Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-011615-25
Datum uitspraak: 10 april 2026
Datum zitting: 27 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. H.J.D. de Boer
Officier van justitie: mr. E.M. Blanken
Benadeelde partijen:
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich op 11 mei 2024 schuldig gemaakt aan de feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [slachtoffer 1] en in de periode van 30 oktober 2024 tot en met 4 januari 2025 aan de opzetaanranding van 10 andere slachtoffers. De rechtbank verwerpt de verweren dat de persoonlijke levenssfeer en de onschuldpresumptie van de verdachte zijn geschonden. Het tonen van beelden van de tot dan toe onbekend gebleven verdachte in de media was gerechtvaardigd en noodzakelijk voor de vaststelling van zijn identiteit. Er is niet gebleken van opsporingsberichtgeving waarin schuldvaststellingen zijn gedaan of dat de media-aandacht van wezenlijke, laat staan onaanvaardbare invloed is geweest op het verloop van het strafproces en de inhoud van verklaringen. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging. De verklaringen van de slachtoffers worden voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. In twee gevallen is gebruikgemaakt van schakelbewijs. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 22 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast wordt aan de verdachte opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht voor de duur van 2 jaar, inhoudende een locatieverbod voor de gemeente Rotterdam. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van opzetaanranding al dan niet voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 8] en (overeenkomstig de wetgeving van vóór 1 juli 2024) van feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [slachtoffer 1] .
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 20 september 2024 tot en met 4 januari 2025 te Rotterdam met personen , te weten [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 8] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door
- de billen aan te raken en/of vast te pakken en/of in de billen te knijpen van die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] ,
- met zijn hand in de broek van die [slachtoffer 3] te gaan en daarbij haar dijbeen aan te raken,
- zijn hand op de billen van die [slachtoffer 10] te leggen en met zijn vinger tussen haar billen te gaan,
- zijn hand tegen de billen van die [slachtoffer 6] te duwen en met zijn hand omlaag te glijden over/tussen haar bovenbenen,
- die [slachtoffer 7] op haar hoofd, nek, rug en billen aan te raken en te aáien en met zijn hand door haar haren te gaan,
- die [slachtoffer 2] bij haar billen aan te raken , in haar billen te knijpen en met zijn vingers in haar mond te gaan en tegelijkertijd zijn vingers tussen haar billen te drukken,
- die [slachtoffer 13] van achter te knuffelen en
- die [slachtoffer 8] bij haar benen vast te pakken, met zijn handen omhoog te glijden en haar billen vast te pakken,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij voornoemde personen daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding (al dan niet) werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- ( telkens) voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en voornoemde personen daarmee te overrompelen,
- die [slachtoffer 3] met de fiets aan te rijden en haar naar de grond te trekken,
- die [slachtoffer 12] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] op de fiets te achtervolgen en op korte afstand van hen te fietsen,
- die [slachtoffer 2] vast te pakken en tegen een reling aan te duwen en - die [slachtoffer 13] van de fiets af te trekken;
2.
hij op of omstreeks 11 mei 2024 te Rotterdam door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds te handelen en door de arm van [slachtoffer 1] vast te pakken, die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het aanraken van de billen en het kruis van die [slachtoffer 1] , het knijpen in de billen van die [slachtoffer 1] en het grijpen in het kruis van die [slachtoffer 1] .
2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat sprake is van een schending van de artikelen
6 en 8 EVRM waardoor het recht van de verdachte op een eerlijk proces tekort is gedaan. De persoonlijke levenssfeer van de verdachte en zijn onschuldpresumptie zijn geschonden omdat er in de media bewegende beelden zijn getoond waarbij de verdachte, zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, is aangemerkt als de serie-aanrander van Rotterdam.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces voor de verdachte en dat de officier van justitie daarom ontvankelijk is in de vervolging.
Oordeel van de rechtbank
Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Maatstaf hiervoor is of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en of deze inbreuk vervolgens gerechtvaardigd is, kunnen meerdere factoren van belang zijn, zoals de niet-limitatief opgesomde factoren uit de zgn. Kopschoppers-zaak (ECLI:NL:HR:2015:3024, r.o. 4.3.2). In deze gevallen is het niet nodig om (ook) te toetsen aan de beginselen van een behoorlijke procesorde of aan de hand van de factoren uit artikel 359a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
Het Openbaar Ministerie heeft in deze zaak privacy-gerelateerd beeldmateriaal van de verdachte in de media getoond. De rechtbank stelt vast dat dit een inbreuk oplevert van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Deze inbreuk was naar het oordeel van de rechtbank echter gerechtvaardigd. Het doel van de verspreiding was gelegen in herkenning van de tot dan toe onbekend gebleven verdachte, die verdacht werd van een serie ernstige strafbare feiten. Na meerdere meldingen van aanrandingen en uitgebreid onderzoek door de politie werden geen aanknopingspunten gevonden die leidden naar de identiteit van deze verdachte. De opgenomen beelden waren kenbaar en niet onvoorzienbaar, want vergaard in de openbare ruimte nabij het station Rotterdam Centraal. Tot slot was verspreiding een voorzienbaar gevolg van het strafbaar handelen van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de verspreiding niet alleen gerechtvaardigd, maar ook noodzakelijk was voor de vaststelling van de identiteit van de verdachte.
Daarnaast stelt de verdediging dat de onschuldpresumptie van de verdachte is geschonden omdat niet is onderzocht of sprake was van andere of verschillende verdachten. De waarheidsvinding is onomkeerbaar beïnvloed, waardoor geen sprake is van een eerlijk proces. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van een eerlijk proces geen sprake is. Niet is gebleken dat, zoals door de verdediging gesteld, ongenuanceerde opsporingsberichten zijn verschenen waarin schuldvaststellingen zijn gedaan over de/een serie-aanrander. Ook ziet de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat de media-aandacht van wezenlijke, laat staan onaanvaardbare invloed is geweest op het verloop van het proces in deze strafzaak en de inhoud van verklaringen, zodanig dat daardoor het recht op een eerlijk proces in het geding is gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van artikel 8 EVRM dan wel artikel 6 EVRM. Het verweer wordt daarom verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
3. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft voor beide feiten vrijspraak bepleit omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De standpunten van de verdediging worden voor zover van belang nader besproken in de bewijsoverweging.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte [slachtoffer 4] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] opzettelijk heeft aangerand, telkens voorafgegaan en/of vergezeld van dwang, in het geval van [slachtoffer 2] tevens voorafgegaan en vergezeld van geweld, en [slachtoffer 1] heeft aangerand. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.5.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen redengevende inhoud van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en onderstaande bewijsmotivering.
