uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 januari 2026 in de zaak tussen
(de erven van) [verzoekster], gewoond hebbende in Rotterdam, verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van (wijlen) verzoekster tegen het besluit van het college van 6 augustus 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Met het besluit van 26 september 2024 heeft het college verzoekster een ondersteuningsarrangement ‘Ouderen & Somatiek’ toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), met ingang van 23 september 2024. De voorziening is toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) en gold in beginsel voor onbepaalde tijd.
Met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 heeft het college de toegekende voorziening met ingang van 10 augustus 2025 beëindigd, omdat verzoekster bij herhaling niet op een evaluatiegesprek is verschenen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De behandeling van het verzoek stond gepland op 30 oktober 2025. Bij brief van 21 oktober 2025 heeft het college de rechtbank meegedeeld dat verzoekster op 11 oktober 2025 is overleden. De zitting heeft daarom geen doorgang gevonden.
Bij mailbericht van 22 oktober 2025 heeft de rechtbank de zoon van verzoekster, [naam], gevraagd of er erfgenamen zijn die verzoekster als partij in dit geding willen opvolgen en het verzoek willen voortzetten. Hierop is niet gereageerd.
Bij brief van 24 november 2025 heeft de rechtbank de (eventuele) erfgenamen van verzoekster opgeroepen zich uiterlijk 3 december 2025 te melden.
Bij mailbericht van 2 december 2025 heeft [naam] de rechtbank bericht dat hij de zoon is van verzoekster en dat hij de procedure namens verzoekster wil voortzetten.
Ter onderbouwing van de familierechtelijke relatie heeft hij een uittreksel overgelegd uit de basisregistratie personen van de gemeente Barendrecht (brp-uittreksel).
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij gezien het door [naam] overgelegde brp-uittreksel geen reden heeft om aan te nemen dat [naam] niet de zoon is van verzoekster. Omdat een verklaring van erfrecht ontbreekt, heeft de voorzieningenrechter nog niet kunnen vaststellen of hij erfgenaam of een van de erfgenamen is.
3. Het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is dat [naam] als zoon van verzoekster nog wel belang heeft bij de voortzetting van deze procedure. Het gaat in deze zaak materieel gezien om de vraag of het college het aan wijlen verzoekster toegekende pgb terecht (met ingang van 10 augustus 2025) heeft beëindigd. Het geschil heeft daarmee dus ook deels betrekking op de toekenning van een pgb over de periode voorafgaand aan het overlijden van verzoekster. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden uitgesloten dat in die periode kosten zijn gemaakt die middels het gevraagde pgb (hadden) kunnen worden gedekt. Daarbij blijkt uit de stukken dat [naam] tevens mantelzorger van verzoekster en haar budgethouder was. De hiervoor bedoelde kosten vallen in de boedel van de overleden verzoekster. De voorzieningenrechter zal daarom bekijken of aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak kan worden toegekomen.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter zal daarom eerst beoordelen of (nog) sprake is van een spoedeisend belang.
5. De voorzieningenrechter stelt op grond van de mededeling van het college van 21 oktober 2025 vast dat verzoekster op 11 oktober 2025 is overleden. Met het overlijden van verzoekster is de noodzaak voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 komen te vervallen. Een pgb voor huishoudelijke ondersteuning is daarom op dit moment niet meer aan de orde. In deze zaak gaat het dus nog slechts om een financieel belang. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter niet in dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Het spoedeisend belang is daarmee aan deze zaak komen te ontvallen.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling of terugbetaling van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.
De rechter is verhinderd te tekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: