ECLI:NL:RBROT:2026:3719

ECLI:NL:RBROT:2026:3719

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer 10-134620-25, 10-104046-25, 10-190068-25, 10-234509-25, 10-252026-25, 10-263831-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Dordrecht

Samenvatting

De verdachte wordt vrijgesproken van (poging tot zware) mishandeling. De verdachte wordt veroordeeld voor twee mishandelingen, beroving, vernieling van een ruit, poging tot zware mishandeling, bedreiging en aanranding met dwang en geweld. Deze feiten worden in verminderde mate aan de verdachte toegerekend vanwege zijn verstandelijke beperking. Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden, alsmede een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Daarnaast moet de verdachte schadevergoeding betalen aan drie slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10-134620-25, 10-104046-25, 10-190068-25, 10-234509-25, 10-252026-25, 10-263831-25

Datum uitspraak: 17 maart 2026

Datum zitting: 3 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte], geboren op [geboortedatum 1] 1993 op [geboorteland], ingeschreven op het adres: [adres 1], [postcode] in [plaatsnaam], gedetineerd in [detentieadres].

Advocaat van de verdachte: mr. S. Ben Ahmed

Officier van justitie: mr. K. Mandos

Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (beiden niet aanwezig op de zitting) en [benadeelde partij 3]

Advocaat van de [benadeelde partij 3]: mr. M.A. Oosterveen

Kern van het vonnis

De verdachte wordt vrijgesproken van (poging tot zware) mishandeling van [slachtoffer 1] op 28 augustus 2025. De verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling van [slachtoffer 2], beroving van [slachtoffer 3], mishandeling van [slachtoffer 4], vernieling van een ruit, poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 11 augustus 2025, bedreiging van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en aanranding met dwang en geweld van [slachtoffer 7]. Deze feiten worden in verminderde mate aan de verdachte toegerekend vanwege zijn verstandelijke beperking. Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden, alsmede een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Daarnaast moet de verdachte schadevergoeding betalen aan drie slachtoffers.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van – samengevat – mishandeling van [slachtoffer 2], beroving van [slachtoffer 3], mishandeling van [slachtoffer 4], vernieling van een ruit, tweemaal (poging zware) mishandeling van [slachtoffer 1], bedreiging van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en aanranding met dwang en geweld van [slachtoffer 7].

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:

Feit 1 (10-104046-25)hij op of omstreeks 11 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 2]

heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermaals, althans eenmaal,- bij het lichaam vast te pakken,- op de grond neer te gooien, en/of- tegen het lichaam te schoppen;

Feit 2 (10-134620-25)hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Rotterdam, op/aan de openbare weg, te weten de Vierambachtsstraat, in elk geval op/aan een openbare weg, een contant geldbedrag te weten een 50-euro biljet, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- zich op te dringen aan die [slachtoffer 3] en/of- een hand van die [slachtoffer 3] beet/vast te pakken en/of- een 50-euro biljet (met kracht) uit de hand van die [slachtoffer 3] te trekken;

Feit 3 (10-190068-25)hij op of omstreeks 8 mei 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 4] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal tegen het been en/of het lichaam van die [slachtoffer 4] te trappen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 4 (10-263831-25)hij op of omstreeks 30 juli 2025 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Gemeente Rotterdam, toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Feit 5 primair (10-252026-25)hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen)- tegen het hoofd en/of het lichaam en/of in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of- tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, waardoor en/of nadat die [slachtoffer 1] ten val kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 5 subsidiair (10-252026-25)hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Rotterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door (meermalen)- tegen het hoofd en/of het lichaam en/of in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of- tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen, waardoor en/of nadat die [slachtoffer 1] ten val kwam;

Feit 6 primair (10-252026-25)hij op meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 28 augustus 2025 te Rotterdam (meermalen) (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen)- tegen het hoofd en/of het lichaam en/of in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of- tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 6 subsidiair (10-252026-25) hij op meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 28 augustus 2025 te Rotterdam (meermalen) (telkens) [slachtoffer 1] heeft mishandeld,door (meermalen)- tegen het hoofd en/of het lichaam en/of in het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of- tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen;

