Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/108307-19
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Datum zitting: 6 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres: [adres], [postcode] te [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. N.P. van Dijk.
Officier van justitie: mr. M. Vollebregt
Kern van het vonnis
De verdachte was bijzonder opsporingsambtenaar bij de NS. In die hoedanigheid was hij samen met twee collega’s betrokken bij de aanhouding van een reiziger; daarbij is geweld gebruikt. Naar aanleiding daarvan is de verdachte vervolgd ter zake van openlijke geweldpleging en het opmaken van een vals (concept)proces-verbaal. Ter zake van de openlijke geweldpleging wordt hij ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij rechtmatig - binnen de grenzen van zijn ambtsinstructie - geweld gebruikt heeft. De verdachte wordt vrijgesproken van valsheid in geschrift omdat de door hem opgemaakte schriftelijke melding van geweldgebruik geen bewijsbestemming heeft.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 30 december 2018 te Rotterdam, openlijk, te weten op/aan de Stationssingel en/of de Provenierssingel, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [betrokkene] door meermalen, althans eenmaal,
- die [betrokkene] in de knieholte(s) te trappen/schoppen, ten gevolge waarvan hij is gevallen en/of
- die [betrokkene] in de buik te trappen/schoppen, ten gevolge waarvan hij is gevallen en/of
- op die [betrokkene] te gaan zitten en/of hem te fixeren en/of
- die [betrokkene] op/tegen de schouder te slaan/stompen en/of
- die [betrokkene] op/tegen het bovenlichaam te duwen;
2.
hij, in of omstreeks de periode van 30 december 2018 tot en met 14 januari 2019 te Rotterdam, een (gedeelte van een) concept proces-verbaal van bevindingen en/of een niet ondertekend proces-verbaal van bevindingen, zijnde een door hem, verdachte, opgemaakt geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door in voornoemd concept en/of niet ondertekend proces-verbaal
handelingen van hemzelf en/of collega’s [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] weg te laten, zoals
- het op [betrokkene] te gaan zitten, dan wel die [betrokkene] te fixeren door collega [medeverdachte 2] en/of
door in voornoemd concept en/of niet ondertekend proces-verbaal een onjuiste voorstelling van zaken weer te geven die niet overeenkomt met de camerabeelden, zoals
- de passage waarin verdachte samen met collega [medeverdachte 1] [betrokkene] een duw in de knieholte zou hebben gegeven en/of
- de passage waarin [betrokkene] in een vlotte beweging zou zijn opgestaan en in een verdachte beweging op verdachte zou zijn afgekomen en/of
door een onjuiste sluitingsdatum, te weten 30 december 2018, in voornoemd concept en/of niet ondertekend proces-verbaal te vermelden, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
2. Bewijs feit 1/vrijspraak feit 2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld ter zake van beide feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs en bij de kwalificatie van het feit 1 worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
De door de verdediging bepleite vrijspraak op grond van artikel 42 Sr zal, voor zover van belang, worden besproken bij de kwalificatie van het feit 1.
Feit 1:
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en onderstaande bewijsoverweging.
1. Verklaring van de verdachte
Ik heb [betrokkene] een trap in zijn buik gegeven.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de verdachte bij de politie Ik ben sinds drie jaar werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar bij service & veiligheid van de Nederlandse Spoorwegen (hierna: NS).
Ik zag op 30 december 2018 [betrokkene] op de Provenierssingel te Rotterdam richting de fietserstunnel van het Centraal Station Rotterdam (hierna: Station) lopen. Wij hebben toen [betrokkene] stond te urineren in de fietserstunnel een zet in de knieholte gegeven. Ik heb [betrokkene] een voorwaartse trap in de buik gegeven. Mijn collega [medeverdachte 2] paste een pijnprikkel, te weten een stomp of een slag, toe aan de zijkant van de verdachte [betrokkene].
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de [medeverdachte 1]
Ik ben sinds 2012 werkzaam als bijzonder opsporingsambtenaar bij service & veiligheid van de NS.
Toen [betrokkene] tegen de geval stond te urineren heb ik hem een zet mijn voet ter hoogte van de knieholte gegeven. Ik duwde de verdachte [betrokkene] van mij af. [betrokkene] liep naar collega [verdachte]. Mijn collega [verdachte] gaf een voorwaartse trap ter hoogte van de buik van de verdachte [betrokkene] die hierna naar de grond ging.
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de [medeverdachte 2]Ik ben sinds anderhalf jaar werkzaam als bijzonder opsporingsambtenaar bij service & veiligheid van de NS.
Ik zag dat mijn collega’s [betrokkene] een knietje gaven toen hij stond te urineren. Mijn collega [verdachte] gaf een voorwaartse trap in de maag van de verdachte [betrokkene]. Ik ging op de verdachte [betrokkene] zitten om hem aan te houden. Ik gaf de aangehouden verdachte [betrokkene] een pijnprikkel, te weten een doffe stoot, op zijn schouder om hem te boeien.
