Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10-223925-25
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2012,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsvrouw mr. H. Yilmaz, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 maart 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. E.M.L. Warmoeskerken heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het primaire feit. Uit het dossier blijkt niet dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Ook omdat niet is vastgesteld welk vuurwerk is gebruikt.
Beoordeling
De rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij het explosief bij de woning aan de [adres 2] heeft afgestoken en dat hij wist dat het daarbij ging om twee cobra’s en een flesje benzine. Verbalisanten hebben vastgesteld dat het keukenraam en de overkapping zwart geblakerd waren en roken een sterke benzinelucht. Daaruit is af te leiden dat er bij de ontploffing gevaar voor goederen te duchten was. Bovendien heeft aangeefster verklaard dat het explosief afging, terwijl zij op dat moment met meerdere familieleden in de woning aan het eten was. De woning is verder gevestigd in een galerijflat met meerdere omliggende woningen en de explosie vond rond etenstijd plaats. Het is aannemelijk dat op dat moment ook andere mensen thuis waren. Uit het dossier volgt ook dat verdachten wisten dat er mensen in de portiekflat aanwezig waren, tenslotte zijn zij achter een medebewoner aangelopen om het portiek binnen te komen. Het handelen van de verdachte levert daarom een situatie op waarin naar algemene ervaringsregels ook een voorzienbaar levensgevaar voor anderen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
Conclusie
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft begaan.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij, op of omstreeks 23 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, bij een woning aan de [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen met een (zelfgemaakt) explosief, te weten een fles benzine met daaraan twee cobra's geplakt, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten andere goederen dan waaraan brand is gesticht, te duchten wasen/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de [adres 2] en/of bewoners en/of passanten van aanleunende (portiek)woningen te duchten was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan
gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een
ander te duchten is
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straffen
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op dertienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een explosie bij een woning. Hij heeft schade aangebracht aan de woning en de bewoners in gevaar gebracht. Daarbij heeft hij – zo blijkt uit de vorderingen van de benadeelde partijen – angst veroorzaak bij aangeefster en haar familieleden die op dat moment in de woning aanwezig waren. Uit de verklaring van de heer [slachtoffer 1] op zitting blijkt verder hoeveel impact de explosie op hem en zijn vierjarige dochter heeft gehad.
Het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning is een ernstig strafbaar feit en een zeer intimiderende vorm van geweld. Het zorgt in de samenleving voor grote gevoelens van onrust en onveiligheid en maakt een forse inbreuk op de rechtsorde. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij een dergelijk ernstig misdrijf heeft gepleegd, enkel voor financieel gewin.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 12 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: te noemen de Raad) heeft op 18 februari 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt het volgende in.
De verdachte bekent het feit, toont spijt en neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Hoewel de verdachte beïnvloedbaar is en moeite heeft om onder druk passende keuzes te maken, wordt de kans op herhaling als laag ingeschat. Er wordt geadviseerd om een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen. Daarnaast wordt geadviseerd om een deels voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van maximaal één jaar op te leggen. Een werkstraf kan bijdragen aan gedragsverandering en het verkleinen van de kans op herhaling. Het feit dateert van bijna een jaar geleden en de verdachte is first offender. Het strafadvies geeft een duidelijke boodschap af en biedt de verdachte de mogelijkheid om zijn begeleiding en jongerencoaching voort te zetten en aan zijn ontwikkeling te werken.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen JBRR) heeft op 27 februari 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt het volgende in.
De jeugdreclassering adviseert om een voorwaardelijke jeugddetentie zonder bijzondere voorwaarden en een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Op dit moment zijn er voornamelijk beschermende factoren. De verdachte – en zijn ouders – staan open voor hulp en trekken zelfstandig aan de bel als dat nodig is. De verdachte gaat naar school en vanuit school is er ook coaching. De jeugdreclassering vindt het voldoende om de verdere hulp voort te zetten binnen een vrijwillig kader (wijkteam).
Ter zitting heeft jeugdreclasseerder [persoon A] toegelicht dat zij geen jeugdreclassering adviseert, zodat het wijkteam de hulpverlening aan de verdachte kan voortzetten. De jongerencoach is vanuit school ingezet en kan aanblijven. Een onvoorwaardelijke werkstraf in plaats van een voorwaardelijke werkstraf is passender vanwege het vergeldend karakter.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal gelijk zijn aan de duur van het voorarrest van vier dagen. Dat betekent dat de verdachte niet terug gaat naar de jeugdgevangenis. Gelet op de adviezen van de deskundigen zal de rechtbank ook een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft als doel dat de verdachte in de toekomst niet opnieuw strafbare feiten gaat plegen. Anders dan de door de officier van justitie geëiste proeftijd van een jaar, zal daaraan een proeftijd worden verbonden van twee jaar.