Feit 7 (10-252026-25)hij op of omstreeks 1 april 2025 te Rotterdam [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of (een) ander(e) personeelslid/leden van Albert Heijn heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- zich in de winkel agressief en/of intimiderend en/of overlastgevend te gedragen (waarna hij vervolgens de winkel moest verlaten) en/of- voor het winkelpand in het zicht van die [slachtoffer 6] met een zwaar kettingslot te slingeren en/of- te schreeuwen naar die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of ander(e) personeelslid/leden van Albert Heijn en/of- die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of ander(e) personeelslid/leden van Albert Heijn dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je slaan! Ik ga je pakken!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of- zijn, verdachtes, rechterarm in de richting van die [slachtoffer 5]/naar voren te slingeren/bewegen;

Feit 8 (10-234509-25)hij op of omstreeks 5 september 2025 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer 7] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (meermalen)- wrijven over en/of betasten van haar buik en/of- met zijn schaamstreek maken van rijdende bewegingen tegen haar billen, althans haar lichaam en/of- vastpakken en/of vasthouden van en/of knijpen in haar borst en/of billen en/of- vastpakken en/of vasthouden en/of betasten van haar heupen en/of benen en/of schaamstreek en/of- strelen van en/of wrijven over de zijkant van haar lichaam en/of haar rug en/of- zoenen in haar nek terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 7] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door het (meermalen)- aanspreken en/of (op zijn fatbike) achtervolgen van haar en/of- achter haar aan betreden van een winkel en/of zich ophouden bij de in/uitgang van die winkel en/of- dichtbij en/of dicht tegen haar gaan en/of blijven staan en/of- slaan van zijn armen om haar lichaam en/of schouders en/of- vastpakken en/of vasthouden van haar lichaam en/of- voorbijgaan aan haar (verbale en/of non-verbale) protesten en/of- feit dat er sprake was van een uit zijn leeftijd voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht.

2. Beoordeling van de beschuldiging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1, 2, 3, 4, 5 primair, 7 en 8 en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 6.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft evenals de officier van justitie ten aanzien van feit 6 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de overige feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen (feit 1, 2, 3, 4, 5, 7, en 8)

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten, met uitzondering van feit 6, bekend. Daarom worden van deze feiten de bewijsmiddelen genoemd, maar niet uitgeschreven. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage 1 van dit vonnis.

Bewezen is dat:

Feit 1 (10-104046-25)hij op of omstreeks 11 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermaals, althans eenmaal,- bij het lichaam vast te pakken,- op de grond neer te gooien, en/of- tegen het lichaam te schoppen;

Feit 2 (10-134620-25)hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Rotterdam, op/aan de openbare weg, te weten de Vierambachtsstraat, in elk geval op/aan een openbare weg, een contant geldbedrag te weten een 50-euro biljet, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- zich op te dringen aan die [slachtoffer 3] en/of- een hand van die [slachtoffer 3] beet/vast te pakken en/of- een 50-euro biljet (met kracht) uit de hand van die [slachtoffer 3] te trekken;

Feit 3 (10-190068-25)hij op of omstreeks 8 mei 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 4] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal tegen het been en/of het lichaam van die [slachtoffer 4] te trappen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 4 (10-263831-25)hij op of omstreeks 30 juli 2025 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Gemeente Rotterdam, toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Feit 5 primair (10-252026-25)hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen)- tegen het hoofd en/of het lichaam en/of in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of- tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, waardoor en/of nadat die [slachtoffer 1] ten val kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 7 (10-252026-25)hij op of omstreeks 1 april 2025 te Rotterdam [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of (een) ander(e) personeelslid/leden van Albert Heijn heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- zich in de winkel agressief en/of intimiderend en/of overlastgevend te gedragen (waarna hij vervolgens de winkel moest verlaten) en/of- voor het winkelpand in het zicht van die [slachtoffer 6] met een zwaar kettingslot te slingeren en/of- te schreeuwen naar die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of ander(e) personeelslid/leden van Albert Heijn en/of- die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of ander(e) personeelslid/leden van Albert Heijn dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je slaan! Ik ga je pakken!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of- zijn, verdachtes, rechterarm in de richting van die [slachtoffer 5]/naar voren te slingeren/ bewegen;

