ECLI:NL:RBROT:2026:4240

ECLI:NL:RBROT:2026:4240

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer 10/269431-25 en 10/095511-24 (TUL)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan vrijheidsberoving, diefstal met geweld, afpersing, bedreiging, dwang en wapenbezit. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en oplegging van bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/269431-25

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10/095511-24

Datum uitspraak: 27 maart 2026

Datum zitting: 13 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .

Advocaat van de verdachte: mr. M. Sculic

Officier van justitie: mr. W.D. van den Berg

Benadeelde partij: [benadeelde]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. T.S.G. Joemman

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - kort samengevat - zich schuldig heeft gemaakt aan vrijheidsberoving, diefstal met geweld, afpersing, een ander dwingen, wapenbezit en bedreiging. De volledige tenlastelegging houdt in dat:

1.

hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

2.

hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, de telefoon en/of ID-kaart en/of het paspoort en/of de tas en/of pet, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het

oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

3.

hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn telefoon en/of ID-kaart en/of paspoort en/of tas en/of pet, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door

4.

hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten die [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door

5.

hij in de periode van 9 oktober 2025 tot en met 11 oktober 2025 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een omgebouwd alarmpistool naar een kogelverschietend pistool, van het merk: Blow, type: mini 9, kaliber: 9 mm, voorhanden heeft gehad.

6.

hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] en/of de familie van die [slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten, met uitzondering van het onder 5 tenlastegelegde wapenbezit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1.

hij op 9 oktober 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

2.

hij op 9 oktober 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, de telefoon en het paspoort en de tas en pet, die aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte of zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

3.

hij op 9 oktober 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn telefoon en paspoort, in elk geval enig goed, dat geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde door

4.

hij op 9 oktober 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld en door bedreiging met geweld gericht tegen die ander, te weten die [slachtoffer] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en te dulden, door

5.

hij in de periode van 9 oktober 2025 tot en met 11 oktober 2025 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een omgebouwd alarmpistool naar een kogelverschietend pistool, van het merk: Blow, type: mini 9, kaliber: 9 mm, voorhanden heeft gehad.

6.

hij op 9 oktober 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] en de familie van die [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door

Bewijsmotivering

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsoverweging.

Bewijsmiddelen

1. Verklaring van de verdachte

Op 9 oktober in Rotterdam heb ik ervoor gezorgd dat [slachtoffer] naar de kelderbox kwam. Mijn taak was de kelderbox ter beschikking stellen, [slachtoffer] ernaartoe lokken en een wapen regelen. Ik kende de andere jongens die ook in de kelderbox waren niet. Er was een vuurwapen en een mes. Ik zag dat [slachtoffer] werd bedreigd met het vuurwapen en het mes. Ik zag dat zijn pet en tasje werden meegenomen.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer]

Op 9 oktober 2025 sprak ik af met [roepnaam verdachte] . Samen gingen wij naar zijn kelderbox aan de [adres 2] in Rotterdam. Eenmaal binnen in de kelderbox stormde er ineens 3 mannen binnen. Ik zag dat deze mannen bivak mutsen droegen. De eerste man die binnen kwam had in zijn rechterhand een vuurwapen. Hierna te noemen man 1. Man 1 had zijn rechterarm horizontaal gestrekt. Ik zag dat het een klein zilverkleurig vuurwapen was. Ik keek precies in de loop van het vuurwapen. Direct werd er van alles gecommandeerd. De andere 2 mannen kwamen direct achter man 1 aan. Hierna te noemen Man 2 en Man 3. Man 2 had een zwart klap mes. Uitgeklapt zal het mes net zo lang zijn als mijn hand. Dit zal ongeveer 16cm zijn. Man 3 had ook een mes, deze heb ik minder goed kunnen zien. De man met het vuurwapen commandeerde mij om direct in de hoek op mijn knieën te gaan zitten. Ik zat met mijn rug richting de muur. Ik moest mijn armen omhoog houden. Nu kwam er een commando en ik vermoed dat dit commando door man 2 is gegeven. Ik hoorde hem zeggen: ‘Geef je telefoon, heb je ID?’ Ik heb direct mijn telefoon en mijn Paspoort uit mijn tas gehaald en gegeven. Ik hoorde man 1 vragen om mijn pincode van mijn telefoon. Ik heb mijn telefoon ontgrendeld en de code gegeven. Toen de telefoon eenmaal open was moest ik mijn bank app ook openen. Ik zit bij de Rabobank. Nu werd mijn telefoon afgepakt door man 1. Even later kreeg ik mijn telefoon terug om mijn toegangscode te veranderen, hierop werd mijn telefoon wederom afgepakt en heeft man 1 vermoedelijk de pincode veranderd. Ik weet dat er met behulp van mijn paspoort een nieuwe rekening op mijn naam bij Bunq is aangemaakt. Om deze bankrekening te openen moest ik mijn naam, email adres, woon adres, telefoonnummer. Ik moest mijn paspoort scannen en een selfie van mij zelf maken. Vervolgens moest ik naar beneden kijken. Tussen de commando's die ik kreeg werd ik geslagen met een bezemsteel die vermoedelijk al in de kelderbox stond. Ik ben met platte hand geslagen. Ik kan niet goed omschrijven hoe en in welke volgorde alles is gegaan. Ik ben meerdere keren op de bovenkant van mijn hoofd geslagen met de stok. Ik ben meerdere keren met 1 of meerdere handen geslagen. Ik ben sinds gisterenavond nadat het gebeurde steeds duizelig en ik heb hoofdpijn. De mannen commandeerden mij te gaan dansen. Dit heb ik gedaan. Man 1 had tenslotte het vuurwapen gewoon vast. Ik zag dat man 1 mij filmde. Toen de mannen genoeg in mijn telefoon hadden veranderd en ze hem mee konden nemen. Wilde ze vertrekken. Ze hadden mijn tas inmiddels al afgepakt en voordat ze weg gingen pakte ze mijn pet van mijn hoofd. Voordat de mannen vertrokken vertelde ze mij dat ze mijn adres hadden en wisten wie mijn ouders waren. Ik hoorde de mannen dingen zeggen gelijkend op. Als je naar scotoe gaat kieren wij je moeder. (ik weet dat scotoe politie betekenen, en kieren doden betekend). Als je naar politie gaat komen er andere mannen naar je huis toe. We weten hoe je vader en je broer eruit zien. We gaan morgen 11:00 uur terug komen.