Inleiding
Op 29 december 2024 komen drie meldingen binnen bij de politie van aanrandingen die binnen een tijdsbestek van anderhalf uur zouden hebben plaatsgevonden. Drie vrouwen verklaren dat zij die nacht/in de vroege ochtend in het centrum van Rotterdam zijn aangerand. De politie constateert dat het signalement en de werkwijze, ofwel de modus operandi, in grote mate overeenkomt. De politie onderzoekt vervolgens of er meer meldingen zijn gedaan die passen bij het signalement en de modus operandi van de nog onbekende verdachte. De politie vindt twee soortgelijke meldingen van aanranding in de politiesystemen, die op 20 september 2024 en 10 november 2024 zouden hebben plaatsgevonden in het centrum van Rotterdam. De politie ontdekt nog een melding van aanranding op 10 november 2024 in de politiesystemen, die zo’n drie kwartier vóór de andere melding op die dag zou hebben plaatsgevonden met opnieuw een vergelijkbaar signalement en modus operandi. In het onderzoek naar deze melding zijn camerabeelden aangetroffen waarop de onbekende verdachte te zien is. Deze beelden zijn op 9 januari 2025 in een nieuwsbericht verspreid ter herkenning van de onbekende verdachte. Op 10 januari 2025 volgt een nieuwe melding van een aanranding die op 4 januari 2025 in het centrum van Rotterdam zou hebben plaatsgevonden.
Naar aanleiding van het nieuwsbericht herkent de meldster van de aanranding op 30 oktober 2024 de man op de beelden als haar aanrander. Het nieuwsbericht heeft ook nieuwe meldingen van aanrandingen in het centrum van Rotterdam en in het Kralingse Bos opgeleverd die op respectievelijk 11 mei 2024, 31 oktober 2024, 16 november 2024, 25 november 2024 en
26 december 2024 zouden hebben plaatsgevonden. De vrouwen besloten de aanrandingen te melden nadat zij de man uit het nieuwsbericht herkenden dan wel meenden te herkennen als hun aanrander. De nieuwe meldingen zouden voor wat betreft het signalement en modus operandi aansluiten bij die van de eerdere meldingen. De verspreiding van de beelden heeft daarnaast een anonieme herkenning en een anonieme tip opgeleverd. De man op de beelden zou [voornaam verdachte] worden genoemd en woonachtig zijn in Rotterdam Ommoord. De anonieme tipgever herkent de man als medewerker van een [naam garage] aan de [straatnaam] in Rotterdam. Uit onderzoek blijkt van een politieregistratie over deze garage waaraan de naam [verdachte] is gekoppeld. De verbalisant die de tip onderzoekt, vindt een foto van deze man in de politiesystemen, vergelijkt deze met een still van de beelden uit het nieuwsbericht en herkent de man op de camerabeelden vervolgens als [verdachte] (hierna: de verdachte). De eigenaar van de [naam garage] verklaart op 12 januari 2025 dat de verdachte tot anderhalve week daarvoor in zijn zaak heeft gewerkt. Een vriend van de verdachte verklaart hem op de beelden in het nieuwsbericht te herkennen. Iedereen in de buurt zou hem kennen en afstand van hem hebben genomen. Ook een andere aanwezige in de [naam garage] verklaart dat de verdachte daar werkte. Zijn broer zag hem een dag eerder op de fiets aan de Crooswijkseweg. Uit onderzoek blijkt dat de verdachte mogelijk in Spanje verblijft. De verdachte heeft eerder verklaard gebruik te maken van telefoonnummer [gsm-nummer] . Via een daaraan gekoppeld Snapchat- en Gmail account komt de politie uit bij twee IMEI-nummers, waarvan de IP-adressen eerst in België en later in Spanje uitstraalden. Op 14 april 2025 is de verdachte naar aanleiding van een Europees aanhoudingsbevel in Spanje aangehouden. De onderzochte IMEI-nummers en het telefoonnummer blijken te zijn gekoppeld aan het toestel dat bij de verdachte is aangetroffen.
Op de telefoon van de verdachte zijn selfies aangetroffen die passen bij het signalement. Daarnaast is hij door verschillende aangeefsters, verbalisanten, zijn voormalige werkgever en anonieme melders herkend op camerabeelden. Ook maakte zijn telefoon in veel gevallen gebruik van zendmasten in de directe omgeving van de aanrandingen, op de tijdstippen waarop deze zouden hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft desalniettemin vanaf het begin gezwegen over de beschuldigingen, ook daar waar een verklaring naar het oordeel van de rechtbank zeer wel op zijn plaats zou zijn.
De rechtbank ziet dat bijna alle meldingen op verschillende onderdelen grote overeenkomsten vertonen. In de eerste plaats is de modus operandi vrijwel steeds een man op een fiets die vrouwen achtervolgt en van achteren benadert op een openbare plek in Rotterdam, waarna hij in de meeste gevallen hun billen aanraakt, daarin knijpt of duwt. Opvallend is daarnaast dat de man na afloop vaak ‘sorry, sorry’ zegt en weer wegfietst. Ook het door de aangeefsters beschreven signalement komt in grote mate overeen. Zij beschrijven steeds een licht getinte of – meer concreet – Turkse, Marokkaanse, Armeense, Noord-Afrikaanse of Arabische man. Dit signalement komt overeen met het signalement van de verdachte. De aanrandingen vonden meestal in de vroege ochtend of tijdens de nachtelijke uren plaats en duurden niet lang. Tot slot vonden alle incidenten plaats in het centrum van Rotterdam of in het Kralingse bos.
