Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-118783-25
Datum uitspraak: 8 april 2026
Datum zitting: 12 maart 2026 en 8 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres van de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] : [detentieadres] , [postcode] , [detentieplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , [detentieafdeling] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.A.W. Knoester.
Officier van justitie: mr. A.H.A. de Bruijne.
Benadeelde partij: [benadeelde] .
Advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers.
Kern van het vonnis
Op 16 april 2025 heeft de verdachte zijn moeder van het leven beroofd door met een bijl haar hoofd af te hakken. De rechtbank oordeelt dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan moord. Deskundigen van het Pieter Baan Centrum hebben geconcludeerd dat de verdachte volledig werd gestuurd door zijn psychose. De rechtbank oordeelt dat de verdachte bij het plegen van het feit volledig ontoerekeningsvatbaar was, waardoor de verdachte niet strafbaar is. De verdachte wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank volgt het advies van de deskundigen om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen en gaat niet mee met het verzoek van de verdediging om nader onderzoek te doen naar de vraag of de verdachte inmiddels is ingesteld op medicatie, of er meer ziekte-inzicht bij hem is en of thans volstaan kan worden met het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden. De deskundigen hebben voldoende onderbouwd dat en waarom een behandeling langdurig zal moeten zijn en er thans geen perspectief is dat het gevaar door het stellen van voorwaarden voldoende kan worden ingeperkt.Aan de partner van [voornaam slachtoffer] wordt een schadevergoeding ter hoogte van € 2.833,91 voor materiële schade en € 60.000,- voor immateriële schade (waarvan € 20.000,- affectieschade en € 40.000,- schokschade) toegekend.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich – samengevat – op 16 april 2025 in [plaats] schuldig heeft gemaakt aan moord.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
hij op of omstreeks 16 april 2025 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een bijl meermalen met kracht op/tegen/in de hals en/of nek te slaan en/of snijden en/of steken ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Tussen de officier van justitie en de verdediging staat niet ter discussie dat de verdachte zijn moeder [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd, zoals in de beschuldiging staat.
De rechtbank sluit zich daarbij aan. Die beslissing behoeft geen nadere motivering. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Omdat de verdachte het feit heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Deskundigenverslag
3. Proces-verbaal van de politie
4. Proces-verbaal van de politie
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 16 april 2025 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een bijl meermalen met kracht op/tegen/in de hals te slaan ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
moord.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit is strafbaar.
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend en dat de verdachte niet strafbaar is. De verdachte moet volgens de verdediging worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend en dat de verdachte niet strafbaar is. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte is van 6 oktober tot 14 november 2025 geobserveerd in het Pieter Baan Centrum. De rechtbank heeft kennis genomen van de pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 9 januari 2026, opgesteld door [persoon A] , psychiater, en [persoon B] , psycholoog. De psychiater en psycholoog hebben het volgende gerapporteerd.
De verdachte lijdt aan een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type en er is sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Er was al geruime tijd sprake van een psychiatrische ontregeling met op de voorgrond staande paranoïde wanen, die gaandeweg in ernst en omvang toenamen. De verdachte verkeerde in de maanden voorafgaand aan het ten laste gelegde in een psychose, dit in het kader van zijn schizoaffectieve stoornis. De verdachte werd op het moment van het ten laste gelegde volledig gestuurd door zijn psychose en was niet meer in staat om adequaat te handelen. Het advies is om het ten laste gelegde in zijn geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.
Zowel de verdediging als de officier van justitie stellen zich op het standpunt dat de conclusies van de psychiater en psycholoog van het Pieter Baan Centrum moeten worden overgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de rapportage op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing. Uit dat advies volgt hoe de verdachte uiteindelijk volledig onder invloed van wanen heeft gehandeld. De rechtbank neemt het advies over om het ten laste gelegde daarom in zijn geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte is niet strafbaar. De verdachte wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.
4. Maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot de maatregel terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs) met een bevel tot verpleging van overheidswege. De duur van deze maatregel moet ongemaximeerd zijn.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat nader ambulant onderzoek door de psychiater en psycholoog (de deskundigen) noodzakelijk is. Door de verdediging is verzocht om de zaak om die reden aan te houden. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op dit moment goed is ingesteld op medicatie en dat hij meer ziekte-inzicht heeft dan in de periode dat hij werd geobserveerd in het Pieter Baan Centrum. Dit moet volgens de verdediging nader onderzocht worden, waarbij beoordeeld moet worden of dit van invloed is op het door de deskundigen gegeven advies. Mogelijk is tbs met verpleging van overheidswege niet noodzakelijk en kan worden volstaan met het opleggen van tbs met voorwaarden. Als de uitkomst van het nadere onderzoek is dat tbs met voorwaarden zou moeten worden opgelegd, verzoekt de verdediging ook een maatregelenrapport door de reclassering te laten opstellen.
De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat de verdachte moet worden veroordeeld tot de maatregel terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege.
Afwegingen van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zijn moeder [voornaam slachtoffer] van het leven beroofd door haar hoofd met een bijl af te hakken. De verdachte heeft haar afgehakte hoofd in een tas meegenomen en is daarmee doelgericht in haar auto vertrokken. Op de snelweg is de verdachte door de politie aangehouden. De politie trof het hoofd van [voornaam slachtoffer] aan in de tas voor de bijrijdersstoel. De verdachte heeft [voornaam slachtoffer] haar leven ontnomen. Het is niet voor te stellen hoe bang en ontzet [voornaam slachtoffer] in de laatste momenten van haar leven moet zijn geweest, toen haar zoon met een bijl op haar af kwam en op haar begon in te hakken. De verdachte heeft verklaard dat zij nog heeft geroepen: “Je vermoordt me!”. Familieleden en vrienden moeten verder zonder hun geliefde in de wetenschap dat zij op een zeer gruwelijke wijze om het leven is gebracht. Het handelen van de verdachte heeft de nabestaanden ernstig geschokt en hun leven blijvend en ingrijpend veranderd. Aan hen is een onherstelbaar verlies, een groot verdriet en veel leed toegebracht, wat zij de rest van hun leven met zich zullen dragen. Dat blijkt ook uit de ter zitting afgelegde verklaringen door de partner van [voornaam slachtoffer] en de zoon van [voornaam slachtoffer] (de broer van de verdachte). De partner van [voornaam slachtoffer] heeft onder andere verklaard hoe hij haar kort na de moord in een groot bloedbad zonder hoofd heeft aangetroffen, dat hij niet kon geloven wat er met haar gebeurd was en hoe radeloos en machteloos hij zich voelde. Nog dagelijks ziet hij voor zich hoe zij in de woonkamer lag en heeft hij te maken met spanningen en emoties waarvoor hij intensieve behandeling krijgt. De andere zoon van [voornaam slachtoffer] , broer van de verdachte, heeft onder andere verklaard over het moment dat hij hoorde dat zijn moeder was overleden, zijn schuldgevoel, hoe erg hij zijn moeder elke dag mist en dat hij nooit kan begrijpen wat er is gebeurd. Tegelijkertijd levert de omstandigheid dat verdachte psychisch ziek is en volledig onder invloed van die ziekte heeft gehandeld voor de naasten van verdachte tegenstrijdige gevoelens op. En naast de andere nabestaanden zal ook de verdachte moeten leven met de wetenschap dat hij zoals hij het zelf uitdrukte degene die hem het leven heeft geschonken van het leven heeft beroofd en zijn broer zijn moeder heeft ontnomen. Een dergelijk gruwelijk feit wordt daarnaast ook als zeer schokkend ervaren door de samenleving.
Moord is een levensdelict en daarmee één van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Hiervoor worden doorgaans heel hoge straffen opgelegd. Omdat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, kan er volgens de wet geen straf opgelegd worden. De gedachte hierachter is dat als iemand iets in het geheel niet is toe te rekenen vanwege een psychische stoornis, het opleggen van een straf niet te rechtvaardigen is.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft ter zitting verwoord dat hij ziek is, en dat dat zijn moeder fataal is geworden. Het doet hem heel veel pijn dat hij dat nooit meer kan herstellen. Verdachte heeft benoemd dat hij begrijpt wat hij iedereen heeft aangedaan en dat het hem heel veel spijt. Hij wil er alles aan doen om dit in de toekomst te voorkomen.