3. Proces-verbaal van de politie

Bij [verdachte] werden twee telefoons inbeslaggenomen waaronder een Samsung telefoon. De Samsung telefoon is uitgelezen. In de genoemde telefoon trof ik in de map DCIM een video aan. Ik zag dat [slachtoffer] werd gefilmd. Ik zag dat er een vuurwapen op hem werd gericht. Tijdens de video zijn drie mannenstemmen te horen die tegen hem praten. Stem 1: ‘Ik wil dat je me aankijkt mi boy’.[slachtoffer] kijkt in de camera.Stem 1: ‘Dans even dans. Doe een Hindoestaanse dans dan’.[slachtoffer] : ‘Ik kan geen Hindoestaanse dans man’Stem 1: ‘Ahh je gaat het proberen’[slachtoffer] : ‘Mag ik staan?’Stem1: ‘Ja staan noh. Ik doe ook met je mee is niet erg’[slachtoffer] staat op en bij het opstaan ontstaat er een krakend geluid.Stem 1: ‘Rustig toch, hoor je niet’De persoon die het vuurwapen vast houd slaat op de rechterbeen met het vuurwapen.Stem 1: ‘Oke dans even dan we dwalen af’Vervolgens word er door een ander persoon een mes voor de keel van [slachtoffer] gehouden.Stem 2: ‘Dans pa, dans pa’ (fluisterend)Stem 3: ‘Bijtek bijtek (FON)’Stem 1: Begint te lachen.[slachtoffer] : ‘Bijtek? Wat is bijtek?(FON)’Stem 2: ‘Doe het nu G’[slachtoffer] : ‘Wat is bijtek?’Stem 2: ‘Je gaat gewoon schudden met je kanker met sanka’Stem 1: ‘Doe gewoon zo" begint te lachen "Dans, Dans’[slachtoffer] begint te dansen.De persoon met het vuurwapen druk het vuurwapen tegen de buik van [slachtoffer]Stem 1: ‘Oke dans dans. Dans of je in die discotheek bent dans. Dans beter’[slachtoffer] gaat verder dansen. De persoon met het vuurwapen richt het vuurwapen weer op [slachtoffer] .Stem 1: ‘Doe je pet schuin’Het vuurwapen word op het hoofd van [slachtoffer] gericht [slachtoffer] zet zijn pet schuin op zijn hoofd.Stem 1: ‘Dans dans’Stem 2: ‘Hé wat is die code van je kankertelefoon’Stem 3: ‘Hé schrijf al die shit ook op’Stem 1: ‘Ik heb opgeschreven man. Doe even die shirt ophoog’

Ik zag dat de uiterlijke kenmerken van het vuurwapen in de video overeenkomen met het vuurwapen welke bij [verdachte] is aangetroffen.

4. Proces-verbaal van de politie

Op 11 oktober 2025 hielden wij de verdachte [verdachte] aan. Nadat het arrestatieteam de verdachte had overgenomen is hij gefouilleerd en daarbij trof het arrestatieteam een, in een sok gewikkeld, op een vuurwapenlijkend voorwerp aan in de jaszak van de verdachte.