De rechtbank volgt het advies van de jeugdreclassering en zal daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf aan de verdachte opleggen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.
8. Vorderingen benadeelde partijen
[slachtoffer 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 1] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 169,00 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 1] namens [slachtoffer 2]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 1] namens [slachtoffer 2] ,
ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 3]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 3] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 4]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 4] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De gevorderde bedragen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn – in relatie tot de vordering van de hoofdbewoonster Mathew – twee keer zo hoog en beperkt onderbouwd. De officier van justitie vindt dat er enig bedrag kan worden toegekend, maar refereert zich voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding aan het oordeel van de rechtbank.
De vordering van [slachtoffer 4] is voldoende onderbouwd, zodat het bedrag geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair aangevoerd dat alle vorderingen moeten worden afgewezen of niet-ontvankelijk moeten worden verklaard vanwege het gevoerde vrijspraakverweer.
Voor de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is subsidiair aangevoerd dat de vorderingen moeten worden afgewezen of niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat de bedragen niet voldoende zijn onderbouwd. Voor het materiële deel van [slachtoffer 1] zijn er geen facturen bijgevoegd en is er geen causaal verband tussen deze explosie en de geleden schade.
Voor de vordering van [slachtoffer 4] is subsidiair verzocht om het bedrag te matigen tot € 500,00. Daarvoor is aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd wat het causale verband is tussen deze explosie en de schade. Dat geldt ook voor de psychische schade.
Beoordeling
Materiële schade
Het gevorderde materiële bedrag van benadeelde partij [slachtoffer 1] voor de ringdeurbel en het abonnement is niet onderbouwd met stukken, zodat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Immateriële schade
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen in geval van een aantasting in de persoon “op andere wijze”. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarmee is vast komen te staan dat aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar vergelijkbare zaken.
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
De schade voor de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00 per benadeelde partij, zodat de vorderingen tot dit bedrag zullen worden toegewezen. Het resterende deel van de vorderingen wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vorderingen kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[slachtoffer 4]
Voor de benadeelde partij [slachtoffer 4] geldt dat – anders dan de hiervoor genoemde benadeelde partijen – de explosie bij haar eigen woning heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft de burgemeester als gevolg van verschillende explosies de woning gesloten en heeft zij een andere woonruimte moeten zoeken. Hoewel aan het besluit van de burgemeester meerdere explosies ten grondslag hebben gelegen, die niet allemaal aan de verdachte zijn toe te schrijven, is volgens de rechtbank wel vast komen te staan dat deze explosie aan de woningsluiting (en daarmee de geleden schade) heeft bijgedragen. Gezien het voorgaande zal de schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Op grond van artikel 6:169 van het Burgerlijk Wetboek zijn de ouders van de verdachte aansprakelijk voor deze schade, zodat zij daartoe zullen worden veroordeeld.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf 23 maart 2025.
Proceskosten
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen deels zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 1] een schadevergoeding betalen van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 2] een schadevergoeding betalen van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 3] een schadevergoeding betalen van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 4] een schadevergoeding betalen van € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Omdat de wet niet de mogelijkheid biedt een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten laste van ouder(s) van een minderjarige, die ten tijde van het tenlastegelegde feit jonger was dan 14 jaar, zal de schadevergoedingsmaatregel niet worden opgelegd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 94 (vierennegentig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;
stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de ouder(s) van verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de ouder(s) van verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (namens [slachtoffer 2] ) te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de ouder(s) van verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de ouder(s) van verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 4], te betalen een bedrag van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de ouders van de verdachte in de proceskosten door alle benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M. Stolk, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. D.I. Hendriks-van Wel en J. Groot, rechters,
in tegenwoordigheid van V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 23 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, bij een woning aan de [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen met een (zelfgemaakt) explosief, te weten een fles benzine met daaraan twee cobra's geplakt, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten andere goederen dan waaraan brand is gesticht, te duchten wasen/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de [adres 2] en/of bewoners en/of passanten van aanleunende (portiek)woningen te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 23 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk, een gebouw, te weten een woning, gelegen aan de [adres 2] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of Woonstad, althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), heeft/hebben vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.