RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5341
(gemachtigde: [persoon A] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [persoon B] ).
Procesverloop
Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1975, heeft op 1 december 2024 een ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’ ingediend voor het verkrijgen van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Met het besluit van 10 december 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat zij op haar achttiende verjaardag niet in Nederland of een land van de Europese Unie (EU), Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland woonde. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 24 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Standpunt eiseres
2. Eiseres vindt dat zij recht heeft op een Wajong-uitkering. Volgens de gemachtigde en tevens dochter van eiseres hoeft de arbeidsongeschiktheid niet voor haar migratie te zijn ontstaan, zolang zij als blijvend arbeidsongeschikt is beoordeeld en op dat moment met een geldig verblijfsrecht in Nederland verbleef. In dit kader wordt verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 9 januari 2015. Ook stelt eiseres dat zij aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering voldoet, zoals deze in de toelichting op de Wajong 2015 worden vermeld. Tot slot is namens eiseres aangevoerd dat toepassing van de strenge eis dat een persoon op zijn of haar achttiende verjaardag ingezetene van Nederland moet zijn geweest onredelijk is, omdat het wel duidelijk is dat eiseres vanaf haar eenentwintigste jaar in ieder geval in Nederland ingeschreven staat.
Juridisch kader
Een ingezetene in de zin van de Wajong en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval beoordeeld. Op grond van vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of het UWV eiseres terecht een Wajong-uitkering heeft geweigerd. Zij beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6. Tussen partijen is in geschil of eiseres op haar achttiende verjaardag, op 2 augustus 1993, als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat zij niet met zekerheid kan zeggen waar eiseres op haar achttiende verjaardag woonachtig was. Zij heeft wel aangegeven dat eiseres 21 jaar was toen zij in een asielzoekerscentrum in Nederland verbleef, vanaf dat moment stond zij ook ingeschreven in Nederland. De rechtbank concludeert dat niet is komen vast te staan of eiseres op haar achttiende verjaardag in Nederland verbleef. De rechtbank moet daarom beoordelen of ten tijde van de achttiende verjaardag een duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen eiseres en Nederland. Hiervan is niet gebleken. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan het ingezetenecriterium als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Wajong.
De rechtbank overweegt verder dat in het geval van eiseres niet is gebleken van een beoordeling ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid door het UWV. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de Raad leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan de gemachtigde stelt, gaat het daarin om een niet vergelijkbare situatie. Zo heeft de Raad in die uitspraak zelf in de zaak voorzien nadat het UWV geen deugdelijke motivering heeft gegeven ten aanzien van de geschiktheid van een voorgehouden functie, zodat alsnog met ingang van de datum van de achttiende verjaardag een Wajong-uitkering naar volledige arbeidsongeschiktheid werd toegekend. In die uitspraak gaat het dus niet om het ingezetenecriterium zoals in deze zaak.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd dat de strenge eis ten aanzien van het ingezetenecriterium in dit geval onredelijk is, gelet op het verschil van drie jaar tussen de achttiende verjaardag van eiseres en het moment dat zij ingeschreven stond in Nederland. De rechtbank vat dit op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Omdat het ingezetenecriterium als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Wajong is neergelegd in een wet in formele zin, bestaat er geen ruimte voor een daarvan losstaande belangenafweging. Als sprake is van een wet in formele zin, is het toetsen aan het evenredigheidsbeginsel in beginsel niet mogelijk, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn meegewogen in de afweging van de wetgever en die de wettelijke bepaling zozeer in strijd doet zijn met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing van die bepaling achterwege zou moeten blijven. De rechtbank is van oordeel dat van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken.
Gelet op het voorgaande kan eiseres op haar achttiende verjaardag niet worden beschouwd als een ingezetene in de zin van de Wajong. Dit betekent dat ook niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de overige voorwaarden voor het verkrijgen van een Wajong-uitkering.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV eiseres terecht een Wajong-uitkering heeft geweigerd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.