Partiële vrijspraak feit 1
20 september 2024 ( [slachtoffer 3] )
Met de raadsman en anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de aanranding van [slachtoffer 3] niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 20 september 2024 omstreeks 00:30 – 00:45 uur aan de Prinses Breatrixlaan in Rotterdam is aangerand door een licht getinte, vermoedelijk Turks/Marokkaanse man op een fiets. Ze is tweemaal van achteren aangereden en naar de grond getrokken. De man deed zijn hand in haar broek ter hoogte van haar dijbeen.
De rechtbank acht de verklaring van aangeefster weliswaar betrouwbaar, maar de aangifte vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Aangeefster weet namelijk niet zeker of de man op de beelden in de media haar aanrander is, waardoor geen sprake is van een ondubbelzinnige herkenning. Bovendien passen het aanrijden, naar de grond trekken, tegenhouden en het stoppen van de hand in de broek niet bij de werkwijze van de verdachte, die zich kenmerkt door het onverhoeds maar zonder dusdanig geweld van achteren benaderen van vrouwen en het aanraken boven de kleding. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van opzetaanranding van [slachtoffer 3] .
29 december 2024 ( [slachtoffer 13] ) Met de raadsman en anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de aanranding van [slachtoffer 13] niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Meldster [slachtoffer 13] heeft verklaard dat zij op 29 december 2024 omstreeks 07:20 uur aan de Prinses Beatrixlaan van haar fiets is getrokken door een licht getinte man op een fiets. Hij heeft haar jas vastgehouden en haar van achteren geknuffeld.
De rechtbank acht ook deze verklaring betrouwbaar, maar de aangifte vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Het van de fiets trekken, aan de jas vasthouden en van achteren knuffelen past niet bij de werkwijze van de verdachte, die zich kenmerkt door het onverhoeds maar zonder dusdanig geweld benaderen van vrouwen en het aanraken van of duwen in de billen. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van opzetaanranding van [slachtoffer 13] .
Bewijsmotivering
Feit 1
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onderstaande onderdelen en feiten in de tenlastelegging. De aangiftes worden in chronologische volgorde besproken.
31 oktober 2025 ( [slachtoffer 9] )
Aangeefster [slachtoffer 9] heeft verklaard dat zij op 31 oktober 2024 omstreeks 21:00-21:10 uur aan de ’s-Gravendijkwal bij het Hoff-monument in Rotterdam is aangerand door een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk op een fiets. Ze merkte dat er iemand achter haar kwam en werd ineens in haar kont geknepen toen de man langs fietste. De man fietste daarna weg. Ze hoorde dat hij ‘sorry, sorry, sorry’ riep, vermoedelijk met een Noord-Afrikaans accent. Aangeefster zag de beelden van de man in de media en dacht direct ‘Dit is hem’ en heeft gelijk de politie gebeld. Het dossier bevat op meerdere punten ondersteuning voor de aangifte. Allereerst herkent de aangeefster de verdachte naar aanleiding van de beelden in de media. De verklaring van aangeefster dat zij de man direct en in zijn geheel herkende, vervolgens contact heeft opgenomen met de politie en niet zeker weet of ze de man na het zien van de beelden in de media nog steeds zou herkennen op basis van eigen herkenning of dat ze dan de beelden herkent, sterkt de rechtbank juist in haar overtuiging dat aangeefster in eerste instantie de man heeft herkend als haar aanrander. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de telefoon van de verdachte rond het tijdstip van de aanranding in de buurt van de aanranding heeft aangestraald. Het toestel raakt vanaf 21:11 uur steeds verder verwijderd van de plaats van de aanranding. De telefoongegevens komen overeen met het tijdstip waarop de aanranding heeft plaatsgevonden.
10 november 2024 ( [slachtoffer 10] ) Aangeefster [slachtoffer 10] heeft verklaard dat zij op 10 november 2024 omstreeks 04:17-04:42 uur aan de Mauritsweg in Rotterdam is aangerand door een licht getinte man van vermoedelijk Turkse afkomst op een fiets. De man kwam uit het niets naast haar fietsen. Ze voelde boven haar kleding een hand op haar billen en een vinger tussen haar bilspleet. De man fietste hierna weg. Aan het einde van de Mauritsweg en ter hoogte van de Stationssingel kwam de man weer naast haar fietsen, waarna de man wegfietste. De rechtbank is van oordeel dat het dossier op meerdere punten ondersteuning bevat voor de aangifte. Op basis van de route die aangeefster heeft verklaard te zijn gefietst, zijn camerabeelden uitgelezen. Hierop is de aanranding zelf niet vastgelegd, maar zijn aangeefster en een man op een fiets zichtbaar die de route afleggen zoals door aangeefster is verklaard. Deze man wordt op basis van de beelden door de verbalisant herkend als de verdachte.
De herkenning van de verdachte op de camerabeelden door de verbalisant is het resultaat van onderzoek naar aanleiding van de herkenning door een anonieme meldster, die de man in de media heeft herkend als medewerker van een garagebedrijf. De verbalisant komt bij een foto van de verdachte via een melding over het garagebedrijf waaraan zijn naam was gekoppeld. Deze foto is door de verbalisant vergeleken met de man in de media. De herkenning komt ook overeen met de anonieme tip waarin de man op de beelden is herkend als ‘ [voornaam verdachte] ’ en met de herkenning door zijn voormalige werkgever bij het garagebedrijf. Bij die stand van zaken kent de rechtbank ondersteunende bewijswaarde toe aan de herkenning door de verbalisant. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aangifte voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
10 november 2024 ( [slachtoffer 5] )
Aangeefster [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij op 10 november 2024 omstreeks 05:00-05:05 uur aan de Simonisstraat in Rotterdam is aangerand door een vermoedelijk Marokkaans/
Arabische man op een damesfiets. Ze was aan het telefoneren toen zij plotseling een hand onder haar lange jas voelde. De persoon voelde met zijn hand aan haar billen. Aangeefster zag hierna een man naast haar op een damesfiets. Ze hoorde dat hij ‘sorry, sorry’ zei. De man fietste door, stopte even en fietste daarna weg.