Feit 8 (10-234509-25)hij op of omstreeks 5 september 2025 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer 7] seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (meermalen)- wrijven over en/of betasten van haar buik en/of- met zijn schaamstreek maken van rijdende bewegingen tegen haar billen, althans haar lichaam en/of- vastpakken en/of vasthouden van en/of knijpen in haar borst en/of billen en/of- vastpakken en/of vasthouden en/of betasten van haar heupen en/of benen en/of schaamstreek en/of- strelen van en/of wrijven over de zijkant van haar lichaam en/of haar rug en/of- zoenen in haar nek

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 7] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, en vergezeld van en/of gevolgd door dwang, en geweld en/of bedreiging, door het (meermalen)- aanspreken en/of (op zijn fatbike) achtervolgen van haar en/of- achter haar aan betreden van een winkel en zich ophouden bij de in/uitgang van die winkel en/of- dichtbij en/of dicht tegen haar gaan en/of blijven staan en/of- slaan van zijn armen om haar lichaam en/of schouders en/of- vastpakken en/of vasthouden van haar lichaam en/of- voorbijgaan aan haar (verbale en/of non-verbale) protesten en/of- feit dat er sprake was van een uit zijn leeftijd voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht.

Vrijspraak feit 6

De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1 (10-104046-25)mishandeling;

feit 2 (10-134620-25)diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;feit 3 (10-190068-25)mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;feit 4 (10-263831-25)opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

feit 5 primair (10-252026-25)poging tot zware mishandeling;

feit 7 (10-252026-25)bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 8 (10-234509-25)opzetaanranding, voorafgaand en vergezeld van dwang en geweld.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf en maatregel

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd. Daarbij verzoekt de officier van justitie de voorwaarde om een klinische behandeling te ondergaan, op te leggen voor maximaal twaalf maanden. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest en aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden te koppelen zoals de reclassering heeft geadviseerd. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat door de deskundige enkel een korte klinische opname wordt geadviseerd en dat de verdachte niet bereid is tot het ondergaan van een (langdurige) klinische opname.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer één jaar tijd schuldig gemaakt aan zeven strafbare feiten. De feiten zijn van gewelddadige aard en vertonen een patroon van impulsief handelen, waarbij de verdachte handelt in reactie op een zeer geringe aanleiding en geen rekening houdt met de grenzen van anderen of met de gevolgen van zijn daden. Zo heeft hij een man bij metrostation Beurs in Rotterdam mishandeld omdat deze per ongeluk tegen de verdachte aanliep, heeft hij een NS-conducteur mishandeld omdat deze de verdachte aansprak op het reizen zonder vervoersbewijs en heeft hij gepoogd een man zwaar te mishandelen, omdat de verdachte hem betichte van diefstal. Daarnaast heeft de verdachte twee medewerksters van de Albert Heijn bedreigd omdat hij uit de winkel werd gezet. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een vernieling van een ruit en een beroving van een kwetsbare man in een scootmobiel. Ten slotte heeft de verdachte een toen zestienjarig meisje, die op weg was naar huis na school, achtervolgd. Hij heeft haar in een positie gedwongen waarin zij zich niet kon verweren, en heeft haar vervolgens meerdere keren ongewenst aangeraakt. De verdachte is hierbij een aantal keer weggelopen en vervolgens teruggekeerd naar het slachtoffer. Uit de vordering benadeelde partij van het slachtoffer van de aanranding blijkt dat zij dit zeer beangstigend heeft gevonden en nog altijd kampt met de mentale gevolgen van de gebeurtenis.

Door zijn handelen heeft de verdachte de persoonlijke integriteit van de slachtoffers ernstig geschonden. Dergelijke feiten kunnen lichamelijke en (langdurige) mentale gevolgen voor de slachtoffers hebben. De psychische impact kan variëren van angst en onzekerheid tot diepgaande trauma’s die het dagelijks functioneren beïnvloeden. Daarnaast creëren dergelijke feiten een gevoel van onveiligheid, dat niet alleen de directe slachtoffers treft, maar ook de samenleving beïnvloedt. Dat de feiten lichamelijke en mentale gevolgen voor de slachtoffers hebben gehad blijkt ook uit de vorderingen van de benadeelde partijen die zijn ingediend door [slachtoffer 7], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4].

