ECLI:NL:RBROT:2026:4077

ECLI:NL:RBROT:2026:4077

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer ROT 25/6183
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

VARIA. Deze zaak gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van eiser te sluiten wegens overtreding van de Opiumwet. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Dit betekent dat eiser niet in het gelijk wordt gesteld en dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

Uitspraak

[eiser], uit Schiedam, eiser,

wettelijk vertegenwoordigd door Perspectief Bewindvoering en Inkomensbeheer B.V., in de persoon van N. Yerlicaya (bewindvoerster),

(gemachtigde: mr. E.M. Richel),

en

de burgemeester van de gemeente Schiedam, de burgemeester

(gemachtigde: mr. E. de Neef).

Inleiding

1. Deze zaak gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van eiser te sluiten wegens overtreding van de Opiumwet.

Op 6 november 2024 is in de garagebox aan de [adres 1] een procaïnewasserij aangetroffen. Deze procaïnewasserij werd volgens de bevindingen van de politie van stroom voorzien vanuit de daarboven gelegen woning aan de [adres 2]. Met het besluit van 13 januari 2025 (het primaire besluit) heeft de burgemeester de sluiting van beide panden bevolen voor de duur van zes maanden. Eiser huurt de woning en is het niet eens met het primaire besluit. Daarom heeft hij daartegen bezwaar gemaakt.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 6 augustus 2025 (het bestreden besluit), waarin de burgemeester bij het primaire besluit is gebleven.

De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de bewindvoerster en de gemachtigden van partijen deelgenomen.

De rechtbank heeft [naam], de verhuurder, aangemerkt als belanghebbende en in de gelegenheid gesteld om aan de procedure deel te nemen. De verhuurder heeft niet op deze uitnodiging gereageerd.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Dit betekent dat eiser niet in het gelijk wordt gesteld en dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit

2. Op 6 november 2024 heeft de politie in de garagebox een procaïnewasserij aangetroffen. Er is onder meer een grote hoeveelheid chemische stoffen gevonden, waaronder aceton, zuur en 40 tot 45 kilogram procaïne. De garagebox stond toen al langere tijd leeg en werd niet verhuurd. De politie heeft vastgesteld dat de garagebox van stroom werd voorzien via een zwarte elektriciteitskabel met haspel. Deze kabel liep via een lichtkoepel op het dak naar het daarboven gelegen dakterras van een woning. De stopcontacten en elektriciteitsleidingen in de garagebox stonden niet onder stroom. Eiser huurt die woning en staat sinds 14 oktober 2014 op het adres van de woning ingeschreven. Het betreft een particuliere huurwoning en is in eigendom van de verhuurder. De woning bevindt zich direct boven de garagebox. Beide panden hebben een eigen toegang. De politie heeft de woning bezocht en daar eiser en mevrouw Scheltens aangetroffen. In de woning zelf zijn geen zaken gevonden die betrekking hebben op de Opiumwet. Op het dakterras van de woning is een zwarte kabelhaspel aangetroffen. De bevindingen van de politie zijn vastgelegd in een bestuurlijke rapportage van 15 november 2024.