In de aangifte worden signalementen genoemd van de man en de aangeefster. Deze komen overeen met de personen op de camerabeelden. Daarnaast heeft de rechtbank stills van de camerabeelden op zitting getoond. Daarop is te zien dat de man op de fiets rookt. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ook rookt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aangifte voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen in het dossier.
16 november 2024 ( [slachtoffer 11] )
Meldster [slachtoffer 11] heeft verklaard dat zij op 16 november 2024 omstreeks 00:41-01:27 uur bij de ingang van een kantoorpand aan de Zomerhofstraat in Rotterdam is aangerand door een man op een fiets met een beetje een Turks uiterlijk. De man benaderde haar van achteren en greep met zijn hand naar haar bil. Hij kneep in haar rechter bil. Ze hoorde dat de man ‘sorry, sorry’ zei. Hierna fietste hij weg. Het signalement dat zij gaf van de man kwam overeen met het mediabericht van de serie-aanrander. Toen zij de beelden van de man in de media zag, herkende ze de man. Op de camerabeelden van het kantoorpand is zichtbaar dat een man op de fiets naar [slachtoffer 11] fietst en zijn rechterhand uitsteekt richting haar billen. De man op de camerabeelden is door de verbalisant herkend als de verdachte.
De rechtbank twijfelt niet aan de herkenning door de verbalisant, die de verdachte direct en voor honderd procent heeft herkend aan de hand van een fotovergelijking. De verbalisant herkent de verdachte specifiek aan zijn haarlijn, haviksneus en baardje. Daar komt bij dat de meldster haar aanrander ook heeft herkend op de beelden in de media.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte als aanranding kan worden beschouwd. Het onverhoeds van achteren benaderen van een voor hem onbekende vrouw gevolgd door het in de billen knijpen, ofwel het aanraken van een seksueel lichaamsdeel, kan niet anders worden opgevat dan een handeling van seksuele aard.
26 december 2024 ( [slachtoffer 12] )
Aangeefster [slachtoffer 12] heeft verklaard dat zij op 26 december 2024 omstreeks 07:00 uur aan de kruising Wytemaweg/ Mathenesserlaan in Rotterdam is aangerand door een man met een Arabisch uiterlijk op een fiets. Ze was hard aan het fietsen toen zij een man achter zich zag fietsen. Hij kwam schuin naast haar fietsen, keek haar aan en pakte haar al fietsend bij haar billen. Hij pakte haar rechter bil vast met zijn linker hand. Aangeefster voelde dat hij in haar bil kneep en zijn hand even op haar bil liet. De man liet los en keerde om toen ze vaart minderde. De man zat raar op zijn fiets, alsof het zilverkleurige fietsstuur veel te smal was. Aangeefster herkende de man na het zien van de foto in de media aan zijn gezicht, baard en kleding. Die waren precies hetzelfde.
De rechtbank ziet dat de telefoon van de verdachte tussen 04:49 en 05:23 op verschillende plekken maar wel steeds in de buurt van de aanranding heeft aangestraald. Vanaf 05:23 bevindt het toestel zich zo’n twee uur aaneengesloten in de omgeving van de Westblaak, maar om 07:20 straalt de telefoon weer aan bij een andere zendmast. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de nachtelijke uren en in de vroege ochtend onderweg is geweest en gedurende het tijdstip van de aanranding in de buurt was. De aangifte vindt daarom op relevante onderdelen steun in dit bewijsmiddel.
29 december 2024 ( [slachtoffer 7] )
Aangeefster [slachtoffer 7] heeft verklaard dat zij op 29 december 2024 omstreeks 04:45 uur aan de Bergweg in Rotterdam is aangerand door een man op een fiets. Ze fietste naar huis, toen ze op haar rug en in haar nek werd aangeraakt. Aangeefster keek om en zag een man dicht achter haar fietsen. Hij keek haar aan en vroeg: ‘Meisje, meisje, waar ga je heen?’ De man bleef naast haar fietsen, haar aankijken en haar voortdurend aanraken. Aangeefster probeerde hem kwijt te raken, waarna de man haar inhaalde en weer aan haar zat. Hij aaide haar jas, rug en billen. Daarna zat hij met zijn hand in haar nek en ging door haar haren. De man had een baard, snor en kort zwart haar. Aangeefster herkende hem op sociale media. Aangeefster zou de man voor honderd procent herkennen als ze hem nog een keer zou zien.
De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat om 05:13 uur twee personen achter elkaar over de Bergweg fietsen, één minuut later fietsen zij naast elkaar. Gelet op het door aangeefster beschreven traject en tijdstip van aanranding zien de camerabeelden op het tweede aanrakingsmoment, waarbij de man aangeefster van achteren inhaalt, naast haar komt fietsen en haar vervolgens o.a. over haar billen aait. De rechtbank ziet dat de telefoon van de verdachte tussen 04:29 en 05:03 uur op verschillende plekken heeft aangestraald. Deze zendmastlocaties bevinden zich allen in de nabijheid van de door aangeefster afgelegde route, ook de zendmast die om 04:45 uur is aangestraald. De aangifte vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte als een aanranding kan worden beschouwd. Het onverhoeds van achteren benaderen en achtervolgen van een voor hem onbekende vrouw gevolgd door het langdurig over de billen aaien, ofwel het aanraken van een seksueel lichaamsdeel, kan niet anders worden opgevat dan een handeling van seksuele aard. Ook het aanraken van de nek en met zijn hand door de haren van aangeefster gaan kan, gelet op de context, gezien worden als een aanraking van seksuele aard.