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 16 oktober 2025 blijkt dat de verdachte meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.

Rapport van de psycholoog

In het rapport van psycholoog [naam 1] van 27 november 2025 staat onder meer het volgende. Bij de verdachte is sprake van een verstandelijke beperking. Intellectueel functioneert hij op een leeftijd van ongeveer zes jaar oud. Op nagenoeg alle levensgebieden zijn problemen, waar zijn verstandelijke beperking een drijvende rol in speelt. In analogie met zijn verstandelijke beperking is ook zijn sociaal-emotionele ontwikkeling zeer beperkt. Daarnaast is er sprake van een stoornis in gebruik van cannabis, matig (thans in remissie onder toezicht van detentie) en een stoornis in het gebruik van alcohol, ten minste licht (thans in remissie onder toezicht van detentie). De verstandelijke beperking heeft een belangrijke rol gespeeld bij de tenlastegelegde feiten, zeker in combinatie met de vele, al lang bestaande sociaal-maatschappelijke problemen. Hierdoor liggen bij de verdachte al langere tijd stress, machteloosheid en frustraties aan de oppervlakte, welke zich zeer gemakkelijk laten triggeren. De copingvaardigheden van de verdachte schieten bovendien structureel tekort, waardoor hij zelfstandig onvoldoende in staat is zijn problematische situatie op te lossen. Hij is derhalve afhankelijk van anderen, maar hulp accepteert hij maar (zeer) beperkt door zijn wantrouwen (vanuit onbegrip), zijn zelfbepalende houding en zijn zeer geringe probleembesef en -inzicht. De verdachte was ten tijde van de tenlastegelegde feiten als gevolg van zijn beperkingen onvoldoende in staat om zijn gedrag op een meer gezonde wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken, ondanks dat wel kan worden aangenomen dat hij (op basaal niveau) het verschil weet tussen goed en kwaad en dus wel de wederrechtelijkheid van zijn gedrag inziet.

De psycholoog adviseert daarom om de verdachte alle hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog en de verdachte heeft gespecialiseerde hulpverlening nodig die aansluit bij zijn verstandelijke beperking. Hierbij dient gedacht te worden aan een SGLVG (sterk gedragsgestoord lichte verstandelijke beperking)-instelling. De leerbaarheid van de verdachte is beperkt en derhalve zal hulpverlening zich, zeker in eerste instantie, vooral moeten richten op het op orde krijgen van zijn leven. Een beschermde woonvorm waar intensieve begeleiding telkens dicht in de buurt is, is daarbij van groot belang. Het is belangrijk dat de verdachte kan worden gemotiveerd om een dergelijk traject te ondergaan. Het is te overwegen om kortdurend klinische behandeling te starten en van daaruit toe te werken naar een langer durende beschermde woonvorm.

De psycholoog stelt het lastig te vinden advies te geven over het geschikte juridische kader van de nodige begeleiding. Om het recidiverisico te verminderen is langdurige hulpverlening noodzakelijk. De hulpverlening kan worden opgelegd in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf. Daarnaast zou een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna ook genoemd: GVM) kunnen worden opgelegd, zodat er langere tijd verplichte zorg kan worden geboden. De garantie daarbij is echter beperkt. De vraag is in hoeverre de verdachte zich kan houden aan de voorwaarden gelet op zijn pathologie. Indien bijzondere voorwaarden worden opgelegd zou het advies zijn om een langdurige proeftijd op te leggen, zodat de hulpverlening langdurig gevolgd kan worden. Met oplegging van een tbs-maatregel zal behandeling gegarandeerd worden, maar een belangrijk nadeel aan een dergelijk zwaar kader is dat dit bij de verdachte een zeer langdurig traject kan worden, gezien zijn beperkte leerbaarheid.

