Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 83/151089-23 (ontneming)
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde],
gevestigd op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],
in deze procedure vertegenwoordigd door [naam 1],
raadsman mr. E. van Reydt, advocaat in Amsterdam.
1. Procedure
Na indiening van de vordering tot ontneming heeft de officier van justitie een conclusie van eis ingediend. Vervolgens zijn conclusies van antwoord, repliek en dupliek gewisseld. Op 9 mei 2025 is er een tussenbeslissing gegeven, inhoudende het horen van [naam 2] en [naam 3] als getuigen. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026.
2. Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 3 oktober 2024 (hierna: het vonnis in de strafzaak) is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld tot een geldboete van
€ 165.826,-. Het vonnis in de strafzaak is niet onherroepelijk.
3. Vordering
De vordering van de officieren van justitie mrs V.A.M.G. van de Bilt en A.M. Dingley - zoals deze na eiswijziging is komen te luiden - strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr in de zaak tegen de veroordeelde en [naam 1] (hierna: [naam 1]) op een bedrag van € 515.455,-;
- het opleggen aan de veroordeelde (en [naam 1]) van de (hoofdelijke) verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 515.455,- ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is
sprake van voordeel verkregen door middel van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde rechtspersoon is veroordeeld.
4. Standpunt verdediging grondslag/hoogte ontnemingsvordering
De verdediging heeft bij pleidooi aangegeven dat de eerder genomen conclusies van de zijde van de verdediging niet meer door deze raadsman worden gehandhaafd en voorts zijn de volgende argumenten naar voren gebracht op grond waarvan de conclusie is getrokken dat de veoordeelden geen, dan wel een lager bedrag – zoals aangegeven – dienen te betalen:
i. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zullen (telkens) de
daadwerkelijk door de veroordeelde ontvangen bedragen en niet de door haar gefactureerde bedragen in aanmerking kunnen worden genomen;
ii. Het voordeel genoten door de veroordeelde kan niet worden toegerekend aan [naam 1], althans de daartoe door het OM aangedragen motivering is ontoereikend;
iii. (Subsidiair) dient het wederrechtelijk verkregen voordeel van [naam 1] te
worden vastgesteld op een bedrag van € 42.500,-, zijnde het totaal aan door hem aan
het vermogen van de veroordeelde onttrokken gelden tijdens de in de hoofdzaken
bewezenverklaarde periode;
iv. De geldboete zoals opgelegd aan de veroordeelde moet in mindering worden gebracht op de berekening van het in haar zaak becijferde wederrechtelijk verkregen voordeel;
v. Er is sprake van een schending van de redelijke termijn, die dient te
worden verdisconteerd in de op te leggen betalingsverplichting(en).
Bij de beoordeling van de vordering wordt nader ingegaan op de door de verdediging gevoerde verweren.
5. Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) blijkt dat door middel van/uit de baten van deze feiten de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
6. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen zullen niet worden uitgewerkt, maar volstaan wordt met een samenvatting van de voor de schatting redengevende feiten en omstandigheden. De vindplaatsen daarvan zullen in voetnoten worden vermeld.
Naar aanleiding van verweren wordt over de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende overwogen.
In het ontnemingsrapport is op basis van een voorlopige tenlastelegging onderscheid gemaakt tussen tenlastegelegde feiten en andere feiten (ex artikel 36e, tweede lid, Sr). Dit onderscheid is komen te vervallen omdat in de definitieve tenlastelegging uiteindelijk ook de bedrijven CJSC Monalit 05, Skyparts FZCO en Cargoline LLC zijn vermeld. De omzettingshandelingen ten aanzien van deze bedrijven zijn door de rechtbank bewezen verklaard. De volledige opbrengst komt voort uit de bewezenverklaarde feiten.
De FIOD baseert de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op opbrengsten uit strafbare feiten ten bedrage van € 2.901.194,-, die de veroordeelde en [naam 1] in de periode van 26 februari 2022 tot en met 2 augustus 2023 hebben verkregen. De opbrengsten bestaan uit de opbrengsten per klant. Deze zijn in onderstaande tabel weergegeven.
De verdediging heeft ter onderbouwing van de stelling dat niet alle facturen ook daadwerkelijk zijn betaald, als voorbeeld verwezen naar AMB 067 uit het ontnemingsrapport.
Dit verweer wordt verworpen. De gedetailleerde per factuur opgebouwde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is met de enkele stelling van de verdediging dat niet alle facturen zijn betaald en niet in de berekening betrokken kunnen worden, onvoldoende gemotiveerd betwist.
Kosten
Bij de bepaling van de hoogte van het voordeel kunnen kosten in mindering worden gebracht die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten waarop het voordeel is gebaseerd en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen. De aftrekbare kosten worden gebaseerd op de financiële administratie van 2022 en worden bepaald op 82,2% van de wederrechtelijke opbrengsten, namelijk € 2.385.739,-.