29 december 2024 ( [slachtoffer 2] )
Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 29 december 2024 omstreeks 05:50-06:15 uur aan de Rottekade in Rotterdam is aangerand door een licht getinte man met een fiets. De man had grove wenkbrauwen, een grote neus en moedervlekken op zijn gezicht, specifiek een grote dichtbij zijn mond. Aangeefster werd op enige afstand te voet gevolgd door de man. Ter hoogte van de Pompenburg (Couwenburg) kwam hij dichterbij. Bij de rails pakte hij haar van achteren met beide armen vast ter hoogte van haar borst. Bij het loslaten zei hij ‘sorry, sorry’. De man passeerde haar nog tweemaal op de fiets. De tweede keer raakte hij tijdens het passeren haar kont aan. De man fietste door, maar stopte verderop. Aangeefster probeerde tevergeefs mensen te bellen en besloot daarna naar huis te rennen. De man rende achter haar aan, pakte haar van achteren vast en deed twee vingers in haar mond. Met zijn andere hand probeerde hij tegelijkertijd twee vingers in haar kont te drukken, richting de anus. Het voelde alsof de man met zijn vingers op en neer ging in haar mond en kont. Opeens stopte hij. Aangeefster herkende de man in de media direct als haar aanrander. Ze herkende hem aan alles; zijn kleding (met name jas), fiets (zoals het frame) en gezicht.
Het signalement dat aangeefster heeft gegeven is ook zonder de plaatsaanduiding van de moedervlekken voldoende specifiek en onderscheidend, en komt overeen met dat van de verdachte. De rechtbank heeft ter zitting geconstateerd dat de verdachte opvallende moedervlekken in zijn gezicht heeft. Ook heeft aangeefster de man in de media ondubbelzinnig herkend als haar aanrander. De aangifte vindt dan ook voldoende steun in andere bewijsmiddelen.
4 januari 2025 ( [slachtoffer 8] )
Aangeefster [slachtoffer 8] heeft verklaard dat zij op 29 december 2024 omstreeks 08:00-08:10 uur aan de Heer Bokelweg in Rotterdam is aangerand door een licht getinte man. Ze zag een man staan voor de deur van David Lloyd en realiseerde zich dat het pand later open zou gaan. Onderweg naar huis kwam opeens een man van achteren aangelopen. Ze voelde dat hij haar kuiten vastpakte en met zijn handen pakkende bewegingen omhoog bewoog naar haar kont. Ze voelde dat de man haar kont vastpakte op haar rok, onder haar jas. Ze voelde druk op haar kont. De man raakte haar met twee handen precies in het midden van haar kont aan. Hij zei daarna: ‘I am so sorry, I am so sorry’. Later hoorde aangeefster de man de man vermoedelijk iets in het Arabisch zeggen. Ze herkende het specifieke Arabische accent. Hierna liep de man weg richting de fietsenstalling.
De rechtbank stelt vast dat de telefoon van de verdachte om 07:24 uur op de zendmast aan het Ammersooiseplein aanstraalt en dat om 07:25 en 07:30 de zendmast Weena 10 wordt aangestraald. Deze zendmast bevindt zich nabij de Heer Bokelweg, waar de aanranding heeft plaatsgevonden. De aangifte vindt volgens de rechtbank dan ook voldoende steun in de camerabeelden en het aanstralen van de telefoon van verdachte
Schakelbewijs
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de overige onderdelen en feiten in de tenlastelegging door het gebruik van schakelbewijs.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere bewezen verklaarde, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakelbewijs) is toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor de te bewijzen feiten voorhanden zijnde bewijsmiddelen. Voor een dergelijke bewijsvoering hoeft niet te worden vastgesteld dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit (HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118).
30 oktober 2024 ( [slachtoffer 4] ) en 25 november 2024 ( [slachtoffer 6] )
Aangeefster [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij op 30 oktober 2024 omstreeks 22:20 uur aan de Essenburgsingel in Rotterdam is aangerand door een licht getinte man op een fiets met een Arabisch uiterlijk. Aangeefster stapte uit de bus en zag bij het stoplicht een man staan met een zilveren fiets. Nadat aangeefster overstak en richting de Essenburgsingel liep hoorde zij stappen en geluiden achter zich. Ze draaide zich om en zag de man heel dichtbij fietsen. Aangeefster zag en voelde dat de man naar haar rechter bil greep en erin kneep. Hij fietste hierna een zijstraat van de Essenburgsingel in.
Aangeefster [slachtoffer 6] heeft verklaard dat zij op 25 november 2024 omstreeks 17:55 uur aan de Schiekade ter hoogte van de Provenierssingel in Rotterdam is aangerand door een getinte man op een fiets. De man had een grote neus en een Arabisch accent. Aangeefster zag vanuit haar ooghoek een fiets aankomen en keek automatisch over haar schouder, omdat ze zich afvroeg waarom iemand op het trottoir fietste. Het volgende moment voelde zij dat een hand tegen haar billen werd geduwd en omlaag gleed tussen haar bovenbenen. De man fietste na afloop rustig door. Aangeefster hoorde de man zeggen ‘sorry, sorry, sorry’. Bij het zien van de man op het nieuws meende ze er meer dan van overtuigd te zijn dat hij haar heeft aangerand. De beelden van de fiets met de man erop kwamen zeer overeen met hoe zij de man had zien wegfietsen.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de aanrandingen door het gebruik van schakelbewijs.
De rechtbank heeft in de inleiding uiteengezet dat en waar grote overeenkomsten worden gezien in de modus operandi, veelgebruikte bewoordingen na afloop, signalementen en overige omstandigheden in de verschillende zaken. De aangiftes van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] vertonen daarmee grote overeenkomsten, zoals het achtervolgen, van achteren benaderen, de billen aanraken, het signalement van de getinte/Arabische man op een fiets in het centrum van Rotterdam en – in het geval van [slachtoffer 6] – de kenmerkende ‘sorry, sorry’ na afloop. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overeenkomsten zo specifiek voor het gedrag van de verdachte, dat gesproken kan worden van een patroon in zijn gedrag. De bewijsmiddelen die voor de bewezen feiten zijn gebruikt mogen daarom ook worden gebruikt ter ondersteuning van de aangiftes van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] . In het bijzonder zijn daarvoor ondersteunend de herkenningen naar aanleiding van de veiliggestelde camerabeelden in de zaken [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] alsook de aangiftes waarin zij een vergelijkbaar signalement en modus operandi beschrijven.
Opzet Van opzetaanranding is sprake indien de verdachte seksuele handelingen verricht en daarbij opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt.
Het totaal onverwachts ofwel onverhoeds van achteren benaderen van voor hem onbekende vrouwen op straat gevolgd door het hen op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen. De verdachte moet zich bewust zijn geweest van de aantasting van hun seksuele integriteit en heeft de vrouwen bewust geen ruimte gegeven om hun vrije wil te uiten. De seksuele handelingen hebben steeds bestaan uit het aanraken, aaien, knijpen, duwen/drukken op of met zijn vinger tussen de billen drukken van de vrouwen, al dan niet in combinatie met andere aanrakingen. Daarmee is ten aanzien van alle onder feit 1 bewezenverklaarde aanrandingen sprake van opzetaanranding.
Gekwalificeerde opzetaanranding
Het Openbaar Ministerie heeft de bewezenverklaring gevorderd van gekwalificeerde opzetaanranding door toepassing van dwang. Gekwalificeerde opzetaanranding is de strafverzwarende variant van opzetaanranding, strafbaar gesteld in het tweede lid van artikel 241 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het Openbaar Ministerie beschouwt het onverhoeds handelen van de verdachte als dwang.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In de literatuur, wetsgeschiedenis en jurisprudentie wordt verschillend gedacht over de invulling van dwang als strafverzwarende omstandigheid in artikel 241 lid 2 Sr. Dit artikel is met ingang van 1 juli 2024 in de plaats getreden voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, voorheen strafbaar gesteld in artikel 246 (oud) Sr.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet Seksuele Misdrijven blijkt dat van dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr sprake is indien zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Voor dwang bestaat doorgaans aanleiding indien de verdachte weet dat de ander de seksuele handelingen niet wil en komt dus in beeld wanneer de wil bij de ander ontbreekt en de seksuele handeling toch wordt doorgezet. Er geldt een wat lager bewijsvereiste voor dwang dan onder de oude wetgeving, omdat volstaan kan worden met zodanige pressie dat de ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid had om een vrije keuze te maken. De pressie kan een veelheid van gedaanten aannemen en met gebruikmaking van verschillende middelen. Als voorbeeld van het een ander onmogelijk maken anders te handelen noemt de wetgever het veroorzaken van een fysiek beletsel, zoals overrompelen.
In de rechtspraak zijn meerdere uitspraken te vinden waarin onverhoeds handelen door overrompeling wordt uitgelegd als een vorm van dwang. Dit sluit naar het oordeel van de rechtbank aan bij de uitleg die de wetgever aan het strafverzwarende element heeft gegeven, reden waarom de rechtbank deze uitleg als uitgangspunt neemt.
De modus operandi van de verdachte bestond uit het onverhoeds van achteren benaderen van willekeurige vrouwen op straat. Verdachte heeft met deze aanpak de nietsvermoedende vrouwen compleet overrompeld, waardoor zij geen mogelijkheid hadden zich aan zijn seksuele handelingen te onttrekken. Na afloop scholden veel vrouwen hem uit, renden achter hem aan of zij probeerden zich alsnog aan de situatie te onttrekken door weg te rennen of fietsen. Een aantal van hen beschrijft de boosheid en/of angst die zij na afloop voelden. Daarmee is ten aanzien van alle onder 1 bewezenverklaarde feiten sprake van gekwalificeerde opzetaanranding.
Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van [slachtoffer 12] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 2] voorts de bewezenverklaring gevorderd van de strafverzwarende elementen geweld en bedreiging. Het Openbaar Ministerie beschouwt het achtervolgen van [slachtoffer 12] en [slachtoffer 7] en het vastpakken en tegen de reling duwen van [slachtoffer 2] als bedreiging en geweld. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in het geval van [slachtoffer 2] fysieke kracht en daarmee geweld heeft aangewend door haar vast te pakken en tegen de reling te duwen. Voor het overige spreekt de rechtbank de verdachte vrij van de strafverzwarende elementen bedreiging en geweld. Het enkel achtervolgen van de vrouwen is onvoldoende om van geweld en/of bedreiging te kunnen spreken.
Feit 2
10 mei 2024 ( [slachtoffer 1] )
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 10 mei 2024 omstreeks 13:30-13:40 uur aan het Lagelandsepad in het Kralingse bos is aangerand door een licht getinte, Arabisch/Turkse man op een fiets. De man had een dikke snor, volle dun geschoren baard, volle wenkbrauwen en zwart, opgeschoren haar dat bovenop wat langer was. Hij droeg een zwarte bodywarmer met daaronder een rode trui of vest en een zonnebril. Zijn haviksneus viel op. Tijdens het skeeleren werd aangeefster van achteren bij haar arm vastgepakt. Hierna ging een hand naar beneden, via haar rug naar haar billen, en naar voren bij haar kruis, waar ze werd gegrepen. Het was een vloeiende beweging met spanning, er zat best kracht in zijn hand. Aangeefster werd in haar bil geknepen voordat zijn hand verder naar beneden gleed. Hij gleed van achteren, haar billen, naar haar kruis en is met zijn hand tussen haar benen geweest. De man is van achteren naar haar toe gefietst. Aangeefster heeft de man een duw of tik gegeven, waarna de man wilde doorfietsen. Het is aangeefster daarna gelukt om met haar telefoon een foto van de man te maken.