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapportage van de deskundigen en hun verklaring op de zitting
De bevindingen van de psychiater en psycholoog zijn opgenomen in de in overweging 3.2.3 genoemde pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 9 januari 2026. Tijdens de zitting zijn de deskundigen op verzoek van de verdediging nader gehoord en hebben zij vragen van de rechtbank, de verdediging en de officier van justitie beantwoord.
In de rapportage staat onder meer het volgende. Vanwege het hoog ingeschatte risico dat volledig voortvloeit uit de psychiatrische problematiek van de verdachte wanneer deze niet adequaat en langdurig wordt behandeld, wordt geadviseerd een behandelmaatregel op te leggen. De responsiviteit op de huidige, voorgeschreven medicatie lijkt mogelijk niet optimaal, nu de psychotische symptomen grotendeels in remissie zijn geraakt, maar nog niet geheel verdwenen zijn. Optimalisatie van de medicatie is aangewezen. Ook zal er aandacht moeten zijn voor de verslavingsgevoeligheid van de verdachte. Hoewel enkel een stoornis in cannabis is geclassificeerd, dient ook ander problematisch gebruik van middelen aandacht te krijgen binnen de behandeling. De nadruk zal minder liggen op beveiliging, waardoor plaatsing in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) qua beveiligingsniveau afdoende wordt geacht. Dit vanwege het feit dat het recidiverisico zich vooral richt op familie van de verdachte en andere personen die in zijn waansysteem zijn opgenomen en gezien het goede functioneren van de verdachte gedurende detentie, waarbij geen sprake is geweest van fysiek agressieve incidenten. Aangezien de verdachte nooit eerder klinisch is behandeld (hij is in het verleden enkel kortdurend opgenomen geweest in het kader van een diagnostische opname) en hij zich op dit moment bereidwillig opstelt tegenover een behandeling is een tbs met voorwaarden overwogen. Vanwege de ingeschatte duur van de klinische behandeling (optimalisatie van de medicatie, geïntegreerde verslavingsbehandeling, betrekken systeem en mogelijk contactherstel met broer) en de noodzaak tot het gefaseerd laten verlopen van de behandelstappen, wordt geadviseerd een tbs met verpleging van overheidswege op te leggen.
Tijdens de zitting hebben de deskundigen de rapportage toegelicht en over nader onderzoek onder meer het volgende verklaard. Het zal veel tijd kosten om de verdachte goed te leren kennen en in te kunnen schatten. Het gaat er niet alleen om of de verdachte geen psychose meer heeft. Het is ook belangrijk om de verdachte langdurig goed te monitoren voor wat betreft het middelengebruik. Dat is op dit moment moeilijker te onderzoeken omdat de verdachte in de detentieperiode minder makkelijk aan middelen kan komen en de uitdagingen in detentie minder groot zijn dan in het leven buiten detentie. Nader onderzoek hoeft daarom niet veel uit te maken voor de uitkomst van het advies. Dat geen tbs met voorwaarden wordt geadviseerd, heeft te maken met een combinatie van factoren. Allereerst is de responsiviteit op medicatie van belang, die als matig wordt beoordeeld. Geconstateerd is dat het niet eenvoudig is een medicamenteuze behandeling van de verdachte zo in te stellen dat het goed aanslaat. Voorafgaand aan het ten laste gelegde kreeg de verdachte medicatie. Dat was ook in de periode na het ten laste gelegde delict het geval, maar in het Pieter Baan Centrum waren er toch nog behoorlijke psychotische klachten. De behandelduur, die op dit moment niet goed kan worden voorspeld, moet daarom langer zijn. De tweede factor die van belang is, is het gebrek aan inzicht in de problematiek bij de verdachte als de psychose steviger is. Dit is risicoverhogend. Voorafgaand aan het ten laste gelegde delict was de verdachte al in behandeling, maar er is een bepaalde mate van presentatie waardoor de klachten niet goed en ernstig genoeg zijn ingeschat. De noodzaak van een crisisnoodmaatregel is niet goed ingeschat. Sterker nog, men had het idee dat het even beter ging. Hierin moeten zorgvuldige stappen worden gezet, waarbij ook het middelengebruik een belangrijke factor is. Ten derde is er een direct en groot risico op forse escalatie als er geen goede inschatting wordt gemaakt. De combinatie van deze factoren maakt tbs met voorwaarden te risicovol.