Nadere bewijsoverwegingen
Vast staat dat de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de nachtelijke uren van 30 december 2018 [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) slapend aantroffen op de vloer van een stilstaande trein op spoor 15/16 van het station. Zij maakten [betrokkene] wakker, zagen dat hij onder invloed van alcohol was en verzochten hem de trein te verlaten. [betrokkene] weigerde dit. De verdachte en medeverdachten zetten [betrokkene] vervolgens de trein uit. De verdachte en zijn medeverdachten begeleidden [betrokkene] buiten de toegangspoorten van het station aan de Provenierssingel. [betrokkene] ging binnen een kwartier echter tot twee keer toe opnieuw het station binnen en werd door de verdachte en de medeverdachten telkens uit het station gezet. [betrokkene] trapte dan tegen de toegangspoort aan de Provenierssingel. Na de laatste verwijdering uit het station liepen de verdachte en de medeverdachten op korte afstand met [betrokkene] mee en zagen zij hem urineren in de stationstunnel. De verdachte en de [medeverdachte 1] wilden deze overtreding stoppen en [betrokkene] aanhouden voor het verstoren van de openbare orde, rust en veiligheid.
Uit het dossier blijkt dat de camera’s in en aan het station hebben geregistreerd dat de verdachte en zijn medeverdachten [betrokkene] uit het station verwijderen en hem ten slotte trachten aan te houden. De rechtbank kan niet over de bewegende beelden beschikken. Er bevinden zich slechts (veelal vage) schermafdrukken van de bewegende beelden (stills) in het dossier. Dat maakt het moeilijk om te beoordelen in hoeverre de ter zake opgemaakte processen-verbaal adequate beschrijvingen van de bewegende beelden bevatten.
De rechtbank zal daarom de omschrijvingen van de stills behoedzaam beoordelen. Als uitgangspunt zal de rechtbank de stills en de verklaringen van de verdachten zelf aanhouden. Voor zover de beschrijvingen van de camerabeelden de overige verklaringen in het dossier ondersteunen, kunnen die verklaringen ook voor het bewijs worden gebruikt.
Op grond van de stills stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte en de [medeverdachte 1] stonden om [betrokkene] heen. [medeverdachte 1] duwde [betrokkene] in de richting van de verdachte. [betrokkene] hield zijn handen ter hoogte van zijn riem. De verdachte hield zijn arm in de richting van [betrokkene], kennelijk om hem op afstand te houden. [betrokkene] liep echter door in de richting van de verdachte. De verdachte trapte [betrokkene] vervolgens in de buikstreek, waardoor [betrokkene] op zijn rug viel. [betrokkene] lag ongeveer anderhalve minuut op zijn rug, waarbij zijn voeten niet bewogen. De verdachte en de [medeverdachte 2] rolden [betrokkene] op zijn rug. De elleboog van de [medeverdachte 2] kwam omhoog en ging met een snelle beweging naar beneden.
De [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op [betrokkene] is gaan zitten om hem aan te houden en dat hij [betrokkene] een doffe stoot heeft gegeven (zie 2.3.1 onder 4).
Partiële vrijspraak
De officier van justitie heeft betoogd dat uit de omschrijving van de camerabeelden door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] blijkt dat de verdachte en de [medeverdachte 1] [betrokkene] tijdens het urineren in de stationstunnel een trappende beweging in zijn knieholte hebben gegeven. De verdachte en de [medeverdachte 1] ontkennen dit en hebben bij de politie verklaard dat zij met hun voet een zet ter hoogte van de knieholte van [betrokkene] hebben gegeven.
De rechtbank volgt het betoog van de officier van justitie niet. De rechtbank kan zonder de bewegende camerabeelden niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen of de verdachte en de [medeverdachte 1] (met enige kracht) een trap/schop hebben gegeven. De rechtbank acht het door hun verdediging aangevoerde alternatieve scenario van een duw/zet met de voet in de knieholte niet uitgesloten. Dit betekent dat de rechtbank niet buiten gerede twijfel kan vaststellen dat zij een trap of schop hebben gegeven. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het tenlastegelegde trappen/schoppen.
Bewezenverklaring feit 1
Ten laste van de verdachte is bewezen dat:
hij, op of omstreeks 30 december 2018 te Rotterdam, openlijk, te weten op/aan de Stationssingel en/of de Provenierssingel, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [betrokkene] door meermalen, althans eenmaal,
- die [betrokkene] in de knieholte(s) te trappen/schoppen, ten gevolge waarvan hij is gevallen en/of
- die [betrokkene] in de buik te trappen/schoppen, ten gevolge waarvan hij is gevallen en/of
- op die [betrokkene] te gaan zitten en/of hem te fixeren en/of
- die [betrokkene] op/tegen de schouder te slaan/stompen en/of
- die [betrokkene] op/tegen het bovenlichaam te duwen.
