ECLI:NL:RBROT:2026:3535

ECLI:NL:RBROT:2026:3535

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 16-03-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer ROT 24/6074
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Tegemoetkoming in planschade. De rechtbank oordeelt dat het college op de juiste manier een planologische vergelijking heeft gemaakt en de hoogte van de tegemoetkoming in planschade op de juiste manier heeft berekend. Het beroep is ongegrond. Het voormalige bestemmingsplan liet alleen groothandel en opslag toe tot en met milieucategorie 3. Het college is er terecht van uitgegaan dat de op de peildatum bestaande bedrijfsactiviteiten waarbij ook een afvalcontainerservice aanwezig was, niet in overeenstemming waren met het voormalige bestemmingsplan. Met de omgevingsvergunning van 30 november 2011 is geen impliciete vrijstelling van het voormalige bestemmingsplan verleend. Het college mocht een aftrek van 3% toepassen voor het normaal maatschappelijk risico (directe planschade). De ontwikkeling past niet in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat is wel voldaan aan het criterium dat de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past. De planologische ontwikkeling is niet zo ingrijpend dat het college om die reden een lagere aftrek dan 3% had moeten hanteren.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Berkel en Rodenrijs, eiseres

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/6074

(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Termaat),

en

(gemachtigde: mr. M.H.P. Bullens)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid, hierna: de Staat).

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van toekenning van een tegemoetkoming in planschade aan eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens, omdat zij vindt dat een te laag bedrag is toegekend. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de tegemoetkoming in planschade op de juiste manier heeft bepaald.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in het bestreden besluit op de juiste manier een planologische vergelijking heeft gemaakt en de hoogte van de tegemoetkoming in planschade op de juiste manier heeft berekend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. De rechtbank kent aan eiseres wel een schadevergoeding toe omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 november 2022 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van eiseres om tegemoetkoming in planschade afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het college het primaire besluit herroepen, een tegemoetkoming voor geleden vermogensschade toegekend aan eiseres en het verzoek voor het overige afgewezen.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam 1], [naam 2] en [naam 3], en de gemachtigde van het college, [naam 4] en [naam 5].

Overgangsrecht Omgevingswet

3. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.

De door eiseres in de aanvraag aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiseres is eigenaar van het perceel [adres 1] en had daar een zand- en grondhandel in combinatie met een afvalcontainerservice. Het bedrijf is inmiddels gestaakt. Op 5 juli 2021 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.1 van de Wro. De schade is volgens haar veroorzaakt door de vaststelling van het bestemmingsplan “Groenzoom” (het bestemmingsplan), dat bij besluit van 31 oktober 2019 door de raad van de gemeente Lansingerland opnieuw, gewijzigd is vastgesteld. Met het bestemmingsplan zijn de gebruiksmogelijkheden van het perceel volgens eiseres ingeperkt en is voortzetting van de bedrijfsvoering na uiterlijk 31 oktober 2024 onmogelijk geworden.

5. Met het primaire besluit heeft het college het verzoek om tegemoetkoming in planschade afgewezen. Bij de voorbereiding van het primaire besluit is op 11 oktober 2022 een deskundigenadvies uitgebracht door Thorbecke B.V. (hierna: het advies van Thorbecke). Daarin is geadviseerd om aan eiseres een tegemoetkoming in planschade toe te kennen van € 117.600,-. In het primaire besluit is het college van dit advies afgeweken.

6. Op 20 juni 2023 heeft het college een deelbesluit op het bezwaar van eiseres genomen. Daarin heeft het college besloten een nieuw onafhankelijk deskundigenadvies te vragen aan SAOZ, omdat het advies van Thorbecke gebreken bevat. Het nadere advies (hierna: het advies van SAOZ) is uitgebracht op 28 maart 2024.

Met het bestreden besluit heeft het college een eindbesluit op het bezwaar genomen. Daarin heeft het college het primaire besluit herroepen en een tegemoetkoming in planschade van € 110.150,- toegekend voor geleden vermogensschade. Dit betreft € 125.000,- voor waardevermindering van de onroerende zaak met aftrek van 3% van de maatgevende waarde (€ 14.850,-) voor het normaal maatschappelijk risico.Het college heeft het verzoek om tegemoetkoming in planschade voor het overige afgewezen. Dit betreft onder meer inkomens- en bijkomende schade. Daarnaast heeft het college besloten de proceskosten in bezwaar (€ 1.248,-) en een deel van de gemaakte additionele kosten (€ 15.310,97) te vergoeden. In totaal is een bedrag van € 126.708,97 toegekend en betaald aan eiseres.

7. Eiseres heeft beroep ingesteld omdat zij het toegekende bedrag te laag vindt.Eiseres betoogt onder meer dat het college in het bestreden besluit is uitgegaan van een onjuiste planologische vergelijking, waardoor een te laag schadebedrag is berekend. Ook is ten onrechte geen vergoeding gegeven voor liquidatie-, inkomens- en bijkomende schade. Daarnaast heeft het college ten onrechte een aftrek voor het normaal maatschappelijk risico van 3% toegepast. De gemaakte rechtsbijstands- en deskundigenkosten als bedoeld in artikel 6.5 van de Wro zijn volgens eiseres ten onrechte slechts gedeeltelijk vergoed. Eiseres betoogt ook dat de adviezen van Thorbecke en SAOZ gebreken bevatten en dat het college zich – in strijd met artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – niet van de juistheid van die adviezen heeft vergewist. Het college had zich daarom niet op de adviezen mogen baseren.

8. Na het instellen van het beroep heeft het college nog € 2.744,- voor rechtsbijstands- en deskundigenkosten aan eiseres vergoed.

