ECLI:NL:RBROT:2026:3988

ECLI:NL:RBROT:2026:3988

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 10-043169-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vrijspraak verkrachting. Het aangetroffen spermaspoor dat aan de verdachte kan worden gelinkt, bevestigt weliswaar dat er seksuele handelingen hebben plaatsgehad, maar niet dat dit tegen de wil van de aangeefster was. Bij gebreke van steunbewijs voor dwang, zal de verdachte worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verkrachting. Bewezenverklaring van subsidiair tenlastegelegde ontucht met minderjarige. Ten tijde van de seksuele handelingen was sprake van een leeftijdsverschil tussen verdachte en aangeefster van twee jaar en er was geen sprake van een affectieve relatie. De seksuele handelingen hebben daarbij plaatsgevonden in een loods op het bedrijfsterrein van de vader van de verdachte. Verder blijkt uit de aangifte dat van gelijkwaardig seksueel contact geen sprake is geweest. Veroordeling tot één maand voorwaardelijke jeugddetentie en een taakstraf (werkstraf) van 100 uur. Toewijzing schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,-.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10-043169-25

Datum uitspraak: 17 maart 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [postcode] [plaats] ,

raadsman mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 maart 2026.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.C. Brandwijk heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Bewijswaardering

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde verkrachting. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat er sperma van de verdachte is aangetroffen op de grond naast de bank waar zij onder dwang seks hebben gehad. Dat is precies de plek, zoals door aangeefster is aangegeven, waar zij sperma van de verdachte heeft uitgespuugd. De wisselende verklaring van de verdachte acht de officier van justitie ongeloofwaardig.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. De verklaring van aangeefster staat lijnrecht tegenover de verklaring van de verdachte. De seksuele handelingen tussen de verdachte en het slachtoffer hebben volgens de verdachte vrijwillig plaatsgevonden. De verklaring van aangeefster is niet betrouwbaar en wordt onvoldoende ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Omdat de verklaring van aangeefster niet kan worden gebruikt voor het bewijs is er niet voldaan aan het bewijsminimum. De verdachte zal moeten worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verkrachting en de subsidiair ten laste gelegde ontucht.

Beoordeling

Op 2 juni 2024 hebben de verdachte en aangeefster met elkaar afgesproken bij het bedrijfspand van de vader van de verdachte in [plaats] . Zij zijn vervolgens naar de ‘chillplek’ in het bedrijfspand gegaan en hebben daar op de bank een film gekeken. Op de bank hebben seksuele handelingen plaatsgevonden, waaronder het pijpen van de verdachte door aangeefster. De verdachte heeft de seksuele handelingen aanvankelijk ontkend, maar in zijn tweede verhoor en ter terechtzitting heeft hij bekend dat deze hebben plaatsgevonden. Dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden staat dus niet ter discussie. De verklaringen van de verdachte en aangeefster lopen uit een waar het gaat om de vraag of deze seksuele handelingen tegen de wil van de aangeefster hebben plaatsgehad

Sprake van dwang? (primaire feit)

De rechtbank stelt voorop dat in een zedenzaak zich vaak de situatie voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de seksuele handelingen en dat zij allebei iets anders verklaren over wat er is gebeurd. In dit geval wordt door aangeefster en de verdachte verklaard dat er dezelfde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De (eerste) vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of hierbij sprake is geweest van dwang, en daarmee verkrachting.

De kern van het dwangkarakter valt onder de oude wetsbepaling van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Van dwingen door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid als bedoeld in artikel 242 Sr kan slechts sprake zijn indien de verdachte heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de seksuele handelingen tegen de wil heeft ondergaan en dat de seksuele handelingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest. De door de verdachte uitgeoefende dwang moet dus van voldoende kaliber zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken. Bovendien moet kunnen worden bewezen dat de verdachte opzet op het dwingen heeft gehad en moet er een causaal verband bestaan tussen de dwangmiddelen en de seksuele handelingen.

De rechtbank overweegt dat aangeefster helder en gedetailleerd heeft verklaard dat er sprake is geweest van dwang. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar en aannemelijk is, mede in het licht gezien van de wisselingen in de verklaringen van de verdachte. Temeer omdat de verdachte pas heeft verklaard door de aangeefster te zijn gepijpt, nadat hij bekend raakte met de DNA-resultaten uit een ter plaatse aangetroffen spermaspoor. Hoezeer dat ook de vraag oproept of hij de waarheid spreekt, kan dit niet dienen als steunbewijs voor de voor verkrachting vereiste dwang (onder het hier geldende artikel 242 Sr (oud)). De aangifte is op zichzelf onvoldoende om de dwang te bewijzen. De wet eist namelijk dat de verklaring van aangeefster wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, maar een dergelijk steunbewijs ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank in dit dossier. Het aangetroffen spermaspoor dat aan de verdachte kan worden gelinkt, bevestigt weliswaar dat er seksuele handelingen hebben plaatsgehad, maar niet dat dit tegen de wil van de aangeefster was. Bij gebreke van steunbewijs voor dwang, zal de verdachte worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verkrachting.

Sprake van ontucht?(subsidiaire feit)

De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of de seksuele handelingen te kwalificeren zijn als ontuchtige handelingen. Artikel 245 Sr stelt in beginsel alle ontuchtige handelingen, gepleegd met jeugdigen beneden de leeftijd van zestien jaar strafbaar. De aangeefster was ten tijde van het tenlastegelegde feit vijftien jaar. Dat betekent dat de seksuele handelingen ontucht opleveren, tenzij er contra-indicaties in het dossier aanwezig zijn waardoor het ontuchtig karakter, en daarmee de wederrechtelijkheid, daaraan komt te ontvallen. De ontuchtigheid van het handelen kan bijvoorbeeld ontbreken als sprake is van vrijwillig seksueel contact tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en een affectieve relatie hebben. De vraag of de handelingen ontuchtig zijn, dient steeds te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval.

