RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Gorinchem, eiseres
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4575
(gemachtigde: mr. F. Folkers),
en
(gemachtigde: mr. P. Stahl- de Bruin).
Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw). Eiseres is het niet eens met de herziening. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening van de nabestaandenuitkering.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder op goede gronden het recht op een nabestaandenuitkering heeft herzien en de aan eiseres te veel betaalde nabestaandenuitkering van haar heeft teruggevorderd. Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
Met een besluit van 4 november 2024 heeft verweerder de nabestaandenuitkering van eiseres herzien en de daardoor ten onrechte verleende uitkering teruggevorderd.
Met een besluit van 14 november 2024 heeft verweerder laten weten het besluit van 4 november niet te herzien. Met een besluit van 23 april 2025 (het bestreden besluit) is verweerder bij de herziening en terugvordering van het besluit van 4 november 2024 gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van haar dochter [naam] en haar gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontving een nabestaandenuitkering. Op 3 juni 2024 is de zus van eiseres bij haar komen wonen. Om die reden heeft verweerder met het besluit van 4 november 2024 de nabestaandenuitkering van eiseres vanaf juli 2024 verlaagd van 70% naar 50% van het netto minimumloon, aangezien voor eiseres als gevolg van het inwonen van haar zus het normbedrag voor een nabestaande met een kostendeler geldt. Het vanaf 1 juli 2024 te veel betaalde bedrag aan nabestaandenuitkering heeft verweerder teruggevorderd, zijnde een bedrag van € 2.255,44.
4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de zus van eiseres een kostendeler is omdat zij op hetzelfde adres woont en dat eiseres daarom recht heeft op een nabestaandenuitkering van 50% van het netto minimumloon. Voor de toepassing van de kostendelersnorm is niet van belang of de kosten feitelijk worden gedeeld. De omstandigheid dat de zus van eiseres een verstandelijke beperking heeft en wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning geen uitkering ontving, zodat de kosten niet feitelijk worden gedeeld, leidt niet tot een andere beslissing. Verder zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien.
Wettelijk kader
5. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Anw eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Anw wordt de bruto-nabestaandenuitkering op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van het netto-minimumloon.
In artikel 17, tweede lid, van de Anw wordt in afwijking van het eerste lid de bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande, zolang hij een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende voert, op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet LB 1964, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon.
In artikel 17, vijfde lid, van de Anw wordt in afwijking van het eerste lid de bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, op een zodanig bedrag vastgesteld, dat nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet LB 1964, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon.
Verweerder heeft de nabestaandenuitkering terecht herzien
Eiseres betoogt dat haar nabestaandenuitkering ten onrechte is herzien. Ze voert aan dat er geen sprake is van een kostendeler, omdat de persoon die bij haar in huis woont verstandelijk beperkt is en geen verblijfsvergunning heeft, en daardoor ook geen inkomsten en geen uitkering. Door de toepassing van de kostendelersnorm komt eiseres in de financiële problemen. Eiseres voert aan dat bij het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden is met haar persoonlijke omstandigheden en dat het in strijd is met het zorgvuldigheids-, het motiverings- en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat op grond van artikel 17, vijfde lid, van de Anw de nabestaande die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft in aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering van 50% van het netto-minimumloon. Niet in geschil is dat eiseres vanaf 3 juli 2024 haar hoofdverblijf deelt ten behoeve van de verzorging van haar zus, die hulpbehoevend is. Eiseres heeft daarom op grond van artikel 17, vijfde lid, van de Anw recht op een nabestaandenuitkering van 50% van het netto-minimumloon.
Of medebewoners de kosten feitelijk delen en of zij daadwerkelijk bijdragen in de woonlasten, is voor de toepassing van de kostendelersnorm niet van belang. Uitgangspunt is dat de mogelijkheid bestaat om kosten te delen, ongeacht de persoonlijke omstandigheden van de medebewoner. De Anw biedt verweerder niet de mogelijkheid de nabestaandenuitkering af te stemmen op de individuele omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Artikel 17, vijfde lid, van de Anw schrijft dwingend voor dat, behoudens de gevallen in het zesde en zevende lid van dat artikel genoemd, in geval een nabestaande met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het netto-minimumloon.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen staat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan toetsing van een artikel in een wet in formele zin, zoals in dit geval artikel 17 van de Anw, aan het evenredigheidsbeginsel in de weg. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De omstandigheid dat de zus van eiseres gehandicapt is, geen verblijfsvergunning heeft en geen inkomen geniet, leidt tegen deze achtergrond niet tot een ander oordeel. Dat de zus van eiseres door het ontbreken van een verblijfsvergunning niet in aanmerking kwam voor een bijstandsuitkering, is een bewuste keuze van de wetgever geweest, die zou worden doorkruist door in de gegeven omstandigheden de kostendelersnorm buiten toepassing te laten. Dat toepassing van de kostendelersnorm eiseres in financiële problemen brengt, kan dan ook niet leiden tot het buiten toepassing laten van die norm.
Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat haar zus inmiddels een verblijfsvergunning verwacht en in afwachting daarvan al een bijstandsuitkering ontvangt. De gemachtigde van verweerder heeft erop gewezen dat eiseres daarmee waarschijnlijk een gezamenlijke huishouding is gaan voeren ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende (haar zus). Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Als uitzondering daarop geldt echter de situatie dat de gezamenlijke huishouding wordt gevoerd ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. In dat geval houdt eiseres nog steeds recht op een nabestaandenuitkering van 50% van het netto-minimumloon.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, evenmin het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Eiseres heeft verder geen concrete punten aangevoerd waaruit blijkt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende is gemotiveerd. Tegen de terugvordering, ten slotte, zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.