Toetsingskader

9. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Een van de oorzaken die in het tweede lid zijn genoemd is een bepaling van een bestemmingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3 of artikel 3.6, eerste lid.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, zoals deze vóór 1 januari 2024 luidden, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

10. Op 6 augustus 2025 heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) een geactualiseerde overzichtsuitspraak over planschade gedaan (ECLI:NL:RVS:2025:3690). Daarnaar wordt in deze uitspraak verwezen als “de overzichtsuitspraak”.

Planologische vergelijking

11. Eiseres voert aan dat het college de planologische vergelijking niet op de juiste manier heeft gemaakt. Volgens eiseres waren haar bedrijfsactiviteiten volledig toegestaan op grond van het vorige planologische regime en zijn deze met het bestemmingsplan feitelijk volledig wegbestemd.

Zoals de Afdeling in de overzichtsuitspraak heeft overwogen, wordt bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime, die door de aanvrager als oorzaak van de schade is gesteld, in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt voor de desbetreffende gronden een vergelijking gemaakt tussen deze wijziging en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan, ongeacht of, en zo ja in hoeverre, deze planologische mogelijkheden zijn benut. Slechts indien en voor zover realisering van de planologische mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.In dit geval gaat het om directe planschade, dat wil zeggen planschade als gevolg van een planologische ontwikkeling op de gronden van de aanvrager om een tegemoetkoming in planschade. Bij het bepalen van de omvang van directe planschade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de invulling van het oude planologische regime waaraan de onroerende zaak de hoogste waarde ontleent en de invulling waaraan de onroerende zaak onder het nieuwe planologische regime de hoogste waarde ontleent.

Partijen verschillen er niet over van mening dat de bedrijfsactiviteiten zoals die op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan (peildatum) bestonden op grond van het nieuwe bestemmingsplan niet meer zijn toegestaan. In het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming “Bedrijf” met de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - opslag 2” en de aanduiding “geluidscherm” voor een deel van het perceel. Op grond van artikel 6.1.2, onder f, van de planregels is op het perceel van eiseres uitsluitend nog groothandel en opslag behorende tot milieucategorie 1 en 2 toegestaan en is daarnaast voor een periode van maximaal vijf jaar na vaststelling van het bestemmingsplan – dus uiterlijk tot 31 oktober 2024 – of zoveel eerder als het bedrijf is beëindigd, tevens het inzamelen, scheiden en afvoeren van bedrijfsafval, groothandel en opslag van zand en grond toegestaan, met dien verstande dat voor deze activiteiten na deze periode geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht. Niet in geschil is dat de bestaande bedrijfsactiviteiten door deze regeling na de overgangsperiode niet meer zijn toegestaan. Voor de geluidsschermen geldt een vergelijkbare tijdelijke regeling. Het geschil tussen partijen over de planologische vergelijking beperkt zich dus tot de vraag wat onder het oude planologische regime op het perceel was toegestaan.

12. Eiseres voert primair aan dat het bedrijf in het bestemmingsplan “Groenzone Berkel-Pijnacker” (het voormalige bestemmingsplan) zoals vastgesteld op 16 februari 2006, in zijn geheel positief was bestemd, inclusief de afvalcontainerservice. Binnen de bestemming “Bedrijf” met de aanduiding “B5b” waren volgens haar bedrijven voor groothandel en opslag rechtstreeks en zonder milieuzonering toegestaan, dus tot en met milieucategorie 5.3. Het bedrijf was daarmee positief bestemd. In de adviezen van Thorbecke en SAOZ is ten onrechte uitgegaan van een lagere milieucategorie. Eiseres stelt dat het college in e-mails van 19 december 2008 en 23 januari 2009 de volledige positieve bestemming voor het bedrijf uitdrukkelijk heeft erkend. In e-mails van DCMR van 10 en 14 april 2008 is bevestigd dat de zand- en grondhandel, afhankelijk van het bedrijfsoppervlak, in milieucategorie 2 of 3.2 valt. Verder is hierin bevestigd dat de activiteit afvalinzameling op het perceel onder milieucategorie 3.1 valt. Het in ontvangst nemen van afval valt, afhankelijk van het bedrijfsoppervlak, onder milieucategorie 3.1 of 3.2. Ook in het taxatierapport van 19 februari 2009 is expliciet bevestigd dat DCMR en het college van mening waren dat de bedrijfsactiviteiten op het perceel van eiseres niet in strijd waren met het voormalige bestemmingsplan. In de omgevingsvergunning van 30 november 2011 heeft het college zich eveneens op het standpunt gesteld dat alle bedrijfsactiviteiten pasten in het voormalige bestemmingsplan. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is de raad er ook van uitgegaan dat het bedrijf op grond van het overgangsrecht zou mogen worden voortgezet, zoals onder meer blijkt uit de nota van zienswijzen en overweging 11.3 van de tussenuitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019 over het bestemmingsplan (ECLI:NL:RVS:2019:2023; hierna: de tussenuitspraak). De overwegingen 4 en 11.6 van de tussenuitspraak doen daar niet aan af. Volgens eiseres blijkt daaruit alleen dat een planologische regeling in het bestemmingsplan nodig was om alle bedrijfsactiviteiten legaal te kunnen blijven voortzetten en aan de geldende geluidsnormen te blijven voldoen. Voor de geluidsschermen was namelijk slechts een tijdelijke omgevingsvergunning voor drie jaar verleend.Naar aanleiding van het verweerschrift bestrijdt eiseres dat bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 4.1 en hoger op het perceel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid waren uitgesloten. Dit wordt vrijwel nooit aangenomen. Bovendien blijkt uit de omgevingsvergunning van 3 november 2016 voor de (tijdelijke) geluidsschermen dat alle bedrijfsactiviteiten op het perceel konden worden uitgevoerd en dat met de geluidsschermen kon worden voldaan aan de geldende geluidsnormen. Verder wijst eiseres er onder meer op dat gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtlijnen en indicatieve afstanden uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (de VNG-brochure).