Op basis van deze bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten beide panden met ingang van 17 januari 2025 voor zes maanden te sluiten. De sluiting is gebaseerd op artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (voorbereidingshandelingen) en op het Besluit van de burgemeester van de gemeente Schiedam houdende regels omtrent het damoclesbeleid (het Damoclesbeleid). Volgens de burgemeester bestaat er een zodanige samenhang tussen de woning en de garagebox dat zij als één geheel moeten worden beschouwd. De procaïnewasserij werd immers van stroom voorzien vanuit de woning. Daarnaast blijkt uit foto’s van de voormalige eigenaar, meldingen van andere ondernemers en eigen waarnemingen van toezichthouders van de gemeente Schiedam dat eiser en mevrouw Scheltens meerdere malen in de garagebox zijn geweest. De burgemeester acht daarom aannemelijk dat eiser betrokken was bij de procaïnewasserij en vindt dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. De productie van en de handel in verdovende middelen vormen volgens de burgemeester een ernstig gevaar voor de maatschappij, met gevolgen voor de veiligheid, de volksgezondheid en het woon- en leefklimaat. De panden liggen bovendien op bedrijventerrein ’s-Gravenlandsepolder, dat is aangewezen als een veiligheidsrisicogebied. Sluiting voor zes maanden is volgens de burgemeester noodzakelijk om de rol van de panden in de productie van en handel in harddrugs te beëindigen en herhaling en verdere negatieve effecten op de openbare orde te voorkomen. Deze termijn volgt uit het Damoclesbeleid. Een waarschuwing of een kortere sluiting acht de burgemeester, gezien de ernst en omvang van de situatie, onvoldoende. De ernst van de situatie en de mate waarin eiser hiervan een verwijt kan worden gemaakt, maken volgens de burgemeester dat de persoonlijke belangen van eiser ondergeschikt zijn aan het algemeen belang dat met de sluiting is gediend. Eiser is het niet eens met de sluiting van zijn woning. Hij heeft daarom, als gezegd, bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Met het bestreden besluit heeft de burgemeester, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 4 augustus 2025, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. De burgemeester stelt dat de woning en de garagebox terecht als één samenhangend geheel zijn aangemerkt. Daardoor strekt de bevoegdheid tot sluiting zich uit tot beide panden, ook al zijn in de woning zelf geen drugsgerelateerde goederen aangetroffen. De burgemeester handhaaft zijn standpunt dat de sluiting noodzakelijk en evenwichtig is. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarom daartegen beroep ingesteld.

De standpunten van eiser in beroep

3. Samengevat stelt eiser dat de burgemeester het primaire besluit ten onrechte heeft gehandhaafd.

Ten eerste voert eiser aan dat de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn gezondheidstoestand ten tijde van de ontmanteling van de procaïnewasserij. Hij was er volgens eigen zeggen slecht aan toe en afhankelijk van verzorging. Tijdens de hoorzitting heeft eiser verzocht de politie te bevragen over zijn toestand op het moment dat zij hem in bed aantroffen. Dit zou zijn toegezegd, maar is volgens eiser niet gebeurd. Ook is volgens eiser geen nader onderzoek verricht naar de door hem overgelegde stukken over zijn medicatie en letsel. Bevestiging van zijn medische situatie zou volgens hem betekenen dat hij sterk verminderd of zelfs geheel niet in staat was om zijn verplichting als huurder na te komen om misbruik van de woning te voorkomen.

Ten tweede voert eiser aan dat het belang van de openbare orde weliswaar zwaar weegt, maar niet automatisch rechtvaardigt dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden. Met dit beroep wil eiser voorkomen dat het primaire besluit in een civiele procedure formele rechtskracht krijgt, met name wat betreft de mate van verwijtbaarheid die hem wordt toegeschreven.

Ten derde voert eiser aan dat de sluiting van zijn woning, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, disproportioneel is. Hij heeft niet gewild of veroorzaakt dat derden vrije toegang hadden tot de garagebox. De garagebox is bovendien niet via de woning toegankelijk. In de woning zijn geen verboden middelen aangetroffen en deze is niet gebruikt voor productie. Verder heeft de burgemeester volgens hem ten onrechte zijn oude strafrechtelijke documentatie meegewogen bij de besluitvorming.

Ten vierde voert eiser aan dat de burgemeester rapportages van zijn hulpverleners heeft ontvangen, maar deze niet kenbaar heeft betrokken bij de motivering van het besluit. Volgens eiser is ook de voorzieningenrechter onvoldoende geïnformeerd over zijn persoonlijke omstandigheden.

Het toetsingskader

4. Artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een last onder bestuursdwang een herstelsanctie is. Dit houdt in:(a) een verplichting om een overtreding geheel of gedeeltelijk te herstellen, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om zelf in te grijpen als die verplichting niet of niet tijdig wordt nagekomen.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet kan de burgemeester een last onder bestuursdwang opleggen wanneer in een pand voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die vallen onder artikel 10a, eerste lid, aanhef en onder 3, artikel 10c, eerste lid, aanhef en onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet. Dit betekent dat een pand ook kan worden gesloten wanneer sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen. Het gaat dan om de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor het telen, bereiden of bewerken van drugs.

