ECLI:NL:RBROT:2026:3490

ECLI:NL:RBROT:2026:3490

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer C/10/660537 / FA RK 23-4441
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. IPR. In Turkije gesloten huwelijk wordt in Nederland erkend. Op moment van aanhangig maken van echtscheidingsprocedure had minderjarige gewone verblijfplaats in Nederland. Sprake van ongeoorloofd niet doen terugkeren van minderjarige. De Nederlandse rechter is bevoegd (gebleven). Turks recht van toepassing op huwelijksvermogensregime.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/660537 / FA RK 23-4441

Beschikking van 27 maart 2026 over de echtscheiding en nevenvoorziening

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J.H. Weermeijer-Patist te Oegstgeest,

t e g e n

[naam man] , hierna: de man,

wonende in [land] .

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 16 juni 2023;

het bericht van de vrouw van 21 juli 2023, met het betekeningsexploot en afschrift van de publicatie in de Staatscourant;

het bericht van de vrouw van 20 juni 2024, met het bericht van het Openbaar Ministerie, Arrondissementsparket Rotterdam waaruit blijkt dat het betekeningsexploot op 14 juni 2024 is verzonden aan de Turkse Centrale Autoriteit;

het bericht van de vrouw van 19 december 2024 met bijlage;

het bericht van de vrouw van 17 januari 2025, met de betekeningsstukken uitreiking gerechtelijk schrijven in het buitenland;

de berichten van de vrouw van 14 januari 2026 (met bijlagen) en 20 januari 2026 (met bijlage).

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Daarbij is de vrouw verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

Het minderjarige kind van partijen kon niet in de gelegenheid gesteld worden om haar mening te geven, omdat zij in Turkije verblijft.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] , Turkije, op [huwelijksdatum] .

Het minderjarige kind van partijen is:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .

Partijen hebben beiden de Bulgaarse nationaliteit. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat partijen ook beiden de Turkse nationaliteit hebben.

De vrouw heeft toestemming verleend aan de man voor een vakantie met de minderjarige naar Turkije. De man is op 21 februari 2023 met de minderjarige vertrokken, maar niet teruggekeerd.

Bij beschikking van deze rechtbank van 29 augustus 2023 over voorlopige voorzieningen is, voor zover hier van belang, de minderjarige aan de vrouw toevertrouwd, met bevel tot afgifte van de minderjarige aan de vrouw op verbeurte van een dwangsom en een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald voor de duur dat toevertrouwing aan de vrouw niet feitelijk heeft plaatsgevonden, in die zin dat de vrouw dagelijks kan bellen met de minderjarige en elke drie dagen via video kan converseren met de minderjarige.

De minderjarige is nog steeds niet teruggekeerd naar Nederland. De vrouw heeft in Turkije een teruggeleidingsprocedure gestart.

3. De beoordeling

Ingetrokken verzoeken

De vrouw heeft haar primaire en subsidiaire verzoek ten aanzien van de zorgregeling (onder III.) en haar verzoek ten aanzien van het huurrecht (onder V.) ingetrokken. De rechtbank hoeft dus niet meer te beslissen op deze verzoeken.

Scheiding

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de vrouw al zes maanden in Nederland verbleef, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding (artikel 3 onder a, vi Brussel II-ter).

Op grond van artikel 10:56 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de vrouw onweerspoken stelt dat er een echtscheidingsprocedure in Turkije aanhangig is, maar dat deze door de man is aangevangen nadat de vrouw het verzoek tot echtscheiding in Nederland heeft ingediend. Daargelaten dat tussen Nederland en Turkije geen litispendentiebepaling geldt op grond van enig verdrag of verordening, ziet de rechtbank op grond van de door de vrouw gestelde omstandigheid dat de echtscheidingsprocedure in Nederland eerder dan in Turkije is gestart ook geen aanleiding de kwestie van de litispendentie te beoordelen aan de hand van artikel 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

Rechtsgeldigheid huwelijk

In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, moet de rechtbank ambtshalve de vraag beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang, omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.

Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid BW). Het vierde lid van artikel 10:31 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

Uit het uittreksel van de huwelijksakte blijkt dat partijen op [huwelijksdatum] in [plaats] , Turkije, zijn gehuwd. Gelet hierop wordt op grond van het vierde lid van artikel 10:31 BW vermoed dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is voltrokken, zodat het tussen de man en de vrouw in Turkije gesloten huwelijk voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het huwelijk van partijen niet voor erkenning vatbaar is, zoals bedoeld in artikel 10:32 BW, is niet gebleken. Nu het huwelijk aldus in Nederland wordt erkend, kan de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding.

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt vast dat bij de betekening van het verzoekschrift de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen. De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.

Verblijfplaats en zorgregeling

De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn. Daarbij verzoekt de vrouw voor de periode dat de minderjarige nog ongeoorloofd in Turkije verblijft, een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen waarbij de minderjarige wekelijks videocontact met de vrouw zal hebben, alsmede de vakanties bij de vrouw in Nederland zal doorbrengen op kosten van de man.

De man verweert zich niet tegen de verzoeken.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De verzoeken vallen binnen het toepassingsgebied van Brussel II-ter. Op grond van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, waaronder mede wordt begrepen de uitoefening van het gezagsrecht, de gerechten bevoegd van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Deze bepaling geldt echter onder voorbehoud van wat in onder meer artikel 9 Brussel II-ter is bepaald. Daarin is bepaald dat in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen én aan de voorwaarden onder sub a dan wel sub b van artikel 9 Brussel II-ter is voldaan.

Vast staat dat de man in februari 2023 met de minderjarige naar Turkije is vertrokken en, zonder dat de vrouw hiermee heeft ingestemd, niet meer naar Nederland is teruggekeerd. Of de gewone verblijfplaats van de minderjarige is gewijzigd, hangt af van de vraag of sprake is van ongeoorloofde overbrenging of het ongeoorloofd niet doen terugkeren van de minderjarige in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag, in welk geval de verblijfplaats immers geacht wordt niet te zijn gewijzigd. Of er sprake is van kinderontvoering door de man is weer afhankelijk van het antwoord op de vraag of de vrouw met het gezag over de minderjarige belast was ten tijde van de overbrenging van de minderjarige vanuit Nederland naar Turkije. Dit betekent dat de rechtbank zich hier eerst een oordeel over moet vormen voordat de vraag over de bevoegdheid kan worden beantwoord. Of de vrouw ouderlijk gezag heeft over de minderjarige wordt in dit geval bepaald door het recht dat hierop van toepassing is. Op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Ten tijde van de geboorte van de minderjarige had zij haar gewone verblijfplaats in Turkije, zodat de vraag of er van rechtswege (gezamenlijk) gezag is ontstaan moet worden beoordeeld aan de hand van het Turkse recht. Naar Turks recht ontstaat er – net als naar Nederlands recht (artikel 1:251 BW) – van rechtswege gezamenlijk gezag wanneer kinderen binnen het huwelijk van ouders geboren worden (artikel 336 Turks Burgerlijk Wetboek). Overigens bepaalt lid 4 van voornoemd Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 dat in het geval de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst, het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet al heeft, beheerst wordt door het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats. De rechtbank stelt dan ook vast dat de vrouw zowel naar Turks recht als naar Nederlands recht (mede) het gezag over de minderjarige heeft.

De rechtbank is van oordeel dat de minderjarige op het moment van aanhangig maken van de echtscheidingsprocedure haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Zij woonde met haar ouders in Nederland. Niet kan worden geoordeeld dat na het vertrek naar Turkije op 21 februari 2023 van de man met de minderjarige de gewone verblijfplaats van de minderjarige is gewijzigd.