Het college stelt zich op het standpunt dat de op de peildatum bestaande bedrijfsactiviteiten niet waren toegestaan op grond van het voormalige bestemmingsplan.Het plan maakte volgens het college ook geen bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 5.3 mogelijk. Bij de planologische vergelijking kan volgens het college voor de maximale planologische mogelijkheden van het voormalige bestemmingsplan worden uitgegaan van milieucategorie 3.Het college wijst erop dat de Afdeling in de tussenuitspraak heeft geoordeeld dat de bedrijfsactiviteiten van eiseres niet planologisch legaal plaatsvonden onder het voormalige bestemmingsplan. Groothandel en opslag tot en met milieucategorie 5.3 waren niet mogelijk; uit de tussenuitspraak blijkt namelijk dat het voormalige bestemmingsplan geen grondslag bood voor bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 4.2. Bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 4.1 waren volgens het college evenmin mogelijk, omdat die activiteiten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid waren uitgesloten. In dat verband stelt het college dat in de VNG-brochure de bedrijfscategorie “Groothandel en handelsbemiddeling” voor het overgrote deel bestaat uit bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 2 of 3 en dat de enige bedrijfsactiviteit van milieucategorie 4.1 “groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen met een opslagcapaciteit voor vloeistoffen van maximaal 100.000 m3” is. Een dergelijk gebruik is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten, omdat daarvoor een richtafstand van 200 m geldt en er woningen direct aan het perceel van eiseres grenzen. Het college gaat er daarom van uit dat het voormalige plan maximaal milieucategorie 3 toeliet. Er is planologisch nadeel door de wijziging van de toegelaten milieucategorieën, nu het nieuwe bestemmingsplan na de overgangsperiode alleen nog bedrijven van milieucategorie 1-2 mogelijk maakt en door beperking van de bouwmogelijkheden op het perceel. Overigens zou het perceel volgens het college geen hogere waarde ontlenen aan het gebruik voor de genoemde activiteit van milieucategorie 4.1 dan aan de toegestane bedrijfsactiviteiten binnen milieucategorie 3. Dit volgt uit het advies van SAOZ.

Het voormalige bestemmingsplan was van kracht toen de rechtsvoorganger van eiseres in 2009 eigenaar werd van het perceel. Het perceel had in dit bestemmingsplan de bestemming “Bedrijf” met de aanduiding “B5b”. Op grond van artikel 11 van de planvoorschriften zijn de gronden bestemd voor een groothandel en opslag.In de tussenuitspraak over het bestemmingsplan heeft de Afdeling geoordeeld dat het gebruik onder het voormalige bestemmingsplan niet planologisch legaal plaatsvond. De raad was daar bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte van uitgegaan. Om mogelijk te maken wat de raad heeft beoogd, namelijk dat de bedrijfsactiviteiten nog een bepaalde tijd kunnen worden voorgezet, had moeten worden voorzien in een maatbestemming voor de bestaande bedrijfsactiviteiten en geluidsschermen, en wel in die zin dat deze voorlopig mogen plaatsvinden en voorlopig aanwezig mogen zijn tot het tijdstip van bedrijfsverplaatsing. De rechtbank ziet geen reden om in afwijking van de tussenuitspraak te oordelen dat de bedrijfsactiviteiten in overeenstemming waren met het voormalige bestemmingsplan. In de eerste plaats zou de planregeling die naar aanleiding van de tussenuitspraak in het bestemmingsplan is opgenomen niet mogelijk zijn als de bestaande bedrijfsactiviteiten volledig waren toegestaan onder het vorige bestemmingsplan. In dat geval had de werking van het gebruiksovergangsrecht namelijk niet mogen worden uitgesloten.De rechtbank overweegt verder dat de bedrijfsactiviteiten van eiseres verder strekken dan de in de planregels genoemde activiteit “groothandel en opslag”. De afvalcontainerservice omvat ook andere activiteiten met afval dan alleen opslag, zoals sorteren. Nu die activiteiten niet zijn aan te merken als “groothandel en opslag”, waren ze, ongeacht de milieucategorie, planologisch niet toegestaan. Eiseres heeft gewezen op e-mails van het college uit 2008 en 2009, maar daaruit kan alleen worden afgeleid dat het college van mening was dat de destijds (nog op een andere locatie) bestaande vorm van groothandel en opslag van zand en grond paste binnen de bestemming van het perceel [adres 2]. Uit de e-mails kan niet worden afgeleid dat dit ook geldt voor de activiteiten met afval, die op de oude locatie nog niet werden verricht.Voor “groothandel en opslag” was geen maximale milieucategorie opgenomen in de planvoorschriften van het voormalige bestemmingsplan. In de tussenuitspraak van de Afdeling is ervan uitgegaan dat de bestaande bedrijfsactiviteiten van eiseres onder milieucategorie 4.2 vielen. De rechtbank gaat ervan uit dat die categorie van toepassing was vanwege de handelingen met afvalstoffen, die zoals hiervoor is overwogen planologisch niet waren toegestaan. De activiteiten die onder “groothandel en opslag” vallen zijn door het college aangemerkt als milieucategorie 3. Het college mocht ervan uitgaan dat het uitoefenen van de enige bedrijfsactiviteit van milieucategorie 4.1 die in de VNG-brochure in de categorie “Groothandel en handelsbemiddeling” is vermeld met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten, gelet op de korte afstand tot woningen. Eiseres heeft betoogd dat met de geluidsschermen aan de geluidnormen kan worden voldaan, maar dat is niet het enige relevante hinderaspect.Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat het voormalige bestemmingsplan alleen groothandel en opslag toeliet tot en met milieucategorie 3. Het college is er terecht van uitgegaan dat de op de peildatum bestaande bedrijfsactiviteiten waarbij ook een afvalcontainerservice aanwezig was, niet in overeenstemming waren met het voormalige bestemmingsplan.

