Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/126786-25
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1], [postcode] in [plaatsnaam],
raadsman mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 17 maart 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. E. ter Braak heeft gevorderd:
- bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, te weten So-Cool Regulier.
4. Waardering van het bewijs
Bewezenverklaring feit 2
Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewijswaardering feit 1 primair
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 primair ten laste gelegde. Hiertoe is aangevoerd dat voor een bewezenverklaring sprake moet zijn van (voorwaardelijk) opzet. Uit het dossier en uit de verklaring van de verdachte blijkt niet dat hij wist dat in de container pakketten met cocaïne zaten, en ook niet dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. De verdachte was ten tijde van het feit nog geen vijftien jaar oud en kan gelet op zijn persoon worden aangemerkt als een kwetsbare en beïnvloedbare minderjarige. Uit het dossier blijkt voorts dat hij een ondergeschikte rol vervulde en door anderen werd aangestuurd.
Beoordeling
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 22 april 2025 hebben verbalisanten op het Rotterdamse haventerrein van de Europe Container Terminal (ECT) in een reefercontainer afkomstig uit Honduras met containernummer [containernummer] achter het inspectieluik 15 pakketten met cocaïne aangetroffen, met een totaal nettogewicht van 15 kilo. De pakketten zijn in beslag genomen en vervangen door dummypakketten waarbij een monster van 10 gram cocaïne is teruggeplaatst.
Op 25 april 2025 rond 01.00 uur werd de verdachte samen met de medeverdachte aangetroffen bij de reefercontainer. Op de grond naast de container lag een zwarte sporttas gevuld met dummypakketten en in de buurt van de container zijn nog twee dummypakketten aangetroffen.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte niet wist dat het om cocaïne ging, verwerpt de rechtbank. Het is algemeen bekend dat in de Rotterdamse haven op grote schaal harddrugs wordt ingevoerd en verstopt in zeecontainers, en dat voor het uit de containers halen van die drugs “uithalers” worden ingezet. Vaak zijn dit jongeren die verder niets met de drugs te maken hebben die tegen een forse beloning worden verleid een klus in de haven te doen. Uitgaande van de verklaring van de verdachte heeft hij een klus aangenomen van een persoon die hij verder niet kent, waar hij € 25.000,- voor zou krijgen. Hij heeft daar geen vragen over gesteld en hij heeft zich in de nacht van 25 april 2025 samen met de medeverdachte naar het afgesloten haventerrein laten brengen. De verdachte heeft door zo te handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de inhoud van de pakketten uit harddrugs bestond. De verdachte had daarom op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet op de invoer van de cocaïne. De tenlastegelegde hoeveelheid kan niet worden bewezen, omdat er slechts 10 gram cocaïne op één van de dummy pakketten zat.
Conclusie
Het onder 1 primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1
hij op of omstreeks 25 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in
artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 15 kilogram,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 25 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven, luchthaven en/of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het besloten terrein van Hapag-Lloyd Waalhaven en/of Hanseatic Global
Terminals, gelegen aan de [adres 2];
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
De eendaadse samenloop van:
1. primair
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de
Opiumwet gegeven verbod
en
2.
wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, en/of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer
verenigde personen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straffen
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De veertienjarige verdachte heeft samen met een hem onbekende man ’s nachts pakketten uit een container gehaald die op een afgesloten haventerrein stond. Een plek waar de verdachte niets te zoeken had. Hij heeft dit gedaan omdat een man die hij niet kende hem daarvoor € 25.000 had beloofd. De container was eerder door de douane onderzocht. Bij dat onderzoek had de douane 15 pakketten gevonden met daarin in totaal 15 kg cocaïne.
Alhoewel de rol van de verdachte als uithaler substantieel kleiner is dan van degenen die drugstransporten organiseren, is hij toch een belangrijke en onmisbare schakel voor de georganiseerde criminaliteit. Met zijn handelen heeft de verdachte dan ook een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Harddrugs vormen een groot gevaar voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat bovendien vaak direct dan wel indirect gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, met alle gevolgen van dien. Dit alles vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Rapportage en verklaring van de deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 december 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De kans op herhaling van een strafbaar feit is gemiddeld, maar er zijn in het leven van de verdachte omstandigheden die kunnen voorkomen dat de verdachte weer in de fout gaat. De verdachte heeft zich laten inzetten door een meerderjarige man. De verdachte lijkt tot dit gedrag te zijn gekomen, omdat hij zich onder druk gezet heeft gevoeld en geen 'nee' durfde te zeggen. De verdachte beschikte over onvoldoende oplossingsvaardig denkvermogen, wat passend is bij zijn leeftijd, om uit de greep van de man te komen. Daarnaast klonk het geldbedrag dat de man de verdachte aanbood hem aanlokkelijk.
De Raad is van mening dat de vaardigheden en het probleemoplossend vermogen van de verdachte gesterkt moet worden en vindt de leerstraf So-Cool Regulier daarom passend. De verdachte kan profiteren van de leerstraf en de vaardigheden die hij hier zal aanleren en kan inzetten om niet opnieuw in probleemsituaties terecht te komen.
De verdachte is niet eerder veroordeeld. Er bestaan wel risicofactoren, maar over het algemeen zijn er geen grote zorgen.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering), vertegenwoordigd door [naam] heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht: De jeugdreclassering staat achter het strafadvies van de Raad. De verdachte heeft zich tijdens zijn schorsing gehouden aan de afspraken. Het gaat goed met de verdachte op school en op zijn stageplek.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De rechtbank is van oordeel dat in de strafeis van de officier van justitie de ernst van de feiten onvoldoende tot uitdrukking komt. De rechtbank zal daarom een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Daarnaast zal de rechtbank, gelet op het gemak waarmee de verdachte zich heeft laten ompraten, een taakstraf opleggen bestaande uit een leerstraf So-Cool Regulier, zodat de verdachte leert om weerstand te bieden tegen anderen in risicovolle situaties en om betere keuzes te maken.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 138aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
9. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 1 maand;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;
stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde
zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject So-Cool Regulier;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. D.C.J. Peeck en N.M. Ketelaar, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 25 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in
artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 15 kilogram,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 april 2025, te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van een (grote) hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel
3a van die wet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit, door
- zich op het terrein van Hapag-Lloyd en/of Hanseatic Global Terminals te begeven,
gelegen aan de [adres 2], en/of
- een witte sporttas voorhanden te hebben, en/of
- één of meer (organisatie)telefoons voorhanden te hebben, en/of
- één of meer schroeven (afkomstig van de inspectieluiken van container
[containernummer]) voorhanden te hebben, en/of
- de schroeven van de inspectieluiken van container [containernummer] los te maken
en/of te verwijderen, en/of
- één of meer inspectieluik(en) van container [containernummer] te verwijderen, en/of
- één of meer pakketten uit (de inspectieluik(en) van) container [containernummer] te
verwijderen;
2
hij op of omstreeks 25 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven, luchthaven en/of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het besloten terrein van Hapag-Lloyd Waalhaven en/of Hanseatic Global
Terminals, gelegen aan de [adres 2].