Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-307123-25
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Datum zitting: 27 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
verblijvende op het adres [verblijfadres] , [postcode] [verblijfplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. B. van Gestel
Officier van justitie: mr. N. van der Meij
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van een poging tot doodslag of een poging tot zware mishandeling of een mishandeling.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
primair
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer]
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor poging tot zware mishandeling.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor poging tot doodslag. De verdediging heeft zich ten aanzien van poging tot zware mishandeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 13 november 2025 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer]
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Eigen waarneming van de rechtbank
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [slachtoffer]
3. Schriftelijk stuk, Forensisch Medische Letselrapportage [slachtoffer]
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die hoger is dan de 106 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer meermaals geschopt en geslagen, onder meer tegen zijn hoofd, terwijl de medeverdachte het slachtoffer vasthield. De verdachte kon zo ongehinderd geweld op het slachtoffer uitoefenen. Extra kwalijk is het daarbij dat de verdachte en de medeverdachte hun boosheid hebben afgereageerd op een willekeurig persoon op straat. Alcohol speelde hierbij ook een belangrijke rol. Dit is een ernstig feit. De verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en gevoelens van angst en onveiligheid bij hem teweeggebracht.
Strafblad
Uit het strafblad van 13 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in Letland wel eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte is een 20-jarige jongeman uit Letland die sinds zijn 16e met periodes in Nederland bij zijn moeder is verbleven. De verdachte is werkzaam in de scheepsbouw. De verdachte wil graag in Nederland blijven wonen en werken. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zichzelf niet in de hand heeft als hij alcohol heeft gedronken en dat hij sinds het feit niets meer te maken wil hebben met alcohol.
Uit het reclasseringsadvies van 9 januari 2026 volgt dat de reclassering adviseert om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener gericht op emotie- en agressieregulatie problematiek, een alcoholverbod, een contactverbod met de medeverdachte en het inspannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank neemt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte ten opzichte van zijn medeverdachte een grotere rol had in de mishandeling. In strafverminderende zin neemt de rechtbank mee dat de verdachte vanaf zijn eerste verhoor bij de politie verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en spijt heeft betuigd. Al met al wordt een gevangenisstraf van vijf maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden twee maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van strafbare feiten te verkleinen.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde feit oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vijf maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat twee maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 5 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. W.J. de Veld en N.A. Nowotny, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.