13. Subsidiair betoogt eiseres dat met de omgevingsvergunning van 30 november 2011 een impliciete vrijstelling van het voormalige bestemmingsplan is verleend voor een afvalcontainerservice. De impliciete vrijstelling maakte deel uit van het voormalige planologische regime en had moeten worden betrokken bij de planologische vergelijking. In de omgevingsvergunning van 30 november 2011 is expliciet vermeld dat een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een sorteerruimte ten behoeve van het sorteren c.q. scheiden van bouwafval en dat het een inrichting voor zand- en grondhandel en een afvalcontainerservice betrof. Ook uit correspondentie en uit het feit dat het college als adviseur was betrokken bij de oprichtingsvergunning milieu van 7 oktober 2010 blijkt volgens eiseres dat het college op de hoogte was van de bedrijfsactiviteiten. Eiseres betoogt ook dat uit de tussenuitspraak van 26 juni 2019 over het bestemmingsplan niet volgt dat geen impliciete vrijstelling is verleend met de omgevingsvergunning van 30 november 2011. De Afdeling heeft daar volgens haar niet over geoordeeld.In het verweerschrift staat dat het college van gedeputeerde staten op 7 oktober 2010 een tijdelijke omgevingsvergunning milieu voor de inrichting heeft verleend voor de duur van tien jaar. Eiseres stelt dat op 10 augustus 2016 een revisievergunning voor onbepaalde tijd is verleend voor een inrichting voor het inzamelen van afvalstoffen, afvoeren van gescheiden afvalstoffen en handel in zand en grond. Uit die vergunning blijkt volgens eiseres dat de omgevingsvergunning van 7 oktober 2010 ook voor onbepaalde tijd geldt.

Het college stelt zich op het standpunt dat geen impliciete vrijstelling van het voormalige bestemmingsplan aan eiseres is verleend. Op dit punt is het college afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie en heeft het college het advies van SAOZ gevolgd. Volgens het college wordt in dit geval niet aan de eisen voor een impliciete vrijstelling voldaan. De omgevingsvergunning van 30 november 2011 is verleend voor het bouwen van een overkapping, het slopen van een bijgebouw en het milieuneutraal wijzigen van een sorteerruimte. In de omgevingsvergunning is aangegeven dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het college heeft de vergunning niet bewust in weerwil van de planvoorschriften verleend. De omgevingsvergunning houdt daarom geen impliciete vrijstelling van het voormalige bestemmingsplan in en maakt geen onderdeel uit van het voorheen geldende planologische regime. Daar komt volgens het college nog bij dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een overkapping slechts betrekking heeft op een klein deel van het perceel, namelijk 196 m2 overkapping tegenover een maximaal planologisch toegestaan bebouwingsoppervlak van 1.200 m2 en een perceeloppervlak van ongeveer 3.880 m2. Met de omgevingsvergunning voor de bouw van de overkapping kan daarom nooit impliciet vrijstelling zijn verleend voor de gehele bedrijfsvoering op het perceel. Een impliciete vrijstelling strookt volgens het college bovendien niet met de tussenuitspraak, omdat de Afdeling daarin heeft geoordeeld dat het bestaande gebruik als bedrijf in milieucategorie 4.2 illegaal is. De Afdeling heeft weliswaar niet expliciet over de omgevingsvergunning van 30 november 2011 geoordeeld, maar zij heeft deze vergunning wel in de beoordeling betrokken en desondanks geoordeeld dat de bedrijfsactiviteiten illegaal zijn.

Een vrijstelling voor gebruik van een bouwwerk dat in strijd is met het bestemmingsplan kan volgens vaste rechtspraak worden geacht rechtstreeks voort te vloeien uit een voor dat bouwwerk verleende bouwvergunning, wanneer uit de vergunningaanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt en het bevoegde bestuursorgaan, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de omgevingsvergunning in weerwil van de planregels heeft verleend (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2519, en 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1210).

Naar het oordeel van de rechtbank is met de omgevingsvergunning van 30 november 2011 geen impliciete vrijstelling van het voormalige bestemmingsplan verleend. De bezwaarschriftencommissie heeft in haar advies overwogen dat uit de aanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat het aangevraagde bouwwerk zal worden gebruikt voor het sorteren van afval en bouwmaterialen, terwijl volgens de planregels alleen groothandel en opslag was toegestaan. Dit komt de rechtbank niet onjuist voor, maar uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een impliciete vrijstelling alleen aan de orde is als het college, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de omgevingsvergunning in weerwil van de planregels heeft verleend. Die situatie doet zich hier niet voor. Uit het besluit van 30 november 2011 blijkt dat het college het standpunt innam dat het bouwplan in overeenstemming was met het bestemmingsplan. Eiseres heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1784. Daaruit volgt inderdaad dat aan de vermelding in de vergunning dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan niet altijd doorslaggevende betekenis toekomt. In dit geval is echter van belang dat de omgevingsvergunning van 30 november 2011 alleen is verleend voor de bouw van (een overkapping voor) een sorteerruimte voor het sorteren van bouwafval en slechts een zeer beperkt deel van het perceel betreft. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat daaruit niet kan worden afgeleid dat impliciet toestemming is gegeven voor alle activiteiten op het perceel die verband houden met de afvalcontainerservice. Het college kan daarom niet worden geacht vrijstelling te hebben verleend voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan.Er zijn nog andere omgevingsvergunningen voor het bedrijf van eiseres verleend, zoals de omgevingsvergunningen milieu van 7 oktober 2010 en 10 augustus 2016. Die omgevingsvergunningen hadden ook betrekking op de activiteiten met afvalstoffen. Het is begrijpelijk dat eiseres daaruit heeft afgeleid dat de bedrijfsactiviteiten legaal waren. Voor de vraag of de activiteiten planologisch waren toegestaan, zijn deze vergunningen echter niet bepalend. Een impliciete vrijstelling van het bestemmingsplan kan alleen worden afgeleid uit een omgevingsvergunning voor bouwen.

