RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummers: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 11 maart 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 12 februari 2026 met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 13 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 maart 2026.
Ter zitting van 3 maart zijn verschenen en gehoord:
- verzoeker;
- mevrouw K.D. Sikorska, tolk;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna:
schuldhulpverlening);
Stichting Hef Wonen gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij tot half december 2025 werkzaam is geweest als zelfstandige. Hij heeft zijn onderneming inmiddels gestaakt. Verzoeker heeft een PW-uitkering aangevraagd, echter de toekenning laat langer dan gebruikelijk op zich wachten. Dit komt doordat verzoeker is in 2015 gescheiden, maar dit is niet goed verwerkt in de Basis Registratie Personen (BRP). Inmiddels heeft verzoeker de benodigde bescheiden bij de gemeente ingediend en de verwachting is dat de wijziging in het BRP spoedig zal worden doorgevoerd. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat afdeling Werk en Inkomen op de hoogte is van de situatie en de verwachting is dat de uitkeringsaanvraag met spoed wordt afgehandeld na wijziging in het BRP. Tot die tijd worden aan verzoeker maandelijks voorschotten toegekend op basis van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Verzoeker ontvangt daarnaast toeslagen van de belastingdienst. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 675,87 te voldoen. De huur over de maand februari en maart 2026 is, zij het te laat, voldaan. Verzoeker is zich er van bewust dat hij de huur tijdig, te weten voor de eerste van de maand, moet voldoen. Budgetbeheer zal worden opgestart zodra de uitkering is toegekend. Het minnelijke traject zal worden opgestart. Een kennis helpt verzoeker met het verzamelen met alle benodigde gegevens en gaat ook met verzoeker mee naar de afspraken. Binnen de gemeente zal een Pools sprekende medewerker verzoeker ook verder op weg helpen.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 17 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 8 mei 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt voorschotten op basis van de bijstandsnorm voor een alleenstaande in afwachting van de toewijzing van de aanvraag van zijn PW-uitkering. Daarnaast ontvangt verzoeker toeslagen van de belastingdienst. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maanden februari en maart 2026 is, weliswaar te laat, voldaan. Verzoeker is zich er van bewust dat hij voor tijdige betaling dient zorg te dragen. Zodra de uitkering is toegekend, zal budgetbeheer worden opgestart. Hiermee is de betaling van de lopende huurtermijnen voldoende gewaarborgd. Het schuldhulpverleningstraject zal worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 8 mei 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres] te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
13 februari 2026;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.