving en veroorzaakt maatschappelijke onrust. Daaraan doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet af dat geen overlast in of rondom het pand of loop naar het pand is vastgesteld. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie via een seksadvertentie op Kinky.nl een afspraak met een sekswerker heeft gemaakt, waarbij het adres van de woning aan de politie is doorgegeven. Daarnaast is gebleken dat het adres van de woning in elk geval al twee keer eerder aan klanten was doorgegeven voor het verrichten van seksuele handelingen in de woning. Er was dus sprake van herhaling. Daar komt bij dat door de wijze waarop het pand ten tijde van de politie-instap op 24 februari 2026 werd gebruikt er feitelijk geen sprake leek te zijn van een (permanent) bewoonde woning. Op dat moment was dus onduidelijk welke personen zoal toegang hadden tot het pand, waardoor de illegale situatie met de instap en een formele waarschuwing niet structureel kon worden beëindigd.
17. De burgemeester spreekt daarom terecht van een illegale, zeer onwenselijke en onveilige situatie. De burgemeester heeft de onmiddellijke sluiting van de woning daarom noodzakelijk mogen achten om de openbare orde te herstellen, verdere verstoring van de openbare orde te voorkomen, een signaal af te geven dat het geconstateerde feit onacceptabel is, de overloop van vergunde naar onvergunde prostitutie een halt toe te roepen en de bekendheid van het pand als prostitutiepand ongedaan te maken.
18. Het beroep van verzoeker op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 22 januari 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:4691), treft geen doel omdat het niet gaat om een vergelijkbare situatie. In die zaak ging het om een sluiting op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. Om een woning op grond van die bepaling te kunnen sluiten geldt als voorwaarde dat de openbare orde door gedragingen in de woning of op het erf van de woning ernstig wordt verstoord. Het enkele feit dat sprake is van een onvergund seksbedrijf betekende in dat geval dus nog niet dat grond bestond om de woning op basis van artikel 174a van de Gemeentewet te sluiten. In de onderhavige zaak heeft de burgemeester de sluiting gebaseerd op artikel 3:9a van de APV, waardoor de drempel voor sluiting lager ligt.
Evenwichtigheid van de sluiting
19. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk is, moet hij zich ervan vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur van de sluiting in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon of een bijzondere binding met de woning. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
20. Het is vaste rechtspraak dat de eigenaar van een woning verantwoordelijk is voor wat er in zijn woning gebeurt. Ook als hij op het moment van de overtreding zelf niet in de woning verblijft. Verzoeker kan daarom in zekere mate worden verweten dat hij de woning tijdens zijn huwelijksreis heeft verhuurd aan een hem onbekende persoon (de huurder) en daarmee een zeker risico heeft genomen dat deze de woning voor andere doeleinden dan alleen woondoeleinden zou gaan gebruiken. Verzoeker heeft dit risico naar eigen zeggen zoveel mogelijk geprobeerd te beperken door de huurder in persoon te ontmoeten, een huurovereenkomst met hem te sluiten en door de huurpenningen en de borgsom via een bank te laten overmaken. Daarbij heeft verzoeker verklaard dat hij ook zijn buren van de tijdelijke verhuur van de woning op de hoogte heeft gesteld. Die zouden hem inseinen als er sprake zou zijn van overlast of als zij het vermoeden hadden van mogelijke misstanden in de woning. Verzoeker heeft echter geen bericht van zijn buren ontvangen.
21. Ondanks deze waarborgen kan verzoeker in zekere zin ook worden verweten dat hij in de huurovereenkomst geen gespecificeerde en concrete bepalingen heeft opgenomen over het gebruik van de woning (als woning). Verder had het bij verzoeker vragen moeten oproepen dat de huurder niet zijn volledige woon- of verblijfadres op de huurovereenkomst kon of wilde invullen en alleen het land (Spain) heeft ingevuld. Volgens verzoeker zou de huurder hier een aannemelijk verhaal bij hebben gehad. Hij zou een bedrijf hebben met meerdere vestigingen in het buitenland en daarom regelmatig in het buitenland verblijven, laatstelijk dus in Spanje. Met dit in het achterhoofd heeft verzoeker het evenmin ‘verdacht’ gevonden dat de tweede huurbetaling (op 15 januari 2026) door een B.V. is gedaan. Verzoeker ging er eenvoudigweg vanuit dat dit de B.V. van de huurder was. Hij heeft de onderneming naar eigen zeggen nog gecheckt en vastgesteld dat deze inderdaad op naam stond van de huurder. Verzoeker had daarom geen enkel vermoeden dat er iets niet klopte.
22. Het lijkt er dus op dat verzoeker te goed van vertrouwen is geweest. In zoverre kan hem van de situatie in de woning in zekere mate een verwijt worden gemaakt. Dit maakt dat de sluiting van de woning bij aanvang voldoende evenwichtig was. De voorzieningenrechter vindt echter dat de mate van verwijtbaarheid op dit moment niet langer zwaarwegend genoeg is om de sluiting nog langer te laten voortduren. Voortduring van de sluiting betekent immers dat verzoeker nu niet naar zijn woning kan terugkeren. Verzoeker heeft tickets om op 15 maart 2026 met zijn echtgenote vanuit India te kunnen terugvliegen naar Nederland van hun huwelijksreis. Verzoeker heeft ook verklaard dat hij geen sociaal netwerk heeft in Nederland waar hij (tijdelijk) met zijn echtgenote kan verblijven tot de woning weer open mag. Daarbij heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten dat verzoeker al op voorhand op de hoogte was, of had kunnen zijn, van de plannen die de huurder met de woning had. Het heeft er vooralsnog alle schijn van dat verzoeker het slachtoffer is geworden van oplichting. Verzoeker heeft verklaard dat hij, zodra hij weer in Nederland is, hiervan aangifte gaat doen bij de politie. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen reden om hieraan te twijfelen.
23. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter bij de huidige stand van zaken tot het oordeel dat de sluiting van de woning met ingang van 15 maart 2026 niet langer evenwichtig is. Het pand is dan tweeënhalve week gesloten geweest. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook mee dat er geen sprake is geweest van overlast of loop naar de woning en dat bij de sluiting op 25 februari 2026 alle sloten van de woning zijn vervangen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat aan het belang van de openbare orde en dat van omwonenden niet langer een doorslaggevend gewicht toekomt.
24. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding voor het treffen van de hiernavolgende voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
25. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 25 februari 2026 wordt geschorst met ingang van 15 maart 2026. Dit betekent dat de woning per 15 maart 2026 weer open mag.
26. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het betaalde griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: