Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.326412.20
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Datum zitting: 4 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. H. Yilmaz
Officier van justitie: mr. J. Spaans
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. C.P. Zwaanswijk
Kern van het vonnis
De verdachte heeft tijdens een vechtpartij het slachtoffer meerdere keren met een mes gestoken. De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Het beroep op noodweer wordt verworpen. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 27 maanden op.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte er – samengevat – van dat hij het slachtoffer meermaals met een mes heeft gestoken. Het feitelijk handelen is door de officier van justitie juridisch gekwalificeerd als een poging tot doodslag (impliciet primair) en een poging tot zware mishandeling (impliciet subsidiair).
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
op of omstreeks 16 december 2020 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd worden bewezenverklaard en dat de verdachte moet worden veroordeeld voor poging tot doodslag.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft de tenlastegelegde gedraging bekend, zodat dit zonder nadere bespreking bewezen kan worden verklaard.
Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het handelen van de verdachte als een poging tot doodslag kan worden gekwalificeerd. Daartoe moet worden vastgesteld of de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.
De verdachte heeft het slachtoffer drie keer gestoken: aan de rugzijde van de borstkas, in de linkerflank en in de linker bil. Het slachtoffer heeft als gevolg van deze steekwonden een klaplong, een longbloeding en later ook een longontsteking opgelopen. Dit letsel was levensbedreigend: het werd in de letselverklaring ‘potentieel dodelijk’ genoemd.
Uit de verklaring van de verdachte en de overige bewijsmiddelen zijn aanwijzingen te ontlenen dat de verdachte wellicht niet zogenaamd ‘vol opzet’ op de dood van het slachtoffer heeft gehad. De verdachte verklaart dat hij geprobeerd heeft om het slachtoffer bij het steken niet zwaar te verwonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte in dit geval wel het risico genomen dat het slachtoffer door zijn handelen zou komen te overlijden. De kans daarop was aanmerkelijk: hij heeft meermaals gestoken, ook in het bovenlichaam waar de vitale organen zitten en één van de steken heeft ook daadwerkelijk een klaplong en een longbloeding bij het slachtoffer veroorzaakt. Daarmee is bij de verdachte sprake geweest van zogenoemd ‘voorwaardelijk opzet’.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 16 december 2020 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
3. Schriftelijk stuk, FARR verklaring
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging tot doodslag
Strafbaarheid van het feit
Standpunt verdediging
De verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte buiten zijn wil in een situatie terecht is gekomen waarin sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, althans een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, gericht tegen zowel hemzelf als tegen [medeverdachte].
[medeverdachte] werd door het slachtoffer aangevallen en vastgepakt. De verdachte heeft getracht om [medeverdachte] te bevrijden, maar dat lukte niet omdat het slachtoffer fysiek sterker en groter was. Daarna richtte de agressie van het slachtoffer zich ook op de verdachte, die door het slachtoffer werd bedreigd en ook moest meelopen. Het slachtoffer heeft daarna naar een derde geroepen om zijn ‘pijp/pipa’ te halen. De verdachte is naar zijn auto gerend en heeft daar een mes uit zijn lunchbox gehaald met het doel om het slachtoffer af te schrikken. Toen de situatie in eerste instantie de-escaleerde heeft de verdachte het mes weer terug naar de auto laten brengen.
Daarna is de situatie tussen het slachtoffer en [medeverdachte] weer geëscaleerd en is de verdachte weer tussenbeide gekomen. Daarbij is de verdachte geslagen en op de grond gevallen. Daarmee was ook tegenover de verdachte sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft daarna teruggeslagen. Hem werd vervolgens door iemand anders het mes weer in zijn hand geduwd. Toen het slachtoffer opnieuw op hem af kwam en de verdachte vreesde voor zijn leven, heeft hij zich verweerd door van zich af te steken.
De reactie van de verdachte was gelet op de ernst van de situatie proportioneel. Bovendien bestond er onder de omstandigheden geen reëel en minder ingrijpend alternatief om de aanval te beëindigen.
Oordeel van de rechtbank
Wat is er gebeurd? Beelden
De rechtbank hecht belang aan de camerabeelden die in het dossier zijn beschreven en die voor een deel ook ter zitting zijn bekeken. Op basis van die beelden en de dossierstukken staat naar het oordeel van de rechtbank het volgende vast.
Op 16 december 2020 is op het plein van de Reigerlaan in Vlaardingen een vechtpartij tussen het slachtoffer en [medeverdachte] ontstaan. De aanleiding was dat het slachtoffer verhaal kwam halen over geld dat [medeverdachte] kort daarvoor van [naam 1] zou hebben afgenomen. Op de beelden is te zien dat het slachtoffer boos afstormt op [medeverdachte] en hem vast pakt. [medeverdachte] is op dat moment met twee anderen, die gelijk na het vastpakken van [medeverdachte] naar de verdachte lopen en hem roepen. De verdachte komt vervolgens naar het handgemeen toegerend. Hij probeert [medeverdachte] kort los te trekken. Na vijf seconden loopt de verdachte weg naar zijn auto om een mes te pakken. Vlak nadat de verdachte is weggelopen, laat het slachtoffer [medeverdachte] los.
