Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-306931-25
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Datum zitting: 27 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. F.I.C. Schoolderman
Officier van justitie: mr. N. van der Meij
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van een poging tot doodslag of zware mishandeling of een mishandeling.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
primair
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer]
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor poging tot zware mishandeling.
Conclusie van de verdediging
De verdachte moet worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 13 november 2025 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die
[slachtoffer]
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Eigen waarneming van de rechtbank Op de camerabeelden ( [bestandsnaam] ) ziet de rechtbank dat de verdachte het slachtoffer vasthoudt aan zijn shirt en het slachtoffer van de bijrijderszijde van de auto naar de bestuurderszijde trekt. De medeverdachte [medeverdachte] loopt achter de verdachte en het slachtoffer aan. Aan de bestuurderszijde, ter hoogte van de motorkap, laat de verdachte het slachtoffer stilstaan. [medeverdachte] slaat met zijn linkerhand het slachtoffer tegen zijn hoofd. Het slachtoffer wordt geraakt door [medeverdachte] en valt op de grond. De verdachte blijft het slachtoffer vasthouden en houdt het slachtoffer overeind. [medeverdachte] trekt zijn rechterbeen op en maakt een neerwaartse trap richting het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer valt achterover door de impact van de trap. Hierna trapt [medeverdachte] nogmaals richting het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer wordt nog een keer geraakt en valt nogmaals achterover door de impact van de trap.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [slachtoffer]
Op 13 november 2025 in Vlaardingen pakte man 1 mij en gooide mij op de grond. Daarna begon man 1 mij te schoppen tegen mijn hoofd, rug en ribben. Ik probeerde weer te vluchten, maar man 2 kwam achter mij aan en pakte mij. Man 1 begon mij weer te schoppen tegen mijn hoofd en lichaam. Ik raakte buiten bewustzijn. Ik had overal pijn in mijn hele lichaam en had bloed op mijn voorhoofd en in mijn mond.
3. Schriftelijk stuk, Forensisch Medische Letselrapportage [slachtoffer]
Op het voorhoofd links bij de haarlijn zien we een bloeduitstorting met zwelling. Op de bovenlip links zien we een zwelling met een bloeduitstorting. Op de rechteronderarm zien we een bloeduitstorting.
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [medeverdachte]
Ik heb het slachtoffer denk ik twee keer getrapt en vijf stoten gegeven. Toen het slachtoffer was opgestaan en probeerde te vluchten werd hij vastgepakt door [verdachte] . Ik denk dat ik het slachtoffer een keer op zijn hoofd en een keer onder zijn ribben heb getrapt. Een keer was toen hij stond en de andere keer toen hij op de grond lag. Ik zie mezelf en [verdachte] op de camerabeelden van het incident. Ik zie dat we het slachtoffer in elkaar trappen en slaan.
Bewijsoverweging
Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte bij de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling in nauwe en bewuste samenwerking hebben opgetreden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het slachtoffer meetrekt en vasthoudt op een manier waardoor hij het mogelijk maakt dat zijn medeverdachte het slachtoffer ongehinderd kan slaan en schoppen. De verdachte heeft de medeverdachte de gelegenheid geboden om het geweld uit te oefenen tegen het slachtoffer. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij het conflict tussen de medeverdachte en het slachtoffer heeft geprobeerd te sussen, vindt de rechtbank in het licht van de bewijsmiddelen niet aannemelijk.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van poging tot zware mishandeling
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die hoger is dan de 106 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Zijn medeverdachte heeft het slachtoffer meermaals geschopt en geslagen, onder meer tegen zijn hoofd, terwijl de verdachte het slachtoffer vasthield. De medeverdachte kon zo ongehinderd zijn geweld op het slachtoffer uitoefenen. Extra kwalijk is daarbij dat de verdachte en zijn medeverdachte hun boosheid afreageerden op een willekeurig persoon op straat. Alcohol speelde hierbij ook een belangrijke rol. Dit is een ernstig feit. De verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en gevoelens van angst en onveiligheid bij hem teweeggebracht.
Strafblad
Uit het strafblad van 13 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte is een man uit Letland die sinds negen maanden in Nederland verblijft. De verdachte is naar Nederland gekomen om te werken, maar leeft op straat en verzamelt lege blikjes en flesjes om rond te komen. Voordat de verdachte vast kwam te zitten, gebruikte hij regelmatig drugs. De verdachte wil als hij vrijkomt terug naar Engeland, waar hij hiervoor woonde en twee kinderen heeft.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank neemt in strafverminderende zin mee dat de verdachte ten opzichte van zijn mededader een kleinere rol had in de mishandeling. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Al met al wordt een gevangenisstraf van drie maanden opgelegd.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde feit oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. W.J. de Veld en N.A. Nowotny, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.