Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/155092-23
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Datum zitting: 13 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres 1] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R.H.P. Feiner
Officier van justitie: mr. N. Aandewiel
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. I. Baggerman-Scherpenisse
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - kort samengevat - zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag dan wel (poging) zware mishandeling subsidiair mishandeling. De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen/achter het oor en/of de nek, althans het hoofd en/of het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen/achter het oor en/of de nek, althans het hoofd en/of het lichaam te steken en/of te snijden.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde poging doodslag.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag. De volledige bewezenverklaring houdt in dat:
hij op 24 juni 2023 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een schaar, tegen het oor en de nek, althans het hoofd, heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging doodslag
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor poging doodslag worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft naar aanleiding van een ruzie met een schaar zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van het slachtoffer en heeft hem daarbij bij zijn oor en in de hals geraakt. De camerabeelden van het steekincident laten zien dat de verdachte, nadat de verdachte en het (latere) slachtoffer uit elkaar zijn gehaald en de verdachte in zijn auto heeft plaatsgenomen, even later en ogenschijnlijk uit het niets uit de auto komt vliegen en ongecontroleerd met een schaar in de richting van het slachtoffer zwaait. Het moet een buitengewoon angstig moment zijn geweest voor het slachtoffer en ook voor de omstanders. Daar komt bij dat dit soort excessief geweld gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt in de maatschappij.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
- Rapport van de reclassering
Geadviseerd wordt bij een veroordeling bijzondere voorwaarden op te leggen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod.
Oplegging straf
Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal, in afwijking van de eis van de officier van justitie, toch afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Rekening is gehouden met de voorafgaande vechtpartij, waarbij het de verdachte is die het onderspit heeft moet delven en volgens de verklaring van een getuige in verband met het handelen van het slachtoffer enige tijd geen adem leek te kunnen halen. Verder is rekening gehouden met de betrekkelijk jeugdige leeftijd van de verdachte en zijn blanco justitiële documentatie. Ook is meegewogen dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat de verdachte inzicht heeft getoond in de ernst van zijn handelen, dat de verdachte naar aanleiding van het steekincident vrijwillig therapie is gestart om de achterliggende oorzaak van zijn handelen te onderzoeken, en dat de verdachte zijn leven sindsdien steeds op orde heeft gehouden. De rechtbank acht het - mede gelet op de omstandigheid dat het gaat om een inmiddels relatief oude zaak - onwenselijk om die positieve ontwikkeling te doorkruisen met een nieuwe detentie. De rechtbank vindt het - ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten - van belang dat de verdachte begeleid wordt en dat de verdachte de afspraken die in dit kader worden gemaakt ten behoeve van deze begeleiding, zal nakomen.
De rechtbank acht de hierna te noemen forse voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 3.129,54 als vergoeding voor materiële schade en € 4.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De kosten ten aanzien van de kledingschade en de littekencrème worden toegewezen. De gevorderde reis- en parkeerkosten – met uitzondering van de kosten van de ouders van het slachtoffer – zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 12,92 en het eigen risico zal worden gematigd naar € 298,84.
De (overig) gevorderde reiskosten en het overige eigen risico zullen worden afgewezen. Het verlies aan arbeidsvermogen zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De verdachte moet de benadeelde partij € 366,76,- als vergoeding van materiële schade betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 juni 2023.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 28 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 3 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 2.866,76 bestaande uit € 366,76,- als vergoeding van materiële schade en € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 24 juni 2023 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering ter hoogte van € 4.172,- ; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
wijst af het resterende deel van de vordering van de benadeelde partij ter hoogte van € 90,78;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 2.866,76 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 24 juni 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 28 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. H. van den Heuvel en P. Uijtdewillegen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 maart 2026.
Mr. Uijtdewillegen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.