Ook als de verdachte met het mes terugkomt, hebben het slachtoffer en [medeverdachte] elkaar niet meer vast. De ruzie gaat kennelijk - aan de gebaren en bewegingen te zien - dan nog verbaal door en het slachtoffer en [medeverdachte] staan dreigend tegenover elkaar. De verdachte doet zijn jas uit, naar eigen verklaring om te laten zien dat hij niet bang voor het slachtoffer is. Hijhoudt het mes steeds in zijn rechterhand, dicht tegen zijn lichaam. Er ontstaat vervolgens mede door toedoen van de verdachte opnieuw geduw en getrek met het slachtoffer. [medeverdachte] en de verdachte richten zich daarbij ook tot [naam 1], die zich verder afzijdig houdt. Nadat het slachtoffer daar weer tussen is gaan staan, ontstaat opnieuw een fysieke confrontatie tussen het slachtoffer, de verdachte en [medeverdachte], waarbij ook de verdachte dreigend naar voren stapt en het slachtoffer duwt. Als het daarna weer rustiger wordt, geeft de verdachte het mes af aan een andere aanwezige, die het mes naar de auto van de verdachte brengt. De groep verplaatst zich vervolgens van de ene kant naar de andere kant van het plein in de richting van de Kraanvogellaan, waar de auto van het slachtoffer geparkeerd staat.
Het geruzie tussen het slachtoffer, de verdachte en [medeverdachte] gaat, blijkens de beelden, bij de Kraanvogellaan door. Een deel van dit tweede incident op de Kraanvogellaan is gefilmd. Het slachtoffer en [medeverdachte] staan dicht op elkaar. De verdachte loopt twee keer weg. Nadat de verdachte voor de tweede keer is teruggekomen, ontstaat een vechtpartij, waarbij vooral de verdachte en [medeverdachte] een aanvallende houding aannemen en zij het slachtoffer naar achteren dwingen. De verdachte, die op dat moment ook het mes weer bij zich draagt, probeert het slachtoffer onder meer te raken met een zwaaikick. Nadat de verdachte richting het slachtoffer heeft uitgehaald, rent hij weg en wordt hij vervolgens achtervolgd door het slachtoffer.
Verklaringen
De verklaringen van het slachtoffer, [naam 1], [medeverdachte] en de verdachte over het verloop van de confrontatie lopen op veel punten uiteen. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij op enig moment naar zijn auto wilde lopen om weg te gaan, dat hij daar door [medeverdachte] en de verdachte werd aangevallen en dat hij uiteindelijk door de verdachte is gestoken. De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het conflict niet agressief is geweest, dat het slachtoffer [medeverdachte] juist voortdurend heeft vastgepakt en dat hij steeds tussenbeide is gekomen. Nadat ook hij door het slachtoffer werd geslagen, heeft hij in paniek en uit verdediging met het mes gestoken, dat hij inmiddels weer in zijn handen gedrukt had gekregen. [medeverdachte] heeft verklaard dat juist hij en de verdachte met veel geweld door het slachtoffer zijn aangevallen en dat de verdachte meerdere klappen op het hoofd heeft gehad. Hij heeft bij de verdachte geen mes gezien.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer alleen kan slagen als sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die noodzaakt tot verdediging.
De gebeurtenissen strekten zich uit over enige minuten. Daarin zijn op basis van de beelden globaal twee fases te onderscheiden. Uit de feiten blijkt dat de verdachte in de eerste fase naar het conflict tussen het slachtoffer en [medeverdachte] is gerend en binnen vijf seconden is weggelopen om een mes te halen. Op dat moment gebeurde er niet meer dan het vastpakken van [medeverdachte]. Niet is gebleken dat iemand anders ook een wapen had. De rechtbank is van oordeel dat de situatie waarin de verdachte zich heeft begeven weliswaar (van beide zijden) bedreigend is geweest, maar dat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zichzelf of [medeverdachte] moest verdedigen, laat staan door middel van een mes. Ook al zou er op dat moment wel een dreigende situatie voor [medeverdachte] zijn geweest, dan was die situatie in ieder geval voorbij toen de verdachte besloot om het mes weer terug te laten brengen naar zijn auto. De verdachte heeft zelf ook verklaard dat het toen rustig was. Daarna is kennelijk een tweede fase in het conflict ontstaan. Van deze fase is niet duidelijk op de beelden te zien op precies welk moment het slachtoffer werd gestoken, op welk moment welke steekverwonding werd toegebracht en wat er hierna gebeurde. Duidelijk is wel uit de verklaringen dat de verwondingen door de verdachte zijn toegebracht in deze tweede fase.