Op basis van het rapport van de psycholoog, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten een verstandelijke beperking bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Jeugdbescherming en Reclassering van 24 februari 2026 staat onder meer het volgende. De verdachte heeft een matige verstandelijke ontwikkelingsstoornis. Hij reageert primair vanuit zijn eigen behoeften, waarbij hij geen rekening houdt met eventuele slachtoffers, wetten of regels. Hij kan niet reflecteren op zijn gedrag of dit bijsturen. De verdachte is namelijk weinig stuurbaar en zijn leervermogen is beperkt. De invloed vanuit de reclassering op de verdachte wordt als zeer beperkt ingeschat en het is de vraag wat een (klinische) behandeling zal toevoegen. Omdat dit echter nog niet geprobeerd is, acht de reclassering dit alsnog de moeite waard om te proberen. Vooralsnog is de verdachte hier echter niet toe gemotiveerd, mogelijk helpt een uitspraak van de rechtbank daarbij. De begeleiding die de reclassering kan bieden is gericht op praktische zaken. De verdachte is uiteindelijk het beste af met een beschermde woonvoorziening die gespecialiseerd is in mensen met een matige verstandelijke ontwikkelingsstoornis, waar hij zo nodig aan de hand kan worden meegenomen door het leven. Om het hoge recidiverisico te verminderen zal de verdachte langdurig begeleid moeten worden, hetgeen pleit voor oplegging van een langere proeftijd dan de gebruikelijke twee jaar. Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:

- meldplicht;- opneming in een zorginstelling;- ambulante behandeling;- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang; - contactverbod met [slachtoffer 7];- locatieverbod;- dagbesteding; - aflossing van schulden; - beheersing van het middelengebruik.

De reclassering adviseert deze voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast adviseert de reclassering bij veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een GVM op te leggen. Bij de verdachte is sprake van problematiek waarvoor hij zijn leven lang begeleiding en sturing nodig heeft. Bovendien wordt de verdachte verdacht van strafbare feiten waarbij sprake is van het plegen van geweld en seksuele delicten.

Oplegging straf en maatregel

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Daarnaast is er in aanmerking genomen dat de strafbare feiten in mindere mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijftien maanden met aftrek van het voorarrest. De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd. Aan dit voorwaardelijke strafdeel verbindt de rechtbank een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Daarmee zal de verdachte langdurig kunnen worden begeleid om daarmee de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De rechtbank zal de voorwaarde van een kortdurende klinische opname voor maximaal drie maanden opleggen. Daarbij wordt aangesloten bij het advies van de psycholoog om een kortdurende opname op te leggen en kan de verdachte direct na afloop van zijn gevangenisstraf worden gestabiliseerd en mogelijk gemotiveerd om toe te werken naar een langdurig beschermde woonvorm. Een langdurige klinische behandeling van maximaal twaalf maanden, zoals door de officier van justitie is gevorderd, wordt niet passend geacht. Bij een dergelijke opname wordt uitgegaan van het volgen van een behandelplan, terwijl de verdachte weinig leerbaar is. Het onvermogen en de onwil van de verdachte staan een langdurige klinische behandeling in de weg.

De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar. Gelet op het NIFP-rapport en het reclasseringsrapport moet er namelijk ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)

Om de veiligheid van anderen te beschermen, legt de rechtbank ten aanzien van de feiten 2, 3, 5 en 8 een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op. Om het recidiverisico ter verminderen is het namelijk – gelet op de rapporten en de daarin beschreven problematiek – noodzakelijk dat de verdachte langdurig wordt begeleid. Aan de wettelijke vereisten van oplegging van de maatregel is voldaan. De verdachte wordt namelijk veroordeeld tot een (gedeeltelijk voorwaardelijke) gevangenisstraf voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Ook is op het plegen van deze misdrijf een gevangenisstraf van vier jaar of meer gesteld.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, dan wel klinische opname.

5. In beslag genomen voorwerpen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende worden teruggegeven.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen kledingstukken (1 STK Trui en 1 STK Broek) aan degene bij wie deze in beslag zijn genomen en als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer 7].