Omdat de rechtbank tot de conclusie komt dat met de omgevingsvergunning van 30 november 2011 geen impliciete vrijstelling is verleend, is er geen aanleiding om in te gaan op wat partijen naar voren hebben gebracht over de vraag of met deze vergunning sprake was van tijdelijk planologisch voordeel.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college bij de planologische vergelijking van de juiste uitgangspunten is uitgegaan. De beroepsgronden slagen niet.

Hoogte van de tegemoetkoming in planschade en schadesoorten waarvoor een tegemoetkoming is toegekend

15. Eiseres heeft een vergoeding gevraagd voor vermogensschade (bestaande uit waardevermindering van het perceel en liquidatieschade), inkomensschade en bijkomende schade. Met het bestreden besluit heeft het college een vergoeding toegekend voor waardevermindering van de onroerende zaak. De vergoeding is voor het overige afgewezen. Het college heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit gebaseerd op het advies van SAOZ.

Eiseres vindt de toegekende vergoeding te laag. Volgens haar is het bedrijf volledig wegbestemd in het schadeveroorzakende bestemmingsplan in vergelijking met het voormalige planologische regime. Eiseres betoogt dat het college een te lage tegemoetkoming in planschade heeft toegekend en ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor geleden liquidatieschade, inkomensschade en bijkomende schade. Op dit punt verwijst zij naar het taxatierapport van [naam 1] van 28 juni 2021 (hierna: het rapport van Bijsterbosch). Daarin is een schadebedrag van € 3.805.000,- berekend voor waardevermindering, liquidatieschade, inkomensschade en bijkomende schade.Het berekende bedrag voor waardevermindering van het perceel bedraagt in het rapport van Bijsterbosch € 130.000,-. In het advies van SAOZ is hiervoor slechts € 125.000,- berekend. De liquidatieschade, inkomensschade en bijkomende schade moeten volgens eiseres ook vergoed worden, omdat het bedrijf met het bestemmingsplan feitelijk volledig is wegbestemd en daarmee ook sprake is van een feitelijke onteigening en/of liquidatie van alle wel (planologisch) gelegaliseerde bedrijfsactiviteiten op het perceel. Volgens eiseres is er daarom wel degelijk een causaal verband tussen het beëindigen van de bedrijfsvoering op het perceel en het schadeveroorzakende bestemmingsplan. Ook de aangevoerde kosten voor transitievergoeding, administratieve lasten afwikkeling staking en accountant moeten worden vergoed, omdat die kosten zijn gemaakt ter beperking van de geleden vermogens- en inkomensschade.

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro wordt alleen een tegemoetkoming in planschade toegekend voor schade in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak. De in het rapport van Bijsterbosch genoemde liquidatieschade voor de bedrijfsmiddelen en de vaste inventaris en de bijkomende kosten voor de transitievergoeding, administratieve lasten van de afwikkeling van de staking en de accountant vallen hier niet onder. Het college heeft daar terecht geen vergoeding voor toegekend. Eiseres heeft ter zitting betoogd dat, zoals in het rapport van Bijsterbosch is aangegeven, sprake is van een zodanige planologische ingreep dat moet worden aangesloten bij de systematiek voor onteigening. Volgens haar moet daarom een volledige schadeloosstelling worden toegekend. De rechtbank is echter van oordeel dat de regeling voor planschade in afdeling 6.1 van de Wro hier geen ruimte voor biedt. De tegemoetkoming in planschade is daarin namelijk uitdrukkelijk beperkt tot schade door inkomensderving of waardevermindering van een onroerende zaak. De planologische ontwikkeling is bovendien minder ingrijpend dan eiseres stelt (zie overweging 12-14 van deze uitspraak).

In het advies van SAOZ is de waardevermindering van de onroerende zaak bepaald op € 125.000,-. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de overzichtsuitspraak) mag het bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd. Eiseres heeft met betrekking tot de waardevermindering geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college op dit punt op het advies van SAOZ mocht afgaan.

Met betrekking tot de inkomensderving is van belang dat de op de peildatum bestaande bedrijfsvoering onder het vorige bestemmingsplan al niet was toegestaan (zie overweging 12-14 van deze uitspraak). Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er geen causaal verband is tussen het beëindigen van de bedrijfsvoering en het nieuwe planologische regime. De inkomensderving is dus niet het gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan en komt, gelet op artikel 6.1, eerste lid, van de Wro niet voor vergoeding in aanmerking.

Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college in zoverre een te lage vergoeding heeft toegekend. De beroepsgrond slaagt niet.

