Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.138360.20
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Datum zitting: 9 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte: [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres: [adres] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. B. Kizilocak
Officier van justitie: mr. M. van Eck
Kern van het vonnis
Vrijspraak voor het medeplegen van een poging tot doodslag, voor zware mishandeling en voor openlijke geweldpleging tegen een persoon en goederen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - ten aanzien van het eerste feit samen met een ander geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven door met een honkbalknuppel op zijn hoofd en lichaam te slaan. De subsidiaire beschuldiging ziet op het in vereniging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en de meer subsidiaire beschuldiging op openlijke geweldpleging tegen deze [slachtoffer] . Het tweede feit betreft een beschuldiging openlijke geweldpleging tegen een goed door samen met een ander de ruiten van de woning van [slachtoffer] in te slaan/gooien.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.
2. Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 primair en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1
Feit 1 primair; poging tot doodslag
Op grond van het dossier en het verhandelde op zitting kan worden vastgesteld dat de verdachte op 23 mei 2020 in Papendrecht tweemaal met een aluminium honkbalknuppel op de benen en éénmaal op de linkerzijde van het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Dit slaan heeft de verdachte bekend. Uit de verklaringen van de verdachte en meerdere ooggetuigen volgt dat op dat moment een derde persoon kwam aanrijden, uit zijn auto stapte en twee klappen gaf tegen het hoofd van [slachtoffer] waardoor die achterwaarts op de grond viel. Die derde persoon is onbekend gebleven.
Medeplegen
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of sprake is van medeplegen met een ander. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat zowel door de verdachte als door de derde persoon geweld is toegepast tegen [slachtoffer] . De enkele (gewelddadige) tussenkomst van deze derde persoon is echter niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van medeplegen. Hiervoor is vereist dat vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en deze derde persoon. De verdachte en de derde persoon hebben direct na elkaar geweldshandelingen tegen [slachtoffer] verricht. Niet kan worden vastgesteld dat ze dit gezamenlijk hebben gedaan of dat daarbij sprake is geweest van een gezamenlijk plan. Dat, zoals de officier van justitie heeft betoogd, de betrokkenheid van de derde persoon voor de verdachte geen verrassing is geweest, kan evenmin uit het dossier worden afgeleid. Dit betekent dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te stellen dat sprake is geweest van medeplegen door de verdachte en de derde persoon.
Van medeplegen door de verdachte en zijn broer (de medeverdachte) is volgens de officier van justitie en de verdediging geen sprake. Ook de rechtbank komt tot die conclusie. De verdachte heeft alleen gehandeld toen hij [slachtoffer] met een honkbalknuppel sloeg.
Aanmerkelijke kans op de dood
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het enkele handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als poging tot doodslag. Hiervoor is vereist dat de verdachte heeft gehandeld met (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] . De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door met een honkbalknuppel tegen het hoofd van [slachtoffer] te slaan de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] daardoor kon komen te overlijden en daardoor heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .
De rechtbank overweegt dat het enkel eenmalig slaan met een hard voorwerp tegen iemands hoofd niet zonder meer de aanmerkelijke kans oplevert dat een slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Dit kan anders worden, indien komt vast te staan dat met kracht tegen het hoofd is geslagen. De rechtbank kan dit op grond van het dossier echter niet vaststellen. Uit de verschillende FARR-rapportages volgt weliswaar dat [slachtoffer] fors letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen (onder andere scheuren in zijn schedel, schedelfracturen, een gebroken oogkas), wat in potentie dodelijk kan zijn geweest, maar niet kan worden vastgesteld dat dit letsel is veroorzaakt door het handelen van de verdachte. [slachtoffer] is immers ook tegen zijn hoofd geslagen door de eerdergenoemde derde persoon waardoor hij vervolgens achterover op de grond is gevallen. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat het letsel is ontstaan door het handelen van de verdachte, zodat uit de ernst van het letsel niet kan worden afgeleid dat de verdachte met kracht heeft geslagen. Dit maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] heeft aanvaard, nu dit ook overigens niet uit het dossier is gebleken, en daarmee ook niet kan vaststellen dat de verdachte heeft gehandeld met (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] . Niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Feit 1 subsidiair; zware mishandeling
Nu niet kan worden vastgesteld dat het letsel van [slachtoffer] is veroorzaakt door de verdachte, kan ook niet worden vastgesteld dat de verdachte aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Hierdoor kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling.