Aanhoudingsverzoek: standpunt OM
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het aanhoudingsverzoek moet worden afgewezen. De enkele bewering van de verdachte tijdens de zitting dat hij geen psychose meer heeft en altijd trouw zijn medicatie zal innemen, is onvoldoende om in dit stadium van de procedure het aanhoudingsverzoek toe te wijzen. In de rapportage wordt door de deskundigen tbs met voorwaarden besproken en ook tijdens de zitting zijn de deskundigen hierover bevraagd. De eindconclusie van de deskundigen is dat tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd. Eén van de deskundigen heeft uitgelegd dat de responsiviteit, gebrek aan inzicht bij de verdachte en de mogelijk afschuwelijke gevolgen als het niet goed gaat overwegingen zijn geweest om tbs met dwangverpleging te adviseren. Verder is van belang dat de verdachte eerder vanwege psychische problemen onder behandeling is geweest en die behandeling vroegtijdig heeft afgebroken. In 2025 is de verdachte gestopt met anti-psychotische medicatie zonder dat zijn behandelaren of netwerk daarvan op de hoogte waren. Het is van belang dat eerst in een hoog beveiligd kader wordt vastgesteld dat de verdachte goed is ingesteld op medicatie en wordt vastgesteld dat sprake is van ziektebesef.
Beoordeling van het aanhoudingsverzoek
Dat de verdachte tijdens de zitting heeft gezegd dat het beter met hem gaat en de medicatie aanslaat, is voor de rechtbank geen aanleiding voor het laten verrichten van nader onderzoek door de deskundigen. De deskundigen zijn tot een eensluidend advies gekomen en hebben zowel in de rapportage als ter zitting het behandelkader geschetst. Zij hebben uitgelegd dat hier veel onzekerheden in zitten en waarom tbs met voorwaarden naar hun mening voor de verdachte geen passend behandelingskader is. Tijdens de zitting hebben zij toegelicht dat nader onderzoek niet hoeft uit te maken voor de uitkomst van het advies en dat tbs met dwangverpleging wordt geadviseerd vanwege de hiervoor genoemde combinatie van factoren. De rechtbank acht het advies van de deskundigen voldoende onderbouwd en is door de deskundigen voldoende voorgelicht. Er is gelet op de inhoud van het advies onvoldoende basis om reeds thans uit te gaan van enig perspectief op een tbs met voorwaarden. De rechtbank ziet daarom geen noodzaak de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van een nader onderzoek door de deskundigen.
Oplegging maatregel
De rechtbank stelt voorop dat de ernst van het feit op zich geen rol speelt bij de beoordeling welke vorm de maatregel dient te krijgen. De officier van justitie en de verdediging (voor het geval het aanhoudingsverzoek zou worden afgewezen) zijn het er over eens dat de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd.
De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan het advies van de deskundigen, onderschrijft de conclusies en is van oordeel dat oplegging van deze maatregel noodzakelijk is.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel van tbs. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type en een stoornis in het gebruik van cannabis (zie overweging 3.2.3). Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Gelet op de aard en ernst van het feit en het gevaar voor herhaling eist de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd. De rechtbank zal dan ook de maatregel van tbs met een bevel tot verpleging van overheidswege opleggen.
De rechtbank legt de maatregel van tbs op voor moord. Dat is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom kan de tbs langer duren dan vier jaar.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde]
vordert als benadeelde partij € 2.833,91 als vergoeding voor materiële schade. De materiële schade bestaat uit € 2.400,- aan kosten voor de uitvaart en € 433,91 aan kosten wegens het annuleren van een geboekte vakantie die niet door de verzekeraar zijn vergoed. [benadeelde] vordert € 60.000,- als vergoeding voor schokschade (immateriële schade). Daarnaast vordert hij primair € 20.000,- en subsidiair 17.500,- aan affectieschade (immateriële schade), € 10.000,- aan nader te onderbouwen schade, de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
Voor wat betreft de gevorderde materiële schade en de affectieschade refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De gevorderde schokschade is voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van maximaal € 20.000,-. De verdediging verzoekt rekening te houden met de samenloop van affectieschade en schokschade. Voor het overige dient de vordering wegens onvoldoende onderbouwing niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 2.833,91 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
Wettelijk kader
Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een beperkt aantal gerechtigden bij overlijden van een naaste of dierbare – ongeacht of degene die jegens de overledene aansprakelijk is voor de gebeurtenis die tot diens dood heeft geleid zich tevens onrechtmatig heeft gedragen jegens deze gerechtigden – slechts aanspraak op de in artikel 6:108 BW genoemde vermogensschade en affectieschade (immateriële schade in verband met het verdriet om het overlijden van een naaste). Het stelsel van de wet staat aan toekenning van een vergoeding voor ook andere materiële en immateriële schade in de weg. Dit is slechts anders indien de dader het oogmerk had aan een derde immateriële schade toe te brengen als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder a, BW of als die derde in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.
Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Vergoeding van immateriële schade zoals onder b.3) bedoeld kan plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood (zogenoemde schokschade).
Degene die jegens de overledene aansprakelijk is voor de gebeurtenis die tot diens dood heeft geleid, heeft zich in dat geval tevens onrechtmatig gedragen jegens degene bij wie de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was;
de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
De vaststelling van de hoogte van de geleden schokschade geschiedt ingevolge artikel 6:106 BW naar billijkheid met in achtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Affectieschade
[benadeelde] vordert affectieschade, primair op grond van artikel 6:108 lid 3 en 4 sub b BW en subsidiair op grond van artikel 6:108 lid 3 en 4 sub g BW. Hij stelt zich op het standpunt dat hij de levensgezel was van de overledene, althans in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat dat uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste/nabestaande aanspraak heeft op vergoeding van affectieschade.
De verdediging heeft niet betwist dat [benadeelde] de levensgezel was van [voornaam slachtoffer] . De hoogte van de gevorderde schadevergoeding van € 20.000,- correspondeert met de in het Besluit vergoeding affectieschade genoemde bedrag en is door de verdediging ook niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de onderbouwing bij de vordering genoegzaam van een voldoende nauwe band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer. Zij hadden sinds oktober 2013 een relatie en woonden sinds november 2017 in dezelfde stad op enkele minuten afstand van elkaar. Het ontbreken van een gemeenschappelijke huishouding op één locatie staat in dit geval niet in de weg aan het oordeel dat [benadeelde] de levensgezel was van [voornaam slachtoffer] zodat de rechtbank die vordering dan ook zal toewijzen.
Schokschade
De verdediging heeft niet betwist dat bij [benadeelde] sprake is van schokschade, dat een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij hem is vastgesteld en dat hij recht heeft op vergoeding van schokschade. Vaststaat dat [benadeelde] direct geconfronteerd is met de ernstige gevolgen van de daad van verdachte en dat dit een hevige emotionele schok bij hem heeft teweeggebracht De rechtbank is dan ook van oordeel dat [benadeelde] recht heeft op vergoeding van schokschade.
Naar billijkheid en rekening houdend met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zoals ook neergelegd in de zogenoemde Rotterdamse Schaal, begroot de rechtbank de immateriële schade als gevolg van het door de hevige schok veroorzaakte geestelijk letsel op een bedrag van € 40.000,-. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de omstandigheid dat [benadeelde] ook aanspraak heeft op vergoeding van affectieschade. Voor het overige zal de rechtbank [benadeelde] in de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
Nader te onderbouwen schade
De gevorderde nader te onderbouwen schade van € 10.000,- betreft mogelijk toekomstige schade, gevorderd met het oog op een eventuele hoger beroep procedure. De vordering mist echter elke vorm van onderbouwing en concretisering en zal daarom worden afgewezen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 16 april 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 265 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;
Maatregel
Tbs-maatregel
beveelt dat de verdachte voor het feit ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij, te betalen een bedrag van € 62.833,91, bestaande uit € 2.833,91 als vergoeding van materiële schade en € 60.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 16 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
wijst af de vordering van de benadeelde partij voor het gedeelte dat ziet op nader te onderbouwen schade;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering dat ziet op immateriële schadevergoeding; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat € 62.833,91 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 265 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. E. Boersma en E. van Vliet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 april 2026.