Normaal maatschappelijk risico

16. Eiseres is het er niet mee eens dat het college, in navolging van het advies van SAOZ, een aftrek van 3% voor het normaal maatschappelijk risico heeft toegepast. Zij betoogt dat in dit geval geen aftrek voor het normaal maatschappelijk risico mag worden toegepast. Het gaat om een ernstige en ingrijpende gebruiksbeperking en om directe planschade. Volgens de bezwaarschriftencommissie mag daarom helemaal geen aftrek vanwege het normaal maatschappelijk risico worden toegepast (onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2598). In het advies van SAOZ en het bestreden besluit is hier zonder goede motivering van afgeweken. Eiseres stelt dat SAOZ in het advies niet van dezelfde ernstige en ingrijpende gebruiksbeperking door het schadeveroorzakende bestemmingsplan is uitgegaan als het rapport van Bijsterbosch. Eiseres is bovendien – net als de bezwaarschriftencommissie – van mening dat het wegbestemmen van het bedrijf niet in de lijn der verwachting lag, mede gelet op de omgevingsvergunningen van 30 november 2011 en 3 november 2016. Weliswaar zijn de geluidsschermen in die laatste vergunning slechts voor maximaal drie jaar vergund, maar daarbij werd uitgegaan van vrijwillige bedrijfsverplaatsing en niet van gedwongen beëindiging van het bedrijf.Voor zover al een aftrek voor het normaal maatschappelijk risico mag worden toegepast, mag die volgens eiseres niet hoger zijn dan 2%. In het advies van Thorbecke is op verzoek van het college uitgegaan van een aftrek van 2%. Het college kon daar niet later op terugkomen. Volgens eiseres heeft het college het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat een aftrek van maximaal 2% zou worden gehanteerd. Het bestreden besluit is onduidelijk doordat het college zich daarin zowel op het advies van SAOZ als op het advies van Thorbecke baseert.Eiseres voert ook aan dat de handvatten die de Afdeling inmiddels heeft aangereikt voor de bepaling van het normaal maatschappelijk risico alleen gelden voor indirecte planschade en niet voor directe planschade, zoals hier aan de orde is. Er is niet specifiek op de aard en omvang van het nadeel ingegaan. Volgens eiseres is dat een zelfstandig criterium. Zij leidt dit af uit de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:214. Daaruit volgt volgens eiseres dat bij indirecte planschade uitzonderlijk hoge schade moet worden meegewogen bij de omvang van het normaal maatschappelijk risico.

In het bestreden besluit is een aftrek van 3% voor het normaal maatschappelijk risico toegepast. Het college bestrijdt, onder verwijzing naar wat naar voren is gebracht over het planologische regime, dat de ontwikkeling helemaal niet in de lijn der verwachtingen lag. In het advies van SAOZ is hierover vermeld dat er gelijkenis is met de situatie in de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:322, waarin het ook ging om een nieuw bestemmingsplan met milieuzonering voor een bedrijventerrein op korte afstand van bestaande woningen. Aanpassing van de milieucategorie bij wijziging van het bestemmingsplan lag daarom in de lijn der verwachtingen, maar uit het gevoerde planologische beleid was niet af te leiden dat de milieucategorieën van bedrijfsactiviteiten zouden worden afgewaardeerd. Volgens het advies van SAOZ ligt de ontwikkeling in dit geval, net als in de genoemde zaak, onder die omstandigheden gedeeltelijk in de lijn der verwachtingen en is een aftrek van 3% van de maatgevende waarde op zijn plaats. Volgens het college is het niet onduidelijk van welk percentage in het bestreden besluit is uitgegaan. Het college heeft het bestreden besluit genomen aan de hand van een nieuw planschadeadvies met een nieuwe berekening van de hoogte van de planschade. Het college heeft besloten om in te stemmen met het planschadeadvies van SAOZ en dit advies, gelezen in samenhang met het advies van Thorbecke, mede ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit. In het advies van SAOZ is gemotiveerd waarom het normaal maatschappelijk risico op 3% moet worden gesteld en het college schaart zich achter dit advies. Volgens het college is geen sprake van rechtsverwerking. Er is geen zodanig tijdsverloop dat het college naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gebruik meer kan maken van zijn bevoegdheid tot volledige heroverweging van het bestreden besluit. Bovendien is de aanvraag om tegemoetkoming in planschade in het primaire besluit nog afgewezen en is in het bestreden besluit alsnog een tegemoetkoming toegekend, met een normaal maatschappelijk risico van 3%. Dat in het advies van Thorbecke een percentage van 2% is gehanteerd maakt niet dat eiseres er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat dit percentage bij een heroverweging in bezwaar niet wordt aangepast.

Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval (zie de overzichtsuitspraak).

Anders dan eiseres betoogt, is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet onduidelijk. In het bestreden besluit is vermeld dat het college heeft besloten in te stemmen met het planschadeadvies van SAOZ en dit advies, gelezen in samenhang met het advies van Thorbecke, mede ten grondslag te leggen aan het besluit. Uit het besluit blijkt voldoende duidelijk dat het college aansluit bij het advies van SAOZ en het advies van Thorbecke op een aantal punten niet volgt. Dit geldt ook voor het normaal maatschappelijk risico. Daarover staat in het bestreden besluit het volgende: “Na aftrek van 3% Normaal maatschappelijk risico adviseert SAOZ tegemoetkoming in planschade van € 110.150,- uit te keren. Wij nemen dit advies van SAOZ - zijnde het scenario zonder risico-aanvaarding - over.” Hieruit blijkt dat het college op dit punt het advies van SAOZ volgt en niet het advies van Thorbecke.

De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat bij eiseres het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat een aftrek van maximaal 2% voor het normaal maatschappelijk risico zou worden toegepast. Daarbij is mede van belang dat het college in het primaire besluit de aanvraag nog geheel heeft afgewezen en de aftrek van 2% die door Thorbecke is geadviseerd toen dus niet daadwerkelijk heeft toegepast.

In het bestreden besluit heeft het college, in overeenstemming met het advies van SAOZ, een aftrek van 3% voor het normaal maatschappelijk risico toegepast. Het gaat in dit geval om schade door waardevermindering van een onroerende zaak die het gevolg is van een wijziging van de bestemmingsregeling van het perceel, dus om directe planschade. Daarop is alleen het eerste lid van artikel 6.2 van de Wro van toepassing.

