Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat: mr. J.W. Hilhorst,
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verweerster.
1. De procedure
Op 12 december 2025 heeft verzoekster ter griffie van de rechtbank een verzoek tot faillietverklaring van verweerster ingediend.
Verzoekster, bij monde van mr. E. Sonneveld, is gehoord in raadkamer op 3 maart 2026.
Verweerster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2. De beoordeling
Voordat de rechtbank tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek toekomt, moet de rechtbank toetsen of zij bevoegd is op het verzoek tot faillietverklaring van verweerster te beslissen. De rechtbank beantwoord die vraag ontkennend. Zij overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank toetst haar bevoegdheid aan de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking) (hierna: de Verordening). Uit het verzoekschrift volgt namelijk voldoende dat het centrum van de voornaamste belangen (hierna: COMI) van verweerster in de Europese Unie is gelegen. Verder volgt uit artikel 4 van de Verordening dat de rechtbank ambtshalve moet toetsen of zij bevoegd is op grond van artikel 3 van de Verordening.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Verordening zijn de rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan de COMI van de schuldenaar gelegen is, bevoegd een insolventieprocedure te openen. De COMI is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is. Bij een rechtspersoon wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, de COMI vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn. Verder moet volgens rechtspraak van het HvJEU de COMI worden geïdentificeerd aan de hand van criteria die zowel objectief als voor derden verifieerbaar zijn. Die criteria moeten worden beoordeeld, rekening houdend met de individuele omstandigheden van het geval.
In dit geval is verweerster statutair gevestigd te Rotterdam (Nederland). Dit volgt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 18 november 2025. Dat betekent dat de Nederlandse rechter te Rotterdam in beginsel bevoegd zou zijn om een insolventieprocedure te openen. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het verzoekschrift volgt dat de COMI niet in Nederland is gelegen. In dat kader zijn de volgende omstandigheden redengevend:
Gelet op de voorgaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de COMI van verweerster niet in Nederland is gelegen. Van enig actueel aanknopingspunt met Nederland, met uitzondering van de statutaire zetel en de vestigingsplaats van de aandeelhouder, is niet gebleken. Verweerster voert het beheer over haar belangen kennelijk niet in Nederland. Verweerster oefent voor zover bekend geen economische activiteiten noch bestuurlijke taken uit in Nederland. Daarentegen zijn er wel aanwijzingen dat verweerster in België (dan wel in Roemenië) het beheer van zijn belangen voert, dan wel tot voor kort heeft gevoerd. Bovendien is dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende herkenbaar en verifieerbaar voor derden. Het voorgaande staat immers geregistreerd in publiekelijk toegankelijke handelsregisters van kamers van koophandel.
De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat in de mail van de heer [persoon B] van
4 november 2025 staat beschreven dat van VDB Projecten B.V. in België geen spoor te vinden is. Voor zover uit die mail al blijkt dat van VDB Projecten B.V. geen spoor te vinden is, dan zijn de overgelegde uittreksels alsnog van latere datum. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van die (officiële) uittreksels.
De rechtbank acht zich op grond van artikel 3 lid 1 van de Verordening niet bevoegd een insolventieprocedure te openen. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om het verzoek tot faillietverklaring in behandeling te nemen.
3. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart zich niet bevoegd om het verzoek tot faillietverklaring in behandeling te nemen.
Deze beschikking is op 11 maart 2026 gegeven door mr. M. Aukema, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier.