Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummers: 10/254118-24 en 10/226645-25 (gevoegd ttz)
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
raadsman: mr. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 februari 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht de onder parketnummer 10/226645-25 onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag en het onder 2 ten laste gelegde teweeg brengen van een ontploffing waarbij levensgevaar voor een ander te duchten is, wettig en overtuigend bewezen. Bij de verdachte is in ieder geval in voorwaardelijke zin opzet op de dood van de slachtoffers aanwezig geweest.
Daarnaast acht de officier van justitie de onder parketnummer 10/254118-24 onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing wettig en overtuigend bewezen. De verdachte is de gebruiker van het account [accountnaam] , die de berichten over betaling van 50 euro en de foto’s van een vuurwapen en een mes naar de aangever heeft verstuurd. Dat de verdachte de gebruiker is van het account [accountnaam] kan worden afgeleid uit het feit dat er een leeg snapchatgesprek tussen dit account en het account van de aangever op de telefoon van de verdachte is aangetroffen. Daarnaast komen de verstuurde foto’s overeen met foto’s die zijn gestuurd naar het slachtoffer onder feit 1 van parketnummer 10/254118-24.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het dossier ten aanzien van het onder parketnummer 10/226645-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat een aanmerkelijke kans op de dood van dan wel levensgevaar voor de aangevers aanwezig is geweest en dat de verdachte door zijn handelen deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Er kan dus niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een poging tot doodslag (feit 1 impliciet primair), dan wel het teweeg brengen van een ontploffing waarbij levensgevaar voor een ander te duchten was (feit 2). De verdachte zal hiervan partieel worden vrijgesproken.
Ten aanzien van parketnummer 10/254118-24 onder 2 overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van het snapchat account [accountnaam] , kan enkel worden vastgesteld dat er tussen [accountnaam] en de aangever contact is geweest over het betalen van 50 euro. Niet is komen vast te staan dat daarbij sprake is geweest van geweld dan wel bedreiging met geweld. De verklaring van de aangever over de gestuurde foto’s van wapens en over de bedreigende woorden die via snapchat zijn geuit wordt niet ondersteund door het dossier. Het staat niet vast dat deze foto’s daadwerkelijk zijn gestuurd door de verdachte of dat hij via snapchat bedreigingen heeft geuit. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het onder parketnummer 10/226645-25 onder 1 impliciet subsidiair, onder 2 (voor zover het gemeen gevaar voor goederen betreft) en onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Ook het onder parketnummer 10/254118-24 onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. De aangever heeft voor de verdachte geld moeten pinnen. Daaruit spreekt de bedoeling dat dat geldbedrag vervolgens door de aangever aan de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Gelet hierop brengen de bewezenverklaarde omstandigheden van dwang en dreiging met zich dat de aangever (vervolgens) heeft gedoogd dat de verdachte het gepinde geldbedrag uit de pinautomaat heeft gepakt. Dit wegpakken valt onder deze omstandigheden gelijk te stellen met het afgeven van het geldbedrag door de aangever aan de verdachte.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het deel van de tenlastelegging onder parketnummer 10/254118-24 onder 1 dat ziet op de dreigende woorden “anders gaat er een kogel door je hoofd” en “ik ga je slaan” uit het eerste gedachtestreepje en het gehele tweede gedachtestreepje niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/226645-25 onder 1, 2 en 3 en 10/254118-24 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
Ten aanzien van parketnummer 10/226645-25
1.hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - een of meerdere stuks cobra 6, althans explosieven en/of een brandbare substantie, heeft aangestoken en/of door de brievenbus van een woning aan de [adres 2] heeft gegooid, waarna één van deze tot ontploffing is/zijn gebracht/gekomen in/tegen voornoemde woning, terwijl die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] werden geraakt door de ontploffing, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een explosie te veroorzaken door één of meerdere explosieven en/of één of meerdere stuks cobra 6 vuurwerk, althans een brandbare substantie, aan te steken en/of door de brievenbus van een woning te gooien en/of in/tegen deze woning aan de [adres 2] , één van deze tot ontsteking en/of ontbranding en/of ontploffing te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde pand en/of nabijgelegen panden en/of de in dat panden aanwezige goederen, en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten personen in de woning en/of nabij voornoemd pand en/of nabijgelegen panden, te duchten was;
3.hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, door een explosie te veroorzaken in de woning van voornoemde slachtoffers, door één of meerdere explosieven en/of één of meerdere stuks cobra 6 vuurwerk, althans een brandbare substantie, aan te steken en/of door de brievenbus van een woning te gooien en/of één van deze in/tegen deze woning aan de [adres 2] , tot ontsteking en/of ontbranding en/of ontploffing te brengen;
Ten aanzien van parketnummer 10/254118-24
1.