Feit 1 meer subsidiair; openlijke geweldpleging tegen een persoon
Voor bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde plegen van openlijk geweld, is vereist dat vastgesteld kan worden dat de verdachte dit geweld ‘in vereniging’ heeft gepleegd, wat inhoudt dat tenminste twee personen geweld plegen waarbij een zekere betrokkenheid op elkaar moet zijn. Hierboven heeft de rechtbank al uiteengezet dat niet is bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de derde persoon dan wel de verdachte en de medeverdachte. Hoewel de verdachte openlijk, in de openbare ruimte, geweld heeft gepleegd, kan niet worden geoordeeld dat hij dit samen met de derde persoon of de medeverdachte heeft gedaan in die zin dat hij bij het uitoefenen van het geweld op een bepaalde manier met de anderen betrokken is geweest. Voor wat betreft de derde persoon weegt hierbij mee dat uit het dossier moet worden afgeleid dat deze persoon pas arriveerde op de plaats delict (en geweld toepaste) nadat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] had geslagen. Hierdoor kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon.
Conclusie
Hoewel de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] zonder twijfel geweld heeft aangedaan door hem met een honkbalknuppel tegen het lichaam en hoofd te slaan, hetgeen zou kunnen worden uitgelegd als een mishandeling of wellicht een poging om het slachtoffer zwaar te mishandelen, kan dit in deze zaak niet tot een veroordeling leiden nu deze strafbare feiten niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de wél aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde strafbare feiten niet wettig en overtuigend bewezen zijn. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit.
Feit 2
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat feit 2 niet is bewezen. Dit betekent dat de verdachte wordt vrijgesproken voor dit feit.
Nu zowel de officier van justitie als de verdediging tot dezelfde conclusie is gekomen, zal de rechtbank de vrijspraak niet verder motiveren.
3. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
4. Samenstelling rechtbank en ondertekening
1 primair
1 subsidiair
1 meer subsidiair
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. W.J. de Veld en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 maart 2026.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
hij op of omstreeks 23 mei 2020 te Papendrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een (ijzeren/aluminium) honkbalknuppel deze [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd/gezicht en/of de armen en/of benen, althans het lichaam heeft geslagen heeft geslagen (als gevolg waarvan die [slachtoffer] (hard) ten val is gekomen),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op of omstreeks 23 mei 2020 te Papendrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer scheuren in de schedel en/of schedelfracturen en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken duim, heeft toegebracht, door (met kracht) met een (ijzeren/aluminium) honkbalknuppel meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan, als gevolg waarvan die [slachtoffer] (hard) ten val is gekomen;
hij op of omstreeks 23 mei 2020 te Papendrecht openlijk, te weten op of aan de Gerrit van Dalenstraat, in elk geval op of aan een openbare weg(en),in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] door
- zich op te dringen aan die [slachtoffer] en/ of
- met een (ijzeren/aluminium) honkbalknuppel (met kracht) op/tegen het gezicht/hoofd en/of benen en /of armen, althans het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/ of
- ( met kracht) te slaan en/of schoppen op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer]
(als gevolg waarvan die [slachtoffer] (hard) ten val is gekomen);
2
hij op of omstreeks 22 mei 2020 te Papendrecht openlijk, te weten aan de Muilwijckstraat, in elk geval op of aan een openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten tegen een of meer ruiten/ramen van een woning, gelegen aan de Muilwijckstraat door voornoemde ruiten/ramen in te slaan en/of in te gooien, althans te verbreken terwijl hij, verdachte een of meer van voornoemde ruiten /ramen opzettelijk heeft vernield.