De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster betrouwbaar. Zij heeft specifiek, gedetailleerd en consistent verklaard over de aanranding. De aangifte wordt bovendien op relevante onderdelen ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. Aangeefster heeft contact opgenomen met de politie, omdat zij de man op de foto die zij zelf heeft gemaakt met haar telefoon herkende als de serie-aanrander in de media. De man op de foto van aangeefster voldoet aan de beschrijving in haar aangifte en aan de beelden die in de media zijn getoond. Bovendien zijn op de telefoon van de verdachte selfies aangetroffen van één dag voor de gemelde aanranding door aangeefster, waarop de verdachte dezelfde kleding en zonnebril draagt. Ook staat naast hem een fiets die overeenkomt met de fiets op de foto van de aangeefster. Daarnaast hebben twee zedenrechercheurs de man op de foto van aangeefster aan de hand van een fotovergelijking direct en voor honderd procent herkend als de verdachte. Zij herkennen de verdachte aan zijn haarlijn, haviksneus en baardje.
De verdachte heeft aangeefster door een andere feitelijkheid gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De andere feitelijkheid heeft bestaan uit het onverhoeds van achteren benaderen van aangeefster en het bij de arm vastpakken, waardoor haar de mogelijkheid werd ontnomen zich aan de daaropvolgende ontuchtige handelingen te kunnen onttrekken. De ontuchtige handelingen bestonden uit het aanraken van haar billen en kruis, het knijpen in haar billen en het grijpen in haar kruis. De feitelijke aanranding van de eerbaarheid van aangeefster [slachtoffer 1] onder feit 2 is dan ook bewezen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.
hij in de periode van 30 oktober 2024 tot en met 4 januari 2025 te Rotterdam met personen, te weten [slachtoffer 4] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] , seksuele handelingen heeft verricht, door de billen aan te raken en in de billen te knijpen van die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] , zijn hand op de billen van die [slachtoffer 10] te leggen en met zijn vinger tussen haar billen te gaan, zijn hand tegen de billen van die [slachtoffer 6] te duwen en met zijn hand omlaag te glijden over/tussen haar bovenbenen, die [slachtoffer 7] op haar hoofd, nek, rug en billen aan te raken en te aaien en met zijn hand door haar haren te gaan, die [slachtoffer 2] bij haar billen aan te raken, in haar billen te knijpen en met zijn vingers in haar mond te gaan en tegelijkertijd zijn vingers tussen haar billen te drukken, die [slachtoffer 8] bij haar benen vast te pakken, met zijn handen omhoog te glijden en haar billen vast te pakken, terwijl hij, verdachte, wist dat bij voornoemde personen daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding (al dan niet) werd voorafgegaan door en vergezeld van dwang of geweld, door telkens voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en voornoemde personen daarmee te overrompelen, die [slachtoffer 12] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] op de fiets te achtervolgen en op korte afstand van hen te fietsen en die [slachtoffer 2] vast te pakken en tegen een reling aan te duwen.
2.
hij op 11 mei 2024 te Rotterdam door een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds te handelen en door de arm van [slachtoffer 1] vast te pakken, die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het aanraken van de billen en het kruis van die [slachtoffer 1] , het knijpen in de billen van die [slachtoffer 1] en het grijpen in het kruis van die [slachtoffer 1] .
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1
gekwalificeerde opzetaanranding, meermalen gepleegd
2
feitelijke aanranding van de eerbaarheid
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de voorlopige hechtenis en een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast moet aan de verdachte worden opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een locatieverbod voor de gemeente Rotterdam. Voor iedere overtreding volgt 2 weken vervangende hechtenis met een totale duur van ten hoogste 6 maanden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich in de periode van 11 mei 2024 tot en met 4 januari 2025 schuldig gemaakt aan 11 aanrandingen. Verdachte is al fietsend door Rotterdam op zoek gegaan naar willekeurige slachtoffers. De verdachte benaderde zijn nietsvermoedende slachtoffers van achteren, waarna hij hun billen aanraakte, aaide, daarin kneep, zijn vinger(s) tussen hun billen duwde of door hun kruis aan te raken dan wel daarin te knijpen. De verdachte ging stiekem te werk door steeds van achteren dichterbij te komen, totdat hij dichtbij genoeg was om de slachtoffers aan te raken. In enkele gevallen heeft hij hetzelfde slachtoffer meerdere malen benaderd en is hij hen gevolgd. In één geval is het slachtoffer achterna gerend en tegen een reling geduwd. Door het onverhoedse handelen van de verdachte konden de slachtoffers de handelingen niet voorkomen, zich daartegen verweren of zich daaraan onttrekken. Twee slachtoffers zijn door de verdachte vastgepakt, waardoor ze ook fysiek niet in staat waren om zich tegen hem te verweren. Met zijn handelen heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers. De ter zitting afgelegde slachtofferverklaringen onderstrepen de impact die het op hen heeft gehad. De meeste slachtoffers voelen zich sinds de aanranding ook niet meer veilig op straat. Daarnaast hebben de feiten een grote impact gehad op de samenleving. De zaak heeft – naast de verspreiding van beeldmateriaal van de verdachte – veel media-aandacht getrokken vanwege de seriematigheid en dringende oproep in het persbericht van de politie aan specifiek vrouwen om alert te zijn op verdachte situaties. Dit heeft gevoelens van angst en onrust veroorzaakt onder met name (jonge) vrouwen in Rotterdam. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten in Nederland. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van deskundige
In het rapport van psychiater [persoon A] van 27 november 2025 staat het volgende. Het onderzoek heeft geen objectiveerbare aanwijzingen opgeleverd voor een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat door het ontbreken van hetero anamnestische of andere relevante collaterale informatie en doordat de verdachte zich niet heeft willen uitlaten over het tenlastegelegde. Gezien het vorenstaande, is afgezien van advisering over eventuele interventies.
Op basis van het rapport van de psychiater [persoon A] , stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte geen psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap bestond die zijn gedrag tijdens het begaan van de strafbare feiten heeft beïnvloed. De feiten worden daarom volledig aan de verdachte toegerekend.