Conclusies ten aanzien van het beroep op noodweer
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat [medeverdachte] en de verdachte zich in het opbouwen van de agressie naar de genoemde tweede fase niet van de situatie konden distantiëren en evenmin dat zij gedwongen werden om met het slachtoffer mee te lopen. [medeverdachte] en de verdachte bleven immers zelf ook steeds de confrontatie met het slachtoffer zoeken. De handelingen van de verdachte in de tweede fase op de Kraanvogellaan, zijn te midden van de ruzie te beschouwen als geweldshandelingen gericht tegen het slachtoffer en kunnen dan ook zeker niet worden gezien als louter verdedigende handelingen. Het beroep op noodweer wordt verworpen.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de zaak af te doen met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. In de nacht van 16 december 2020 is de verdachte betrokken geraakt bij een vechtpartij waarbij er over en weer tussen verschillende personen is geduwd, geslagen en geschopt. De verdachte heeft op enig moment het slachtoffer meerdere malen met een mes gestoken. Het slachtoffer heeft door het handelen van de verdachte potentieel dodelijk letsel opgelopen. Het had voor het slachtoffer heel anders kunnen aflopen. De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Dit soort geweld heeft grote impact op een slachtoffer. Bovendien brengt dit soort geweld op de openbare weg gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee in de samenleving.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 januari 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Redelijke termijn
De redelijke termijn van berechting is in dit geval geschonden. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak zestien maanden. De redelijke termijn is gestart op 28 december 2020, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim 5 jaar verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met ongeveer 46 maanden is overschreden. De rechtbank zal daarmee bij het bepalen van de straf rekening houden in het voordeel van verdachte.
Oplegging straf
Bij de ernst van het feit past een gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook houdt de rechtbank rekening met het aandeel van het slachtoffer in het ontstaan en voortduren van de vechtpartij.
Alles afwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 27 maanden op zijn plaats.
5. Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 24 juni 2021 geschorst.
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De rechtbank wijst dat verzoek toe. De gronden waarop de voorlopige hechtenis is gebaseerd, te weten de geschokte rechtsorde en de recidivegrond, zijn niet meer aanwezig.
6. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor feit € 375,- als vergoeding voor materiële schade en € 15.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd. Daarnaast wordt een verhoging van de vordering van € 100.000,- gevraagd voor toekomstige schade. De benadeelde partij heeft verzocht om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 15.375,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering met betrekking tot de toekomstige schade. Verder moet de verzochte hoofdelijke veroordeling worden afgewezen.
Standpunt van de verdediging
Het primaire standpunt is dat de vordering van de benadeelde partij in het geheel moet worden afgewezen, omdat de verdachte gerechtigd was zichzelf te verdedigen. Het subsidiaire standpunt is dat de benadeelde partij in de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de onderbouwing onduidelijk is. De vordering tot vergoeding van de immateriële schade moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Hierbij moet ook de eigen schuld van de benadeelde partij worden meegewogen. Verder moet de vordering met betrekking tot de toekomstige schade ook worden afgewezen, vanwege het ontbreken van een onderbouwing.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte
€ 375,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De rechtbank houdt ook rekening met de op dit moment gebleken aard en ernst van het letsel. De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit drie steekwonden opgelopen, te weten aan de rugzijde van de borstkas, in de linkerflank en op de linker bil. Hij had ook een klaplong, een longbloeding en later een longontsteking. Uit de FARR-verklaring volgt dat het letsel potentieel levensbedreigend was. De benadeelde partij heeft als gevolg van dit letsel vijf dagen in het ziekenhuis gelegen. De benadeelde partij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hij als gevolg van de steekwonden blijvend letsel heeft opgelopen.
Bij de begroting is rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op categorie ‘Minder ernstig borstletsel’ (paragraaf 4.1 onder D) van de ‘Rotterdamse Schaal’ ( een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen). Dit alles in samenhang bezien betekent dat de vordering tot een bedrag van € 9.500,- wordt toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 9.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Toekomstige schade
De vordering met betrekking tot toekomstige schade ziet op onzekere toekomstige gebeurtenissen en vergt een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De benadeelde partij wordt in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 16 december 2020.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 74 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 27 (zevenentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij]
, te betalen een bedrag van € 9.875,-, bestaande uit € 375,- als vergoeding van materiële schade en € 9.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2020 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door een andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het deel van de vordering met betrekking tot de toekomstige schade (€ 100.000,-); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 9.875,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 18 december 2020 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 74 (vierenzeventig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 18 maart 2026.