Het verweer van de verdediging ad iv wordt verworpen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In de strafzaak is aan de veroordeelde een geldboete opgelegd van € 165.826,-. In het vonnis in de strafzaak overweegt de rechtbank daarover dat deze boete gelijk is aan het saldo op de rekeningen van de veroordeelde op het moment van de inval in het bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank vormde deze geldboete in dit geval een passende reactie op het ondermijnende gedrag van de veroordeelde. De rechter dient bij het vaststellen van de geldboete – op de voet van artikel 24 Sr – rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Niets staat eraan in de weg dat rechter daarbij acht slaat op vermogensbestanddelen waarover de verdachte (nog) beschikt en die de verdachte wederrechtelijk heeft verkregen. Dat met de geldboete wederrechtelijk voordeel wordt ontnomen is dus het gevolg van de straf, maar in dat effect ligt niet de rechtvaardiging. De geldboete is aan de veroordeelde ter vergelding en ter afschrikking opgelegd voor herstel van de rechtmatige toestand. Dat de boete is opgelegd met het doel wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen zoals de verdediging stelt, blijkt niet uit het vonnis. Het valt op principiële gronden niet in te zien waarom een gevangenisstraf wel, maar een vergeldende en afschrikkende geldboete als straf niet bestaanbaar zou zijn naast de ontnemingsmaatregel.
De rechtbank stelt vast dat vanwege het door de verdachte ingestelde appel tegen het vonnis in de strafzaak deze geldboete niet onherroepelijk is, zodat op dit moment de opgelegde geldboete als straf en niet ter ontneming beschouwd moet worden.
Toerekening
Bij de schatting van het te ontnemen voordeel is het uitgangspunt dat de veroordeelde in de vermogenspositie wordt gebracht waarin hij verkeerde voor het plegen van de strafbare feiten waaruit dat voordeel is genoten. Gelet hierop dient bij de bepaling van dat voordeel te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.
Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.
Vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel moet bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Daarbij mag onder omstandigheden door juridische constructies heen worden gekeken. Transparantie is bijvoorbeeld toegestaan wanneer juridische constructies (zijn beoogd om te) verhullen dat de betrokkene van een bepaald vermogensbestanddeel de economisch eigenaar (‘beneficial owner’) is en hem feitelijk de zeggenschap daarover en het genot daarvan toekomt. In zo’n geval moet de schijn plaatsmaken voor de werkelijkheid. Vermeden moet worden dat wederrechtelijk voordeel door de toepassing van schijnconstructies buiten het bereik van een ontnemingsmaatregel wordt gehouden. De rechtbank zal in de toewijzing van het vast te stellen bedrag de door de officier van justitie toegepaste verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel volgen.
Het saldo van de totale wederrechtelijke opbrengsten en de aftrekbare kosten is € 515.455,-. Dit wordt in het ontnemingsrapport verdeeld tussen de veroordeelde en [naam 1]. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde wordt gelijkgesteld aan het banksaldo van de veroordeelde aan het einde van de onderzoeksperiode, namelijk € 165.826,-. Het resterende deel, namelijk € 349.629,-, is toegekomen aan [naam 1].
Gezien het voorgaande en het door de officier van justitie in beslag genomen geld en andere (on)roerende goederen, zijn er voldoende aanknopingspunten voor toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde en [veroordeelde] afzonderlijk en ziet de rechtbank geen reden om de vastgestelde betalingsverplichtingen hoofdelijk aan de veroordeelde en [veroordeelde] op te leggen.
Conclusie
Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 165.826,-.
7. Vaststelling van de betalingsverplichting
Inleiding
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.
Verweer overschrijding van de redelijke termijn
De verdediging heeft bepleit dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is volgens de verdediging aangevangen met het verlenen van conservatoir beslag op 13 juli 2023. De officier van justitie heeft aangevoerd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende.
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 13 juli 2023, omdat op die datum door de officier van justitie een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag is aangevraagd vanwege onder andere de ontnemingsvordering. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en zeven maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met zeven maanden is overschreden.
Gelet op de ingewikkeldheid van (het voorbereidend onderzoek in) de hoofdzaak en de door de verdediging ingediende onderzoekswensen in de ontnemingszaak is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een relatief geringe overschrijding van de redelijke termijn van de procedure als geheel. De rechtbank zal daarom volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 47 HGEU en artikel 6, eerste lid, EVRM.
Conclusie
De slotsom is dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd om een bedrag van € 165.826,- aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 165.826,00 (zegge: honderdvijfenzestigduizend achthonderdzesentwintig euro);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 165.826,00 (zegge: honderdvijfenzestigduizend achthonderdzesentwintig euro) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.P. van de Beek, voorzitter,
en mrs. H.J. de Kraker en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 19 februari 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.