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de seksuele handelingen sprake was van een leeftijdsverschil tussen verdachte en aangeefster van twee jaar en dat tussen hen geen sprake was van een affectieve relatie. De seksuele handelingen hebben daarbij plaatsgevonden in een loods op het bedrijfsterrein van de vader van de verdachte. Verder blijkt uit de aangifte dat van gelijkwaardig seksueel contact geen sprake is geweest. Aangeefster heeft ook verklaard dat de verdachte haar heeft uitgekleed en na het pijpen in haar mond is klaar gekomen, terwijl aangeefster dit niet wilde. Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank deze verklaring van aangeefster betrouwbaar. De verdachte heeft het klaarkomen in de mond van aangeefster ook toegegeven. De verdachte heeft aangeefster vervolgens na de seksuele handelingen vanaf de loods alleen naar huis laten fietsen en heeft haar de dag daarna – zonder nadere toelichting –geblokkeerd op sociale media en haar contactgegevens verwijderd. Verdachte heeft hier op zitting geen verklaring voor gegeven.

Op basis van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er in het dossier geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het ontuchtig karakter aan de seksuele handelingen is komen te ontvallen.

De rechtbank is aldus van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde ontucht bewezen is.

Conclusie

De verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Het subsidiair ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 2 juni 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] ,met [slachtoffer] , geboren op 19 februari 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:- het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer] ;- het betasten van de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer] ;- het brengen/duwen en/of houden van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft op zeventienjarige leeftijd ontuchtige handelingen gepleegd met het vijftienjarige slachtoffer, welke onder andere bestonden uit het betasten van het lichaam van het slachtoffer en het zich door haar laten pijpen. De verdachte heeft hiermee ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Met het verbod op het plegen van ontuchtige handelingen met personen onder de zestien jaar, heeft de wetgever jeugdige personen in bescherming willen nemen tegen het ondergaan van ontuchtige handelingen. Ontuchtige handelingen op zo’n jonge leeftijd brengen vaak langdurig psychische en emotionele gevolgen met zich bij een slachtoffer. Dat het handelen van de verdachte veel impact heeft gehad op het slachtoffer, blijkt ook uit de door haar voorgedragen slachtofferverklaring. Ook betreft het een feit dat tot grote verontwaardiging en onrust zorgt in de maatschappij. De verdachte heeft hier kennelijk niet, dan wel te weinig, bij stilgestaan.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Rapportage

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 9 december 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte was niet bereid om aan het onderzoek mee te werken. Het is de Raad niet gelukt om de verdachte en zijn ouders te spreken, ondanks meerdere pogingen daartoe. De verdachte en zijn ouders zijn zonder afmelding niet op de afspraak verschenen. De Raad beschikt over te weinig informatie over de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden en heeft daarom geen advies gegeven in de strafzaak.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank vindt het daarbij niet passend dat de verdachte op dit moment terug moet naar detentie en legt dan ook een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van één maand op. Gelet op het tijdsverloop zal daaraan een proeftijd worden verbonden van één jaar. Deze voorwaardelijke straf heeft als doel dat de verdachte in de toekomst niet opnieuw strafbare feiten zal plegen. De rechtbank ziet geen noodzaak om een contact- en locatieverbod op te leggen. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte, na ruim anderhalf jaar geen contact te hebben gehad, nu wel contact met het slachtoffer zal opnemen.

Daarnaast zal een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren, worden opgelegd. Deze straf dient ertoe dat de verdachte inziet dat zijn handelen niet zonder consequenties blijft.

8. Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De gevorderde schade is volgens de officier van justitie redelijk en aannemelijk, zodat het bedrag geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De vordering moet volgens de verdediging niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege het gevoerde vrijspraakverweer.

Beoordeling

Er is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De aard en de ernst van de normschendingen brengen in dit geval mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon op andere wijze, in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De rechtbank heeft gelet op wat er in vergelijkbare gevallen aan schadevergoeding is toegewezen. De schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.000,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 juni 2024.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 1 (één) jaar onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 98 (achtennegentig) uren te verrichten werkstraf resteren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 49 (negenenveertig) dagen;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.000,00 (hoofdsom, zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Stolk, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. D.I. Hendriks-van Wel en J. Groot, rechters, tevens kinderrechters,

in tegenwoordigheid van V.J.H. Mooren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op 2 juni 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:- het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer] ;- het betasten van de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer] ;- het brengen/duwen en/of houden van zijn penis in de mond van die [slachtoffer]waarbij het geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, bestond uit:- het op slot doen van de deur en/of vasthouden van (het hoofd) van die [slachtoffer] , als gevolg waarvan die [slachtoffer] niet aan de situatie kon ontsnappen;- het voorbij gaan aan de fysieke en/of verbale weertsand/uitingen van die [slachtoffer] dat zij de seksuele handelingen niet wilde;- Die [slachtoffer] een dwingende keuze voor te leggen tussen het neuken en pijpen van verdachte en/of (daarbij) die [slachtoffer] (dreigend) de woorden te roepen 'je moet iets kiezen, anders ga ik mijn pik in je kutje doen’ althans woorden van gelijke aard en/of strekking

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 2 juni 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] ,met [slachtoffer] , geboren op 19 februari 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:- het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer] ;- het betasten van de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer] ;- het brengen/duwen en/of houden van zijn penis in de mond van die [slachtoffer]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?