Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.319441.25
Datum zitting en uitspraak: 13 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. G.N. Weski
Officier van justitie: mr. S. Katib
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - een vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad, heeft gehandeld in cocaïne, heeft gehandeld in vuurwapens en 186 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.hij op of omstreeks 23 november 2025 te Dordrecht een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd flobert pistool naar een kogelverschietend pistool, van het merk Grand Power, model G9F, kaliber 9 millimeter br c (9 x 17 mm) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, onder 4 gelet op artikel 2, lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 2 kogelpatronen van het kaliber 9 millimeter br c (9 x 17 mm) voorhanden heeft gehad.
2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 juni 2025 tot en met 23 november 2025 te Dordrecht en/of Vlaardingen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een of meerdere handels/ gebruikers) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3.hij in of omstreeks de periode van 02 november 2025 tot en met 21 november 2025 te Dordrecht en/of Vlaardingen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, één of meer wapen(s), als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II en III van de Wet wapens en munitie en/of één of meer stuk(s) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer (omgebouwd(e)) (gas/alarm) revolver(s) en/of één of meer pisto(o)l(en) en/of één of meer automatische vuurwapen(s), en/of (daarbij) één of meer (voor die vuurwapens geschikte) munitie, te weten kogelpatronen; zonder erkenning in de uitoefening van een bedrijf heeft verhandeld en daar een beroep of gewoonte van heeft gemaakt.
4.hij op of omstreeks 23 november 2025 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 186 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 3. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.hij op 23 november 2025 te Dordrecht een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd flobert pistool naar een kogelverschietend pistool, van het merk Grand Power, model G9F, kaliber 9 millimeter br c (9 x 17 mm) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en voor dit vuurwapen geschikte munitie in de zin van artikel 1, onder 4 gelet op artikel 2, lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 2 kogelpatronen van het kaliber 9 millimeter br c (9 x 17 mm) voorhanden heeft gehad.
2.hij in de periode van 24 juni 2025 tot en met 23 november 2025 te Dordrecht en Vlaardingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk telkens heeft verkocht, cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
4.hij op 23 november 2025 te Dordrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 186 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Vrijspraak
Feit 3 is niet bewezen. Hoewel in de telefoon van de verdachte diverse foto’s van wapens zijn aangetroffen en chats waarin over wapens en geldbedragen wordt gesproken, is dit onvoldoende basis om overtuigend te bewijzen dat de verdachte zonder erkenning in de uitoefening van een bedrijf wapens heeft verhandeld en daar een beroep of gewoonte van heeft gemaakt als bedoeld in artikel 9 van de Wet Wapens en Munitie. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit feit.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1.
- Verklaring van de verdachte
- Proces-verbaal van de politie
- Schriftelijk stuk, kennisgeving van inbeslagneming
- Proces-verbaal van de politie
2.
- Verklaring van de verdachte
- Proces-verbaal van de politie
4.
- Verklaring van de verdachte
- Schriftelijk stuk, kennisgeving van inbeslagneming
- Proces-verbaal van de politie
- Deskundigenverslag van het NFI
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1.
de eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
2.
het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
4.
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd in het rapport van 4 februari 2026.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter zitting verzocht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een taakstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en 2 bijhorende patronen. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het verhandelen van cocaïne en het opzettelijk aanwezig hebben van 186 gram cocaïne. Dit zijn ernstige feiten. Het aanwezig hebben van een vuurwapen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de maatschappij. Dat geldt ook voor harddrugs. Cocaïne is schadelijk voor de volksgezondheid. Daarnaast gaan de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, zoals het gebruik van vuurwapens en veroorzaken van overlast.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 januari 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
- Rapport van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsrapport van 4 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte worstelt met zijn verleden en hulp nodig heeft om niet langer zijn emoties te dempen met drugs of alcohol. De verdachte staat daarvoor open. Ook meldt de reclassering dat de verdachte vanwege de detentie zijn woning dreigt te verliezen, wat (ook) problematisch is vanwege de zorg die de verdachte draagt voor zijn zoon.
- Overige persoonlijke omstandigheden
Op de zitting heeft de verdachte verteld over zijn 6-jarige zoontje, die op dit moment niet bij zijn moeder (de ex-vriendin van de verdachte) kan verblijven, omdat zij met een crisismaatregel is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarom wordt een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest opgelegd, waarvan 7 maanden voorwaardelijk. Het voorarrest van de verdachte is 24 november 2025 gestart. Dit betekent dat de verdachte bijna 3 maanden in voorarrest zit en daarom op heel korte termijn vrijkomt. Vanwege de ernst van de strafbare feiten wordt daarnaast aan de verdachte een taakstraf van 240 uur opgelegd.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie middelengebruik, ambulante behandeling, dagbesteding, aflossing schulden en beheersing middelengebruik. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
5. In beslag genomen voorwerpen
De rechtbank beslist in overeenstemming met het verzoek van de officier van justitie tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 750,- (goednummer: [nummer 1]) aan de verdachte.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 26 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 4, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 7 (zeven) maanden van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 6 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
In beslag genomen voorwerpen
- beveelt de teruggave van het geldbedrag van € 750,- (goednummer: G7059287) aan de verdachte.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. I. Tillema en B.C.M. Sprenger, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 februari 2026.
Mrs. Janssen en Sprenger zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.