Vrijspraak feit 2
De officier van justitie heeft betoogd - samengevat - dat de verdachte heeft beoogd een proces-verbaal op te stellen dat bestemd was om als bewijs van enig feit te dienen. Daarbij wijst de officier van justitie op de titel ‘proces-verbaal van bevindingen’, op de vorm, op het gebruikte briefpapier, op het taalgebruik, op de vermelding van de functie van BOA, op het akte- en het verbalisantennummer en op de vermelding van de ambtseed of ambtsbelofte. Volgens de officier van justitie beschouwt de NS een melding als door de verdachte opgemaakt ook als een proces-verbaal.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde concept-processen-verbaal geen geschriften zijn die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in artikel 225, eerste lid Sr.
Uit het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat hij het geweld dat hij ambtshalve toepaste, mondeling moest melden aan zijn leidinggevende of bij de wachtdienst. De leidinggevende/wachtcommandant registreert en toetst de geweldsmelding en stuurt deze door naar de toezichthouder. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ook in deze zaak het door hem gebruikte geweld volgens deze procedure mondeling heeft gemeld aan zijn leidinggevende, die hem in dit geval verzocht heeft om de melding op papier te zetten. Dit heeft de verdachte vervolgens gedaan.
De rechtbank leidt uit de bovengenoemde procedure af dat de initiële mondelinge geweldsmeldingen slechts bedoeld waren voor intern gebruik c.q. voor toetsing van het geweld door leidinggevenden of wachtcommandanten.
De enkele omstandigheid dat de verdachte op verzoek van zijn leidinggevende (in afwijking van de gebruikelijke gang van zaken) zijn melding op schrift heeft gesteld in de vorm van het in de tenlastelegging bedoelde concept ‘proces-verbaal van bevindingen’, brengt niet mee dat die melding diende tot bewijs van enig feit als bedoeld in artikel 225 Sr. Anders gezegd: ook deze schriftelijke melding, die niet was ondertekend, was bedoeld voor intern gebruik. Dit betekent dat de verdachte zal worden vrijgesproken van dit feit.
3. Kwalificatie en strafbaarheid feit
Kwalificatie feit 1:
Het bewezen feit is als volgt te kwalificeren:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft - kort samengevat - betoogd dat het door de verdachte toegepaste geweld rechtmatig was in de zin van artikel 42 Sr, omdat het voldeed aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte en de medeverdachten zonder noodzaak fors geweld hebben gebruikt tegen [betrokkene].
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie niet en overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat bij de strafrechtelijke beoordeling van geweldgebruik door opsporingsambtenaren terughoudendheid moet worden betracht. Beoordeeld dient te worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet en niet of de opsporingsambtenaar redelijkerwijs een andere keuze had kunnen of zelfs moeten maken.
Gelet op het hiervoor onder 2.3.2 omschreven gedrag van [betrokkene] was er voldoende grond om hem aan te houden.
Het had wellicht de voorkeur verdiend dat [betrokkene], toen hij urineerde in de stationstunnel, eerst was aangesproken of bij zijn arm of schouder was vastgepakt, maar de zet/duw met de voet in de knieholte van [betrokkene] die de verdachte en de [medeverdachte 1] hebben gegeven, blijft in de gegeven omstandigheden binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte en zijn medeverdachten hadden bij eerdere misdragingen van [betrokkene] meermalen vruchteloos minder ingrijpende middelen aangewend.
Het geven van een lichte duw door de [medeverdachte 1] tegen het bovenlichaam van [betrokkene] nadat die opgestaan was, voldoet onder de genoemde omstandigheden eveneens aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
De verdachte stond op dat moment op korte afstand van [betrokkene] en hield zijn arm in de richting van [betrokkene] om hem op afstand te houden. Toen [betrokkene] op hem bleef aflopen, heeft de verdachte hem in de buik getrapt. De verdachte heeft verklaard dat dit een aangeleerde geweldsuitoefening was en dat hij dit gedaan heeft uit een schrikreactie. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet ook dit handelen van de verdachte aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, in aanmerking genomen dat de recalcitrante [betrokkene] - die herhaaldelijk vergeefs op zijn gedrag was aangesproken - geen afstand bewaarde en zelfs op de verdachte afkwam.
[betrokkene] lag daarna op de grond en de [medeverdachte 2] ging op [betrokkene] zitten om hem de handboeien aan te leggen. Op de wazige foto (nummer 17) kan niet worden gezien of de aangehouden [betrokkene] zich hiertegen verzette. De verdachte heeft verklaard dat [betrokkene] zijn arm niet wilde geven en de [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [betrokkene] zijn arm aanspande. Dit scenario kan niet worden uitgesloten en komt aannemelijk voor. Het toepassen van een pijnprikkel voldoet onder deze omstandigheden eveneens aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Gelet op het vorenstaande hebben de verdachte en zijn medeverdachten geweld gebruikt in de rechtmatige uitoefening van hun taak en in overeenstemming met hun geweldsinstructie.
De rechtvaardigingsgrond, bedoeld in artikel 42, tweede lid, Sr, neemt daarom de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit weg, zodat het feit niet strafbaar is.
4. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak feit 2
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring feit 1
verklaart bewezen dat de verdachte het feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en ontslag van rechtsvervolging
stelt vast dat het bewezenverklaarde feit geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ter zake van dat feit van alle rechtsvervolging.
5. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. E. Laanen en M.M. Dolman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 maart 2026.