Oplegging straf en maatregel
Gevangenisstraf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafduur rekening gehouden met de verschillende gradaties waarin aanrandingen zich voordoen en hoe de aard en ernst van de aanrandingen zich daartoe verhouden. In strafverzwarende zin is daarnaast enerzijds rekening gehouden met de seriematigheid van de aanrandingen en de impact die de zaak heeft gehad op de maatschappij, en anderzijds dat de verdachte na het zien van de mediaberichten naar Spanje is gevlucht en tot op de dag van de dag heeft gezwegen, ook wanneer een verklaring op zijn plaats was geweest. Alles afwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 22 maanden passend. Deze straf is lager dan door de officier gevorderd nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt van een deel van de tenlastegelegde feiten.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)
Gezien de lange pleegperiode en stelselmatigheid van de aanrandingen is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Om strafbare feiten te voorkomen wordt daarom een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 2 jaar. Deze maatregel houdt in een gebiedsverbod voor de gemeente Rotterdam. Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van
2 weken, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat en de voorlopige hechtenis voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep zou worden geschorst.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting.
6. Vordering van de benadeelde partijen
Vorderingen
[slachtoffer 1]
heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 885,= als vergoeding voor materiële schade en € 5.550,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 3]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.050,= als vergoeding voor materiële schade en € 2.500,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 4]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.000,= als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 5]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.500,= als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 6]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.000,= als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 7]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.000,= als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 2]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 2.000,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 8]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.000,= als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de immateriële schade op het standpunt gesteld dat vaststaat dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat:
[slachtoffer 1] : het eigen risico gedeeltelijk toewijsbaar is, omdat de behandelingen gedeeltelijk zijn ondergaan vanwege het strafbare feit. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk voor wat betreft de gevorderde toekomstige schade;
[slachtoffer 3] : de kosten voor de parkeervergunning toewijsbaar zijn, omdat de schade goed is onderbouwd en een rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit;
[slachtoffer 5] : de reiskosten gedeeltelijk toewijsbaar zijn, omdat deze zijn gemaakt voor behandelingen die gedeeltelijk zijn ondergaan vanwege het strafbare feit. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De kosten ter vervanging van de broek zijn toewijsbaar, omdat voorstelbaar is dat de benadeelde partij deze niet meer wil dragen. De rechtbank wordt verzocht bij het begroten van de schade gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid;
[slachtoffer 8] : het eigen risico gedeeltelijk toewijsbaar is, omdat de behandelingen gedeeltelijk zijn ondergaan vanwege het strafbare feit. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank;
[slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]: de materiële schade niet is onderbouwd. Hierdoor zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk voor dit deel van de vorderingen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen vanwege de bepleite vrijspraak.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de immateriële schade op het subsidiaire standpunt gesteld dat de schadevergoeding moet worden gematigd tot € 500,=.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het subsidiaire standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn met betrekking tot de gestelde materiële schade, kortgezegd omdat:
[slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]: de vorderingen niet zijn onderbouwd;
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8]: de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.
De verdediging heeft zich ten aanzien van [slachtoffer 3] op het meer subsidiaire standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen tot € 337,50 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is.
Oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 3]
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de gehele vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van aanranding van die [slachtoffer 3] .
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
Materiële schade
[slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] De rechtbank verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in de vorderingen ten aanzien van de materiële schade, omdat deze niet zijn onderbouwd. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8]
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk in de vorderingen ten aanzien van de materiële schade, omdat het rechtstreekse verband tussen de gestelde schade en de strafbare feiten onvoldoende is onderbouwd en de verdediging de vorderingen met argumenten heeft betwist. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] hebben als gevolg van het strafbare feit onder 1 en de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het strafbare feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partijen zijn op andere wijze in hun persoon aangetast. De rechtbank heeft bij het begroten van de schade rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank heeft daarbij gebruikgemaakt van de Rotterdamse schaal, een hulpmiddel dat een overzicht biedt van in de praktijk toegewezen smartengeldbedragen in vergelijkbare gevallen. In het bijzonder heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van het te vergoeden bedrag aansluiting gezocht bij het strafbare feit aanranding, categorie b ‘ernstig’ (par. 15.3). Gelet op de beperkte duur en frequentie, de ernst van de seksuele handelingen en rekening houdend met de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelden, zal de schade naar maatstaven van billijkheid voor ieder van hen worden begroot op € 1.500,=. De vorderingen worden tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partijen worden in het resterende deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van hun vorderingen kunnen zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe, telkens te rekenen vanaf de pleegdatum van de aanranding. Concreet betekent dit dat de rechtbank de wettelijke rente toewijst vanaf:
[slachtoffer 1] : 11 mei 2024
[slachtoffer 4] : 30 oktober 2024
[slachtoffer 5] : 10 november 2024
[slachtoffer 6] : 25 november 2024
[slachtoffer 7] : 29 december 2024
[slachtoffer 2] : 29 december 2024
[slachtoffer 8] : 4 januari 2025
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen deels worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,=.
De rechtbank legt ten aanzien van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partijen. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De maximale duur van de gijzeling bedraagt telkens 15 dagen.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 241 en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 22 (tweeëntwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor de feiten op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 (twee) jaar, inhoudende dat de verdachte zich niet bevindt in de gemeente Rotterdam;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Vorderingen benadeelde partijen
[slachtoffer 1]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2), te betalen een bedrag van € 1.500,= als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 11 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 2); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de staat € 1.500,= te betalen, en de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
[slachtoffer 3] verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
[slachtoffer 4]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.500,= als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 30 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] aan de staat € 1.500,= te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
[slachtoffer 5]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.500,= als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 10 november 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] aan de staat € 1.500,= te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
[slachtoffer 6]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.500,= als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf
25 november 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6] aan de staat € 1.500,= te betalen, en de wettelijke rente vanaf 25 november 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
[slachtoffer 7]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.500,= als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 7] aan de staat € 1.500,= te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
[slachtoffer 2]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.500,= als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] aan de staat € 1.500,= te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
[slachtoffer 8]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.500,= als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 8] aan de staat € 1.500,= te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
en mrs. G.C. Bos en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 10 april 2026.
Mr. Bos is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.