hij in of omstreeks de periode van 21 november 2023 tot en met 15 december 2023 te
Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van € 20,00, in elk geval enig
geldbedrag/goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(n)
door
- die [slachtoffer 3] (via Snapchat) dreigend de woorden toe te voegen: "Je moet 20 euro betalen,
anders gaat er een kogel door je hoofd" en/of "Je moet morgen betalen, anders kom ik naar
je huis" en/of "Ik ga je slaan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
en/of
- die [slachtoffer 3] foto's te tonen van een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende
voorwerpen, en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, en/of daarbij
dreigend de woorden toe te voegen: "Die kogel gaat door je kop heen en dat mes gaat door
je lichaam heen, je mag kiezen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
en/of
- (terwijl die [slachtoffer 3] dat geldbedrag pinde) de schouder van die [slachtoffer 3] vast te pakken en/of
vervolgens die [slachtoffer 3] naar achteren te trekken en/of
- dat geldbedrag uit de pinautomaat te pakken en/of
- die [slachtoffer 3] een tik tegen het hoofd te geven.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
parketnummer 10/226645-25
de eendaadse samenloop van:
feit 1
poging zware mishandeling, meermalen gepleegd
feit 2
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,
en
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd
feit 3
bedreiging met zware mishandeling
parketnummer 10/254118-24
feit 1
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft, toen hij veertien jaar was, samen met een ander een jongen van twaalf jaar oud afgeperst. Hij heeft het slachtoffer eerst dreigende berichtjes gestuurd en vervolgens heeft het slachtoffer onder druk en in het bijzijn van de verdachte en de medeverdachte een bedrag van € 20,- moeten pinnen. Er is daarbij geweld tegen het slachtoffer gebruikt. De verdachte lijkt ten tijde van het feit alleen oog te hebben gehad voor zijn eigen financiële voordeel en op geen enkele manier te hebben stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer angst en onveilige gevoelens aangejaagd. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten een algemeen gevoel van angst in de samenleving.
De verdachte heeft vervolgens, toen hij vijftien jaar was, een ontploffing veroorzaakt in een woning aan de [straatnaam] in Rotterdam door twee keer een cobra 6 door de brievenbus te gooien. De verdachte heeft daarbij het slachtoffer van de eerdergenoemde afpersing willen laten schrikken. Bij de uitvoering is sprake geweest van een vergissing omdat de verdachte de explosie heeft veroorzaakt in een andere woning dan die van het beoogd slachtoffer. De bewoners van de woning aan de [straatnaam] waren thuis en hebben in de gang gestaan tijdens de ontploffing. De ontploffing heeft (blijvend) letsel bij de slachtoffers veroorzaakt en heeft schade toegebracht aan de woning. Daarnaast heeft de ontploffing ook een grote psychische impact gehad op de slachtoffers, zoals volgt uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Het teweegbrengen van een explosie bij een woonhuis is een ernstig strafbaar feit dat voor de slachtoffers, maar ook in de samenleving, grote gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt en een grote inbreuk op de rechtsorde maakt. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij een dergelijk ernstig misdrijf heeft gepleegd, enkel om een ander te laten schrikken.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
Uit het strafblad van 22 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Dit betekent dat het strafblad niet strafverzwarend werkt.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) schrijft in het rapport van 22 januari 2026 over de verdachte dat het algemeen recidiverisico hoog is. Er wordt door de Raad gezien dat de verdachte geen inlevingsvermogen toont in de slachtoffers en geen inzicht heeft in de mogelijke gevolgen die er hadden kunnen optreden naar aanleiding van zijn handelen. Hoewel de verdachte zegt dat hij niet meer in aanraking met de politie zal komen, is hij nog steeds boos op het slachtoffer van de afpersing. De Raad is van mening dat de verdachte meer invloed moet krijgen op zijn emotieregulatie en zijn hieruit voortvloeiende handelen. De Raad acht het voor het verkleinen van de kans op herhaling van delictgedrag van belang dat de verdachte leert om risicovolle situaties te herkennen en leert om doordachte keuzes te maken. Er is jeugdreclassering bij de verdachte betrokken en deze richt zich op het bieden van toezicht en begeleiding en het inzetten van passende vormen van hulpverlening voor de verdachte. De Raad acht het van belang dat de begeleiding door de jeugdreclassering gecontinueerd wordt. De Raad acht een werkstraf passend. Hiermee wordt een signaal aan de verdachte afgegeven dat zijn handelen consequenties heeft. Gezien de ernst van de verdenking acht de Raad daarnaast passend een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De Raad adviseert daarbij bijzondere voorwaarden op te leggen: de verdachte moet zich houden aan de meldplicht, meewerken aan de begeleiding vanuit E25, meewerken aan intensieve behandeling indien de jeugdreclassering dit nodig acht en meewerken aan een forensisch milieuonderzoek indien de jeugdreclassering dit nodig acht.