Vast staat dat de vrouw geen toestemming aan de man heeft gegeven met de minderjarige in Turkije te blijven en dat ook geen (vervangende) toestemming van de rechtbank daartoe is gegeven, zodat het verblijf van de minderjarige in Turkije in strijd is met het gezagsrecht van de vrouw en dus sprake is van ‘niet-terugkeer van een kind’ in de zin van artikel 2 lid 2 onder 11 Brussel II-ter. De vrouw heeft niet berust in het niet doen terugkeren van de minderjarige en heeft (tijdig) een verzoek tot terugkeer ingediend bij de bevoegde autoriteiten in Turkije. Er doet zich dan ook geen situatie voor als bedoel in artikel 9 aanhef onder a en b Brussel II-ter, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is (gebleven).

De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op de verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling toe.

Inhoudelijke beoordeling

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank in een voorkomend geval een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan de vaststelling van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling inclusief de aan deze regeling verbonden kosten omvatten.

De man heeft de minderjarige zonder toestemming van de vrouw in Turkije gehouden en laat daarmee zien dat hij niet in het belang van de minderjarige handelt.

De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw toe te wijzen.

De rechtbank zal voor wat betreft de zorgregeling beslissen volgens het (meer subsidiaire) verzoek van de vrouw, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.

Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime

De vrouw verzoekt te verstaan dat partijen niets te verdelen hebben in het kader van de verdeling, althans afwikkeling van de huwelijksgemeenschap.

De man verweert zich niet tegen dit verzoek.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 van Verordening (EU) 2016/1103).

Gelet op de datum waarop partijen in het huwelijk zijn getreden, 30 juni 2016, moet de vraag naar het toepasselijke recht worden beantwoord aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: HHV). De vrouw heeft onweersproken gesteld dat partijen geen rechtskeuze hebben uitgebracht, bij de huwelijksvoltrekking de Turkse nationaliteit (mede) gemeenschappelijk hadden en hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Turkije hadden. Op grond van artikel 4 lid 1 HHV wordt het huwelijksgoederenregime beheerst door het interne recht van het land waar partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hadden. Omdat geen van de uitzonderingen van artikel 4 lid 2 HHV zich heeft voorgedaan, is op grond van artikelen 4 lid 1 en 16 HHV vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van Turkije van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.

Het Turkse recht kent – conform het per 1 januari 2002 nieuwe Turkse Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW) – een zogenoemd regime van verwervingsdeelneming. Dit wettelijke huwelijksvermogensregime houdt – kort weergegeven – het volgende in.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten (artikel 218 TBW). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens, te weten de verwervingen en het persoonlijk vermogen, zodat in totaal vier vermogens te onderscheiden zijn. Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats waarbij de echtgenoten recht hebben op de helft van de netto waarde van de verwervingen van de andere echtgenoot (artikel 236 TBW).

Uit de systematiek van het Turkse huwelijksvermogensrecht volgt dat bij het einde van het huwelijk gekomen moet worden tot een algehele afwikkeling van een huwelijksvermogensregime, in welk kader verzoeken en/of vorderingen kunnen worden gedaan met betrekking tot (bijvoorbeeld) de verrekening van ieders verwervingen en eventueel de vermeerdering daarvan en de verrekening betreffende het aandeel in waardestijging (bijdragevordering). De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw dan ook zo, dat zij verzoekt te bepalen dat er geen financiële afrekening hoeft plaats te vinden omdat partijen over en weer niets te vorderen hebben op grond van de verrekening van verwervingen dan wel de bijdragevorderingen. Dit verzoek zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , Turkije;

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw;

stelt vast dat de minderjarige in de periode dat zij nog ongeoorloofd in Turkije verblijft in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:

wekelijks videocontact met de vrouw zal hebben,

de vakanties bij de vrouw in Nederland zal doorbrengen op kosten van de man;

bepaalt dat partijen in het kader van de financiële afwikkeling van het huwelijksvermogensregime over en weer niets van elkaar te vorderen hebben vanuit verrekening van verwervingen en/of bijdragevorderingen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.W. Panhuizen, griffier, op 27 maart 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.W. Panhuizen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?