In het Damoclesbeleid is vastgelegd hoe de burgemeester van deze bevoegdheid gebruikmaakt. Volgens dit beleid strekt een sluiting ertoe de drugshandel te beëindigen, de openbare orde te herstellen, verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen, herhaling te voorkomen en Schiedam minder aantrekkelijk te maken voor de productie van en handel in drugs. In beginsel worden daarom alle panden gesloten die worden gebruikt voor de productie, verkoop, levering of verstrekking van drugs.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag de burgemeester, indien sprake is van een ‘samenhangend geheel’ van perceel en opstallen, dat geheel sluiten, ongeacht of in de onderscheiden onderdelen al dan niet drugs zijn aangetroffen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:484). Of sprake is van zo’n samenhangend geheel, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de toegang, eventuele omsluiting (zoals hekwerk), de stroomvoorziening en andere voorzieningen. Als die samenhang bestaat, strekt de sluitingsbevoegdheid zich uit tot dat geheel – dus ook de onderdelen waarin geen drugs of drugsgerelateerde goederen zijn aangetroffen.

De beoordeling van de beroepsgronden van eiser

5. De rechtbank beoordeelt hieronder, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, of het bestreden besluit in stand kan blijven.

Mocht de burgemeester (ook) de woning sluiten?

Vast staat dat partijen het erover eens zijn dat de burgemeester bevoegd was de garagebox voor zes maanden te sluiten wegens overtreding van de Opiumwet. Het geschil gaat onder meer over de vraag of deze bevoegdheid zich ook uitstrekte tot de boven de garagebox gelegen woning van eiser.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat uit de bevindingen van de politie blijkt dat de garagebox van stroom werd voorzien via het dakterras van eiser. Dit dakterras is bereikbaar via de keuken van de woning en is omheind met schuttingen. Hoewel het theoretisch mogelijk is het dakterras via de schuttingen te bereiken, is de enige voor de hand liggende toegang via de woning zelf. Ook de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de conclusie dat de elektriciteit vanuit de woning van eiser werd aangevoerd, ondanks zijn ontkenning ter zitting. Deze conclusie wordt ondersteund door het verloop van de gebeurtenissen zoals vastgelegd in de bestuurlijke rapportage. De politie belde eerst aan bij de woning, waar eiser en mevrouw Scheltens aanwezig waren. Vervolgens werd de garagebox geopend en betreden. Na de sluiting van de garagebox werd door de politie gezien dat de kabelhaspel heimelijk via het dakterras werd omhooggetrokken. De stroomvoorziening vanuit de woning was noodzakelijk voor het functioneren van de procaïnewasserij. Dit alles wijst op een onlosmakelijke samenhang tussen de woning en de garagebox. Daarbij komt dat de garagebox al langere tijd leegstond en niet werd verhuurd. Meerdere personen hebben – onderbouwd met foto’s – verklaard dat eiser gebruik maakte van de garagebox. Ook heeft de voormalige erfpachtgerechtigde van de garagebox verklaard dat eiser zich in de afgelopen twee jaar toegang tot de garagebox verschafte door de lichtkoepel op zijn dakterras te forceren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de burgemeester van oordeel dat de woning en de garagebox als één samenhangend geheel moeten worden aangemerkt. Dat betekent dat de burgemeester bevoegd was om ook de woning te sluiten wegens overtreding van de Opiumwet. Daarbij is niet van belang dat in de woning zelf geen drugs of drugsgerelateerde goederen zijn aangetroffen en dat daar geen productie heeft plaatsgevonden.

De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Is de sluiting van de woning evenwichtig?

De voorzieningenrechter heeft eerder geoordeeld dat de burgemeester de sluiting van de woning en de garagebox noodzakelijk mocht achten om hun rol bij de productie van en handel in harddrugs te beëindigen en herhaling en verdere negatieve gevolgen te voorkomen. Partijen zijn het erover eens dat een sluiting in beginsel noodzakelijk kan zijn. In geschil is onder meer of de sluiting van de woning in dit concrete geval evenwichtig is.

Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moet een belangenafweging plaatsvinden tussen het algemeen belang – bescherming en herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving – en de belangen van eiser. Daarbij spelen onder meer een rol: de duur van de sluiting, de mate van verwijtbaarheid, de (bijzondere) binding van eiser met de woning en de mogelijkheid om na de afloop van de sluiting terug te keren. Dat een sluiting ingrijpende gevolgen heeft, betekent op zichzelf nog niet dat die onevenwichtig is.

Eiser stelt dat de sluiting, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, disproportioneel is. Hij voert aan dat hij niet heeft gewild of veroorzaakt dat anderen vrij toegang hadden tot de garagebox, dat de garagebox niet via zijn woning toegankelijk is en dat in de woning geen verboden middelen zijn aangetroffen en geen productie heeft plaatsgevonden. Daarnaast voert hij aan dat hij ten tijde van de ontmanteling ernstig ziek was en afhankelijk was van verzorging, waardoor hij niet of nauwelijks in staat was zijn verplichtingen als huurder na te komen om misbruik van de woning te voorkomen. Volgens eiser heeft de burgemeester onvoldoende onderzoek gedaan naar zijn medische situatie, medicijnengebruik en letsel, de rapportages van zijn hulpverleners niet kenbaar meegewogen en ten onrechte zijn oude strafrechtelijke documentatie betrokken bij de besluitvorming. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser stelt weliswaar dat anderen dan hij betrokken zijn bij wat in de garagebox is aangetroffen, maar heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Mede gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat eiser een verwijt kan worden gemaakt van wat in de garagebox is aangetroffen, ook al ontkent hij zijn betrokkenheid bij de procaïnewasserij. Daarbij is niet van belang dat eiser geen huurder of eigenaar van de garagebox is. Meerdere personen hebben verklaard – en met foto’s onderbouwd – dat eiser zich op verschillende manieren toegang tot de garagebox heeft verschaft. De garagebox stond leeg, werd niet verhuurd en lijkt uitsluitend door eiser te zijn gebruikt. Dit wijst op directe betrokkenheid bij de activiteiten in de garagebox. Verder heeft de politie ten tijde van de controle niet geconstateerd dat eiser een zieke of verwarde indruk maakte of dat hij afhankelijk was van verzorging. Wel is waargenomen dat eiser die dag met een brandende sigaret uit de woning kwam. De burgemeester heeft bovendien wel degelijk navraag gedaan naar de door eiser gestelde mishandeling en het letsel. Daaruit is gebleken dat eiser geen aangifte heeft gedaan van mishandeling of daarover op andere wijze heeft verklaard. Het ontbreken van informatie of stukken over de door eiser gestelde mishandeling en het letsel komt voor rekening en risico van eiser. De burgemeester heeft voldoende onderzoek verricht naar de gestelde gezondheidstoestand en het vermeende onvermogen van eiser om (mede) verantwoordelijkheid te dragen. Hij heeft terecht geconcludeerd dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt. Gelet op het voorgaande weegt het belang van herstel van de openbare orde zwaarder dan het belang van eiser om in de woning te mogen blijven. Een sluiting voor de duur van zes maanden acht de rechtbank niet onevenredig.

De in dit verband aangevoerde beroepsgronden slagen ook niet.

Dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, maakt de sluiting op zichzelf niet onevenwichtig. Gezien de ernst van de situatie en de mate van verwijtbaarheid mocht de burgemeester de woning sluiten. De buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst is een privaatrechtelijke kwestie en valt buiten de omvang van deze bestuurlijke procedure. Deze procedure is niet bedoeld om het definitief worden van het primaire besluit uit te stellen om zo invloed uit te oefenen op een civiele procedure over de ontbinding van de huurovereenkomst. Overigens is ter zitting gebleken dat deze civiele procedure inmiddels is gevoerd en dat op 11 november 2025 vonnis is gewezen door de kantonrechter van deze rechtbank.

De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt evenmin.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond, gelet op wat hiervoor is overwogen. Dit betekent dat eiser niet in het gelijk wordt gesteld en dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. van der Wal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?