Orthopedagoog-Generalist [persoon A] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 december 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Op het gebied van contextuele risicofactoren worden verschillende zorgen waargenomen. De grootste zorg zit in het ervaren van stress en gebrekkige copingsvaardigheden. De wijze waarop hij zichzelf hierin opstelt is zorgelijk te noemen. De betrokkenheid van de ouders is tevens niet goed duidelijk geworden, maar zij lijken onvoldoende zicht op hem te houden als het gaat om wat hij buitenshuis doet en redenen van uitvallen op school. Daarnaast komen bij de individuele risicofactoren zorgen naar voren over de verdachte. Er is sprake van vijandige opvattingen jegens anderen en de verdachte toont weinig empathie richting anderen.
De verdachte geeft tijdens het onderzoek geen inzicht in factoren die tot de huidige tenlastelegging hebben geleid. Er is onvoldoende zicht gekomen op de verdachte zijn functioneren, belevingswereld en gevoelswereld in onderhavig onderzoek om iets te zeggen over de functionele tekortkomingen van de verdachte en de mogelijke wijze waarop dit doorgewerkt zou kunnen hebben in de huidige ten laste gelegde verdenkingen. Er wordt derhalve geen advies gegeven over de mate van toerekenen, indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.
Op de zitting heeft de deskundige [persoon B], werkzaam als jeugdreclasseringsmedewerker bij de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering verklaard dat de verdachte sinds eind oktober, begin november 2025 meewerkt aan het traject. De verdachte gaat naar school en naar stage. Hij laat zich aanspreken en toont inzet. Er is geen bezwaar tegen het afdoen van de enkelband, zodat de verdachte kan gaan sporten. Het zou positief zijn als de verdachte deel kan nemen aan sociale activiteiten. De jeugdreclasseringsmedewerker is het eens met het strafadvies van de Raad. De jeugdreclasseringsmedewerker wil daar een contactverbod met de medeverdachten aan toevoegen, want een punt van aandacht is de beïnvloedbaarheid van de verdachte. Ook moet als bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat de verdachte meewerkt aan een vorm van dagbesteding. Daarnaast is de avondklok van belang, maar kan een uitzondering worden gemaakt als de verdachte wil sporten of werken.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De rechtbank heeft in de zaak met parketnummer 10/254118-24 rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de straffen die daarvoor doorgaans worden opgelegd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij het bepalen van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank wijkt ten aanzien van de duur van de jeugddetentie af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank niet bewezen vindt dat sprake is geweest van een poging tot doodslag (feit 1 impliciet primair), dan wel het teweeg brengen van een ontploffing waarbij levensgevaar voor een ander te duchten was (feit 2).
Net als de verdediging en de Raad vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie die de duur van het voorarrest overstijgt, niet wenselijk. De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de prille, maar positieve ontwikkeling die hij in de afgelopen periode heeft doorgemaakt. De verdachte werkt mee met de jeugdreclassering en gaat naar school en heeft een stage. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte deze positieve ontwikkeling voortzet en legt daarom een deels voorwaardelijke jeugddetentie op met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Vanwege de ernst van de feiten zal de rechtbank ook een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, opleggen. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte door het uitvoeren van een werkstraf de consequenties ervaart van het plegen van strafbare feiten.