6. Vordering van de benadeelde partijen

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 5.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 2] heeft als benadeelde partij voor feit 3 € 200,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 3] heeft als benadeelde partij voor feit 8 € 4.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook heeft zij verzocht om de verdachte een contactverbod en een locatieverbod voor de wijk IJsselmonde op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de [benadeelde partij 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het resterende bedrag dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

De vordering van de [benadeelde partij 2] kan in zijn geheel worden toegewezen tot een bedrag van € 200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de [benadeelde partij 3] kan in zijn geheel worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook kan een contact- en locatieverbod worden opgelegd als bijzondere voorwaarde.

Standpunt van de verdediging

De [benadeelde partij 1] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering of de vordering moet worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair kan slechts een gedeelte worden toegewezen.

De vordering van de [benadeelde partij 2] wordt niet betwist.

De vordering van de [benadeelde partij 3] kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen, omdat niet duidelijk is welke schade rechtstreeks verband houdt met het tenlastegelegde feit.

Oordeel van de rechtbank

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De rechtbank vermeerderd dit bedrag met de wettelijke rente vanaf 11 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. De schade is niet betwist en zal worden toegewezen tot een bedrag van € 200,-. De rechtbank vermeerderd dit bedrag met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

[benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 8 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De rechtbank vermeerderd dit bedrag met de wettelijke rente vanaf 9 september 2025 tot aan de dag van volledige betaling.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38z, 45, 57, 63, 241 (oud), 285, 300, 302, 304, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 6 (10-252026-25) heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 (10-104046-25), 2 (10-134620-25), 3 (10-190068-25), 4 (10-263831-25), 5 primair (10-252026-25), 7 (10-252026-25) en 8 (10-234509-25) zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregel

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 5 (vijf) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij zijn reclasseringswerker [naam 2] op [adres 2];

2. de verdachte zich tijdens de proeftijd en direct aansluitend op de ondergane gevangenisstraf, voor maximaal drie maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een SGLVG-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. de verdachte zich aansluitend op de klinische opname laat behandelen door Mozaïk of een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op impuls-, emotie- en agressieregulatie en het aanleren van adequate copingvaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

4. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een (SGLVG-)instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

5. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum 2] 2009;

6. dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de Rotterdamse wijk IJsselmonde. Dit betreft het gebied dat valt binnen het gele vlak op het kaartfragment, opgenomen in bijlage 2 van dit vonnis;

7. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

8. de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

9. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en hasj. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met elke controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

Gedragsbeïnvloedende maatregel (art. 38z Sr)

legt aan de verdachte voor de feiten 2 (10-134620-25), feit 3 (10-190068-25), 5 primair (10-252026-25) en 8 (10-234509-25) op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking;

In beslag genomen voorwerpen

- beveelt de teruggave van 1 STK Trui aan de rechthebbende [benadeelde partij 3];

- beveelt de teruggave van 1 STK Broek aan de rechthebbende [benadeelde partij 3];

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 11 september 2024 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de [benadeelde partij 1] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 11 september 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 (vijf) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 2]

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij 2] (feit 3), te betalen een bedrag van € 200,-, bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 3 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 200,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 mei 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 2 (twee) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 3]

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij 3] (feit 8), te betalen een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 5 september 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 8 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 3] aan de staat € 2.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 5 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,

en mrs. M.I. Blagrove en M.S. Polet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.

Mrs. F.P.J. Schoonen en E.S. Brouwer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage 1 - Bewijsmiddelen

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]

3. Proces-verbaal van de politie

4. Proces-verbaal van de politie

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 3]

6. Proces-verbaal van de politie

7. Proces-verbaal van de politie

8. Proces-verbaal van de politie

9. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 4]

10. Proces-verbaal van de politie

11. Proces-verbaal van de politie

12. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 4] (namens de Gemeente Rotterdam)

13. Proces-verbaal van de politie

14. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]

15. Proces-verbaal van de politie

16. Proces-verbaal van de politie

17. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 5]

18. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 6]

19. Proces-verbaal van de politie

20. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 3]

21. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 7]

22. Proces-verbaal van de politie

Bijlage 2 – Wijk IJsselmonde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?