Het college heeft aansluiting gezocht bij de handvatten die in overweging 100 van de overzichtsuitspraak zijn vermeld voor het bepalen van de hoogte van de drempel. In de overzichtsuitspraak worden de handvatten besproken in het kader van indirecte planschade, maar naar het oordeel van de rechtbank mocht het college deze ook toepassen op directe planschade zoals hier aan de orde.In de overzichtsuitspraak worden twee indicatoren genoemd om te bepalen of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Dit zijn de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past en de mate waarin de ontwikkeling in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past. Uit de overzichtsuitspraak volgt dat een drempel van 3% kan worden toegepast indien aan één van beide indicatoren in zijn geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de ontwikkeling niet past in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid. Het gaat dus alleen nog om de vraag of de ontwikkeling – kort gezegd: het verlagen van de ter plaatse toegestane milieucategorie – naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past. Volgens het college is dat het geval. Nu het in dit geval gaat om een omgeving met een lint van woonbebouwing en bedrijfsactiviteiten in een zware milieucategorie op zeer korte afstand van de dichtstbijzijnde woningen, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Dat er omgevingsvergunningen zijn verleend voor de bedrijfsactiviteiten doet daar niet aan af. Dit kan wel van belang zijn voor de beoordeling of de ontwikkeling in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, maar partijen zijn het erover eens dat niet aan dat criterium wordt voldaan.Het voorgaande betekent dat in dit geval aan één van beide indicatoren wordt voldaan en aan de andere indicator niet. Uit de overzichtsuitspraak volgt voor die situatie een aftrek van 3% voor het normaal maatschappelijk risico.

In de overzichtsuitspraak (overweging 102) is daarnaast vermeld dat de bijzondere omstandigheid dat het om een zeer ingrijpende planologische ontwikkeling gaat die tot een uitzonderlijk hoge schade heeft geleid in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak onder omstandigheden kan leiden tot een verlaging van de drempel van het normaal maatschappelijke risico. Eiseres heeft betoogd dat vanwege de ingrijpendheid van de ontwikkeling in dit geval een lagere aftrek moet worden toegepast. Zij gaat er daarbij van uit dat de op de peildatum bestaande bedrijfsvoering legaal plaatsvond en met het nieuwe bestemmingsplan – na een overgangsperiode van maximaal vijf jaar – geheel onmogelijk is gemaakt. De rechtbank heeft echter hiervoor al geoordeeld dat de bestaande bedrijfsvoering niet in overeenstemming was met het vorige bestemmingsplan (zie overweging 12-14). De situatie is daarom wezenlijk anders dan eiseres veronderstelt en ook wezenlijk anders dan het geval was in de uitspraak van 27 september 2017 waarnaar eiseres heeft verwezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de planologische ontwikkeling niet zo ingrijpend dat het college om die reden een lagere aftrek dan 3% had moeten hanteren voor het normaal maatschappelijk risico.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het college een aftrek van 3% mocht toepassen voor het normaal maatschappelijk risico. De beroepsgrond slaagt niet.

Vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 6.5 van de Wro

17. Uit artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro volgt dat indien het college een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 toekent, het daarbij tevens

de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand vergoedt.

In het bestreden besluit heeft het college een vergoeding van € 2.582,75 toegekend voor rechtsbijstands- en deskundigenkosten op grond van artikel 6.5 van de Wro. Dit betreft de kosten voor het uitbrengen van een reactie op het (concept)advies van Thorbecke. Inmiddels heeft het college ook een vergoeding van € 2.744,- toegekend voor rechtsbijstands- en deskundigenkosten in verband met de reactie op het conceptadvies van SAOZ.

Eiseres voert aan dat het college de kosten voor het opstellen van het rapport van Bijsterbosch en voor de indiening van de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ten onrechte niet heeft vergoed. Volgens haar moet een uitzondering worden gemaakt op de hoofdregel dat alleen rechtsbijstands- en deskundigenkosten worden vergoed die zijn gemaakt ná het uitbrengen van een conceptadvies door een planschadeadviseur. Eiseres betoogt dat sprake is van een dermate actieve en specialistische inbreng dat het inroepen van deskundigen- en rechtsbijstand al nodig was bij het indienen van de aanvraag, vóór het uitbrengen van de conceptadviezen door Thorbecke en SAOZ. In het advies van de bezwaarschriftencommissie en het bestreden besluit heeft het college niet goed gemotiveerd waarom geen uitzondering op de hoofdregel is gemaakt.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in overweging 126 van de overzichtsuitspraak, komen in de regel de kosten die de aanvrager met betrekking tot de indiening van de aanvraag heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de aanvrager kan weten dat het bestuursorgaan gehouden is advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige en het in de hiervoor vermelde zin niet redelijk is, zonder dat advies af te wachten, een eigen adviseur in te schakelen. Het uitgangspunt is daarom dat rechtsbijstands- en deskundigenkosten pas worden vergoed nadat een conceptadvies is uitgebracht door de deskundige die door het college is ingeschakeld. In de uitspraak van 16 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF7337, waarnaar eiseres heeft verwezen, heeft de Afdeling een uitzondering gemaakt op dit uitgangspunt. De planschadeverordening vergde in dat geval in eerste instantie een dermate actieve en specialistische inbreng van de aanvrager, dat het inroepen van rechtsbijstand in het kader van de vaststelling van de schade redelijk was. Uit de uitspraak blijkt dat de aanvraag op grond van de planschadeverordening ten minste vergezeld moest gaan van een zo redelijkerwijs mogelijke opgave van de aard en de omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade, en van een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van aanvrager dient te worden vergoed en – zo een vergoeding in geld wordt gewenst – een opgave van het schadebedrag dat naar het oordeel van aanvrager vergoed dient te worden. Niet is gebleken dat de planschadevergoeding in dit geval vergelijkbare eisen stelt voor het indienen van de aanvraag. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat het inroepen van de deskundige noodzakelijk was, omdat er op dat moment onderhandelingen werden gevoerd over de verplaatsing van het bedrijf en schadeloosstelling. Naar het oordeel van de rechtbank is dat op zichzelf echter geen reden om af te wijken van de hiervoor bedoelde hoofdregel.De rechtbank is daarom van oordeel dat het college de rechtsbijstands- en deskundigenkosten die eiseres heeft gemaakt vóór het conceptadvies van Thorbecke niet hoefde te vergoeden. De beroepsgrond slaagt niet.

Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM

18. De rechtbank zal beoordelen of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Op basis van de richtlijnen van de Hoge Raad, zoals omschreven in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, die ook hier van toepassing zijn, oordeelt de rechtbank als volgt.

De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is behandeld, moet worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.

De redelijke termijn begint te lopen op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de rechtbank een zaak niet binnen een redelijke termijn behandelt, als de rechter niet binnen twee jaar nadat die termijn is begonnen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarfase inbegrepen. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar maximaal een half jaar duren en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in dit geval geen redenen om van een langere termijn uit te gaan.

Het bezwaarschrift is ontvangen op 29 december 2022. Er zijn sindsdien meer dan twee jaar verstreken. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is met één jaar en elf weken overschreden. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom worden toegewezen.De behandeling van het bezwaar heeft geduurd van 29 december 2022 tot 14 mei 2024, dus een jaar, vier maanden en ruim twee weken. Dit is een overschrijding van afgerond elf maanden. De behandeling van het beroep heeft geduurd van 19 juni 2024 tot de datum van deze uitspraak, dus een jaar, acht maanden en ruim drie weken. Dit is een overschrijding van afgerond drie maanden. Gelet hierop is de overschrijding van de redelijke termijn voor 11/14 deel toe te rekenen aan het college en voor 3/14 deel aan de rechtbank.

Bij de bepaling van de schadevergoeding geldt als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De schadevergoeding bedraagt daarom € 1.500,-. Hiervan moet het college € 1.179,- (11/14 deel) en de Staat € 321,- (3/14 deel) betalen.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de tegemoetkoming in planschade die met het bestreden besluit is toegekend blijft gelden. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten voor het beroep.

20. De rechtbank zal het college en de Staat veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

20. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Voor het verzoek om schadevergoeding is geen griffierecht geheven. Het toekennen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn leidt in dit geval daarom ook niet tot vergoeding van het griffierecht.

22. Eiseres krijgt een vergoeding voor de proceskosten die zij in verband met het verzoek om verzoek om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn heeft gemaakt. Voor de berekening van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand geldt dat voor een verzoek om schadevergoeding 1 punt (met een waarde van € 934,- per punt) wordt toegekend, met een wegingsfactor van 0,5. De vergoeding bedraagt € 467,-. Het college en de Staat moeten deze vergoeding ieder voor de helft betalen (€ 233,50).

Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt het college betaling van een schadevergoeding van € 1.179,- aan eiseres;- veroordeelt het college tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres;

- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 321,- aan eiseres;- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzitter, en mr. V. van Dorst en mr. A.J.M. Vaudo, leden, in aanwezigheid van mr. R. Teuben, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:9 Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 6.1 1. Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2. Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:

a. een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid;(…)

3. De aanvraag bevat een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde tegemoetkoming.

(…)

Artikel 6.21. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.

2. In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:

a. van schade in de vorm van een inkomensderving: een gedeelte gelijk aan twee procent van het inkomen onmiddellijk voor het ontstaan van de schade;

b. van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:

1°. van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of

2°. van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.Artikel 6.5

Indien burgemeester en wethouders een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 toekennen, vergoeden burgemeester en wethouders daarbij tevens:

a. de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand;

b. de wettelijke rente, te rekenen met ingang van de datum van ontvangst van de aanvraag.

Planregels Bestemmingsplan “Groenzone Berkel-Pijnacker 2006”

Artikel 11 Bedrijven

Doeleinden 1. De op de plankaart als “Bedrijven” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven, met de nadere bestemming die hierna is vermeld bij de code, waarmee het desbetreffende bestemmingsvlak op de plankaart is aangeduid:

(…)

2. Onder bedrijven als bedoeld in lid 1, onder a, zijn niet begrepen:

a. detailhandelsbedrijven, en

b. bedrijven die krachtens artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, en die als zodanig zijn genoemd in de van deze voorschriften deel uitmakende Bijlage Inrichtingen Wet geluidhinder.

Planregels Bestemmingsplan “Groenzoom” Artikel 6 (Bedrijf) 6.1 Bestemmingsomschrijving

6.1.1 Algemeen

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijfsactiviteiten behorende tot milieucategorie 1 en/of 2 als opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, die als bijlage is toegevoegd aan deze regels;

b. bedrijfsgebonden kantoren;

c. maximaal één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

d. bij deze bestemming behorende dan wel eraan ondergeschikte voorzieningen waaronder parkeervoorzieningen, ontsluitingen, erven, paden, overige verhardingen, voorzieningen van algemeen nut, groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.1.2 Specifiek

(…) f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag 2' zijn uitsluitend groothandel en opslag behorende tot milieucategorie 1 en 2 als bedoeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan, waarbij voor een periode van maximaal 5 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan of zoveel eerder indien het bedrijf is beëindigd, tevens het inzamelen, scheiden en afvoeren van bedrijfsafval groothandel en opslag van zand en grond is toegestaan, met dien verstande dat voor deze activiteiten na deze periode geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht;

g. ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' is een geluidsscherm toegestaan, voor een periode van maximaal 5 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan of zoveel eerder als het bedrijf is beëindigd, met dien verstande dat na deze periode geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?