Anders dan door de officier van justitie is verzocht, zal de rechtbank geen vrijheidsbeperkende maatregel opleggen omdat het opleggen van deze maatregel niet proportioneel is. Een contactverbod met de slachtoffers zal worden opgelegd als bijzondere voorwaarde.
Alles afwegend vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf van 80 uur en een jeugddetentie voor de duur van 152 dagen met aftrek, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden en een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod voor de [straatnaam] in Rotterdam passend en geboden.
8. Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen
Parketnummer 10/226645-25 vorderingen benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Als benadeelde partijen ten aanzien van parketnummer 10/226645-25 hebben zich in het geding gevoegd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. M.A. Oosterveen. De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een bedrag van €5.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een bedrag van €385,- aan materiële schade en een bedrag van €30.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen verzoeken de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht beide vorderingen volledig voor (hoofdelijke) toewijzing vatbaar, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade van de benadeelde partij [slachtoffer 2] . De verdediging verzoekt om het immateriële gedeelte sterk te matigen. Wat de verdediging betreft, is dit deel van de vordering te hoog en onvoldoende onderbouwd. De verdediging verzoekt om ook de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] sterk te matigen, gelet op de aangehaalde jurisprudentie ter onderbouwing van de vordering, waarin lagere bedragen worden toegekend.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht, bestaande uit het eigen risico van de zorgverzekering van €385,-. Dit deel van de vordering is genoegzaam is onderbouwd en niet betwist. Gelet hierop zal de vordering ten aanzien van de materiële schade worden toegewezen.
Ook is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Bij de benadeelde partij is als gevolg van de explosie tinnitus en in ieder geval tijdelijk gehoorverlies vastgesteld. Ook is er sprake van oogletsel, waarbij levenslange controle aanbevolen is om potentiële blindheid te voorkomen. Daarnaast heeft de ontploffing psychische schade opgeleverd, nu de benadeelde partij zich niet veilig heeft gevoeld in zijn eigen huis en lange tijd in een verhoogde staat van alertheid heeft geleefd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de relevante categorieën van de Rotterdamse Schaal. Nu vaststaat dat de benadeelde partij in ieder geval tijdelijke gehoorschade en tinnitus heeft opgelopen, maar de aard en ernst van het laatstgenoemde letsel onduidelijk is gebleven, gaat de rechtbank uit van categorie 3.2. (d), onder VI: licht gehoorverlies en lichte tinnitus. Ten aanzien van het oogletsel zoekt de rechtbank, net als de verdediging, aansluiting bij categorie 3.1. (h): gering oogletsel. Op dit moment is er weliswaar geen letsel (meer), maar de levenslange controles en het gevaar van potentiële blindheid maken dat een schadevergoeding binnen de bandbreedte van deze categorie passend is. Tot slot heeft de rechtbank bij bepaling van het schadebedrag rekening gehouden met de psychische schade die de benadeelde partij heeft opgelopen, ook los van de psychische schade die het gevolg is van deze letsels. De immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 12.500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, en het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ook is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de feiten brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon aannemelijk is. De bewezenverklaarde strafbare feiten hebben onder meer geleid tot angstklachten en een slechte nachtrust. De immateriële schade zal voor de benadeelde partij [slachtoffer 1] op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,-. Ook bij het bepalen van de hoogte van dit bedrag heeft de rechtbank de Rotterdamse Schaal als uitgangspunt genomen (categorie 19.3. (b)). Het overige deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Nu de vordering van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Parketnummer 10/254118-24 vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
Als benadeelde partij ten aanzien van parketnummer 10/254118-24 heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 3] . De benadeelde partij vordert een bedrag van €20,- aan materiële schade en €2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering volledig voor toewijzing vatbaar, inclusief wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging verzoekt om de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] sterk te matigen nu deze niet, dan wel onvoldoende, is onderbouwd. Uit de voorgelezen slachtofferverklaring lijkt de vordering gestoeld op gebeurtenissen die niet in verband staan met de verdenking.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht bestaande uit het afgenomen bedrag van €20,-. Dit deel van de vordering is niet betwist. Gelet hierop zal de vordering ten aanzien van de materiële schade worden toegewezen.
