Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-190245-22
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Datum zitting: 13 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. M.M.J. Bos
Officier van justitie: mr. S.H. Stein
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte gedurende een periode van ruim zes maanden met een ander heeft gehandeld in cocaïne en dat hij samen met anderen een hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad. De verdachte wordt vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van ketamine, MDMA, 4CMC en heroïne. De verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in de periode van 17 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 samen met een ander in cocaïne heeft gehandeld en dat hij op 30 juni 2022 verschillende verdovende voormiddelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
Hij in of omstreeks 17 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, heeft verkocht en/ of afgeleverd en/ of verstrekt en/ of vervoerd, één of meer hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
Hij op of omstreeks 30 juni 2022 te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- 35,8 gram cocaïne en/of
- 0,60 gram MDMA en/of
- 4,20 gram Ketamine en /of
- 1,00 gram Heroine en/of
- 1,00 gram 4CMC,
althans één of meer hoeveelheden cocaïne/MDMA/ketamine/heroine en / of 4CMC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne/MDMA/ketamine/heroine en /of 4CMC, zijnde cocaïne/MDMA/ketamine/heroine en/of 4CMC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 35,8 gram cocaïne en 1 gram heroïne en moet worden vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, ketamine en 4CMC. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich met betrekking tot het opzettelijk aanwezig hebben van 1,3 gram cocaïne gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en met betrekking tot het opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 1,3 gram cocaïne en de overige verdovende middelen vrijspraak bepleit.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte in de periode van 17 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 samen met een ander in cocaïne heeft gehandeld en dat hij op 30 juni 2022 samen met anderen een hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewijsmotivering
De rechtbank kan, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de overige bewijsmiddelen, vaststellen dat de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode samen met een ander heeft gehandeld in cocaïne en ten tijde van de politie-inval samen met anderen opzettelijk een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad. De rechtbank is echter, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet precies vastgesteld kan worden hoeveel cocaïne dit is geweest.
De rechtbank kan evenmin vaststellen dat de verdachte ketamine, MDMA, 4CMC en heroïne opzettelijk aanwezig heeft gehad. Ketamine betreft geen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1. De overige aangetroffen stoffen komen wel voor op de voornoemde lijst. Deze stoffen zijn slechts indicatief getest en het dossier bevat onvoldoende steun om vast te kunnen stellen dat het daadwerkelijk om deze verdovende middelen gaat. Ten aanzien van de heroïne is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het enkele feit dat de verdachte heeft verklaard dat hij weleens heroïne heeft gebruikt hiervoor onvoldoende is.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
Hij in de periode van 17 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, één of meer hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
Hij op 30 juni 2022 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt te volstaan met een werkstraf van beperkte omvang.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft gedurende een periode van een half jaar samen met een ander gehandeld in cocaïne en heeft daarnaast een hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig gehad. Cocaïne is een verslavende en voor de gezondheid van de gebruiker zeer schadelijke stof. De handel in cocaïne is bovendien bezwarend voor de samenleving omdat dit, direct of indirect, leidt tot ernstige vormen van geweld en criminaliteit. De verdachte heeft door zijn handelen een wezenlijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 16 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De verdachte is na de pleegdata van de onderhavige feiten meerdere malen veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet waarbij taakstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf zijn opgelegd. Gelet daarop is artikel 63 van het Wetboek van strafrecht van toepassing.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 1 juli 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 3 jaren en 7 maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Daarom wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
6. Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. van de Klashorst, voorzitter,
en mrs. J. de Lange en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 februari 2026.
Mr. L.B. Esser is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.