ECLI:NL:RBROT:2026:3491

ECLI:NL:RBROT:2026:3491

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer NL:TZ:2604508:R-RK en NL:TZ:2604509:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Moratorium afwijzen. Niet aangetoond dat de huur voor de huidige maand betaald is. Geen arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit volgt dat hij voldoende inkomsten heeft om de komende tijd de huur te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummers: [nummer 1] en [nummer 2]

Uitspraak van 26 maart 2026

In de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 23 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 23 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 maart 2026.

Ter zitting van 19 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:

Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.

Schuldhulpverlening heeft de rechtbank op 24 maart 2026 bericht met een stand van zaken.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij een nieuwe baan heeft en daarmee ongeveer € 2.500,00 netto per maand verdient. Dit is voldoende om de huur van € 561,13 te voldoen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat budgetbeheer opgestart zal worden.

3. Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 27 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 januari 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om een bewijs van betaling voor de huur van de maand maart 2026 en een kopie van de arbeidsovereenkomst op te sturen. Ondanks herhaalde verzoeken van schuldhulpverlening heeft verzoeker de gevraagde stukken niet opgestuurd. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid vanmr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.A. Vroom

Griffier

  • mr. N.A. Masrom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?