Ook is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van het feit brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon aannemelijk is. Bij het bepalen van de hoogte van het schadebedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal (categorie 19.1. (b)). Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, en het overige deel van vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij [slachtoffer 3] betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 21 november 2023.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 45, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 285, 302, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/254118-24 onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/254118-24 onder 1 en onder parketnummer 10/226645-25 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 152 (honderdtweeënvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 100 (honderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- dat de veroordeelde medewerking zal verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van €1.020,- (zegge: duizendtwintig euro), bestaande uit €20,- aan materiële schade en €1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 21 november 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen €1.020,- (zegge: duizendtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van €2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen €2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van €12.885,- (zegge: twaalfduizendachthonderdvijfentachtig euro), bestaande uit €385,- aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen €12.885,- (zegge: twaalfduizendachthonderdvijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.S. van den Berge, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. W.J. de Veld en E. IJspeerd, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Versteeg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.
De voorzitter /oudste rechter /jongste rechter /griffier is /zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Ten aanzien van parketnummer 10/226645-25
1.hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,- een of meerdere stuks cobra 6, althans explosieven en/of een brandbare substantie, heeft aangestoken en/of door de brievenbus van een woning aan de [adres 2] heeft gegooid, waarna deze tot ontploffing is/zijn gebracht/gekomen in/tegen voornoemde woning, terwijl die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] werden geraakt door de ontploffing, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij of omstreeks 20 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een explosie te veroorzaken door één of meerdere explosieven en/of één of meerdere stuks cobra 6 vuurwerk, althans een brandbare substantie, aan te steken en/of door de brievenbus van een woning te gooien en/of in/tegen deze woning aan de [adres 2] , tot ontsteking en/of ontbranding en/of ontploffing te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde pand en/of nabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezige goederen, en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten personen in de woning en/of nabij voornoemd pand en/of nabijgelegen panden, te duchten was;
3.hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, door een explosie te veroorzaken in de woning van voornoemde slachtoffers, door één of meerdere explosieven en/of één of meerdere stuks cobra 6 vuurwerk, althans een brandbare substantie, aan te steken en/of door de brievenbus van een woning te gooien en/of in/tegen deze woning aan de [adres 2] , tot ontsteking en/of ontbranding en/of ontploffing te brengen;
Ten aanzien van parketnummer 10/254118-24
1.
hij in of omstreeks de periode van 21 november 2023 tot en met 15 december 2023 te
Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van € 20,00, in elk geval enig
geldbedrag/goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(n)
door
- die [slachtoffer 3] (via Snapchat) dreigend de woorden toe te voegen: "Je moet 20 euro betalen,
anders gaat er een kogel door je hoofd" en/of "Je moet morgen betalen, anders kom ik naar
je huis" en/of "Ik ga je slaan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
en/of
- die [slachtoffer 3] foto's te tonen van een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende
voorwerpen, en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, en/of daarbij
dreigend de woorden toe te voegen: "Die kogel gaat door je kop heen en dat mes gaat door
je lichaam heen, je mag kiezen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
en/of
- ( terwijl die [slachtoffer 3] dat geldbedrag pinde) de schouder van die [slachtoffer 3] vast te pakken en/of
vervolgens die [slachtoffer 3] naar achteren te trekken en/of
- dat geldbedrag uit de pinautomaat te pakken en/of
- die [slachtoffer 3] een tik tegen het hoofd te geven;
2.
hij in of omstreeks de periode van 14 december 2023 tot en met 17 december 2023 te
Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van € 50,00, in elk geval enig
geldbedrag/goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 4] en/of een derde
toebehoorde(n)
- die [slachtoffer 4] via Snapchat dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Je moet voor 15
december betalen, anders krijg je een kogel door je hoofd" en/of "Ik heb gehoord je gaat
me betalen. Voor dit. Bro minimaal 50 euro. Morgen. Of nu", althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking en/of
- die [slachtoffer 4] via Snapchat foto's heeft gestuurd van een of meer vuurwapens, althans op
vuurwapens gelijkende voorwerpen, en/of een mes, althans een scherp en/of puntig
voorwerp, en/of daarbij dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Je moet betalen, anders
pak ik je met wapens", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.