5. Verklaring van de verdachte

V: De aangever heeft verklaard dat hij bedreigd is met ene klein zilver vuurwapen. Nu wordt er een klein zilver bij jou aangetroffen. Wat kan jij hierover verklaren?

A: Dat was inderdaad dat wapen.

6. Proces-verbaal van de politie

Vuurwapenomschrijving:

Merk/type: Blow mini 9

Kaliber: 9x17mm

Het inbeslaggenomen voorwerp is een pistool geschikt om projectielen door een loop af te schieten en is een vuurwapen in de zin van artikel l onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

7. Proces-verbaal van de politie

De volgende informatie is verkregen van de BUNQ bank:

• Dat er twee bankrekeningen op naam stond van [slachtoffer] :[rekeningnummer 1] (hoofdrekening)[rekeningnummer 2] (spaarrekening)• Dat de bankrekening op 9 oktober 2025 te 16:53:31 (UTC+2) is aangevraagd.

Er werd een foto van het document meegeleverd. Dit betrof een foto van het paspoort [slachtoffer] . Tevens werden er twee videobestanden geleverd. Deze betreffen een verificatie van de persoon om te controleren of het dezelfde persoon als die van het opgegeven paspoort is. Op de eerste verificatievideo is te zien: Ik zag dat een persoon werd gefilmd welke ik ambtshalve herkende als [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] met zijn handen omhoog werd gefilmd. Ik herken de ruimte waarin [slachtoffer] werd gefilmd als de ruimte waar ook de video is opgenomen waarop te zien is dat [slachtoffer] onder schot werd gehouden. Ik herkende de ruimte aan de houten muur op de achtergrond van [slachtoffer] .

Op de tweede video zag ik dat het paspoort van [slachtoffer] werd gefilmd. Ik zag dat er in dezelfde ruimte werd gefilmd als in videobestand 1.

8. Proces-verbaal van de politie

Bij de aanhouding van [verdachte] zijn twee mobiele telefoons aangetroffen die digitaal zijn uitgelezen. Uit een op de inbeslaggenomen iPhone XR aangetroffen Snapchatgesprek tussen [verdachte] en het slachtoffer op 9 oktober 2025 blijkt dat:[verdachte] het contact opzoekt met het slachtoffer,[verdachte] fysiek af wilt spreken met het slachtoffer,[verdachte] aangeeft naar de coffeeshop te willen maar geen ID te hebben (een ID-kaart is verplicht bij het kopen van wiet),[verdachte] voorstelt om bij hem af te spreken met het slachtoffer,[verdachte] aanstuurt op het feit dat het slachtoffer zijn ID kaart meeneemt.

Op de inbeslaggenomen Samsung Galaxy A54 is beeldmateriaal aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat beeldmateriaal weergegeven op afbeeldingen 15 t/m 20 aangetroffen zijn op de Samsung. Bij dit beeldmateriaal kan gesteld worden middels metadata dat het daadwerkelijk opgenomen is met dit toestel. Op afbeeldingen 15 t/m 17 is een video weergegeven met drie schermafbeeldingen. Op deze video is te zien dat [verdachte] zichzelf filmt terwijl hij in een houten schuur staat. Vervolgens maakt hij een handgebaar naar de camera en draait hij naar drie personen terwijl die personen dicht op elkaar staan. Op de video is een tijdsmarkering met daarop 16:41 uur te zien.

Bewijsoverweging

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat vooraf, tijdens en na de gewapende overval in de kelderbox sprake is geweest van een bijdrage van de verdachte. De verdachte heeft het vuurwapen geregeld, aangever in samenspraak met de medeverdachten naar de kelderbox gelokt en de medeverdachten de kelderbox binnengelaten. Daaruit volgt dat de verdachte nauw bij de voorbereiding van de overval betrokken is geweest. De verdachte is vervolgens tijdens de overval in de kelderbox gebleven. De verdachte heeft zich hiermee niet van de feiten gedistantieerd en heeft met zijn aanwezigheid in plaats daarvan juist voor het slachtoffer een dreigendere situatie gecreëerd. Op die grond kan er worden gesproken van een bijdrage aan de feiten die het enkele bevorderen of vergemakkelijken daarvan overstijgt.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1.

het medeplegen van opzettelijk wederrechtelijk iemand van de vrijheid beroven

2.

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

3.

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

4.

medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen

5.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

6.

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Strafbaarheid van het de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden met dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan vrijheidsberoving, diefstal met geweld, afpersing, bedreiging, dwang en wapenbezit. Het slachtoffer is door de verdachte naar een kelderbox gelokt, waarna hij is vastgehouden, mishandeld en bedreigd. Onder dreiging van een vuurwapen en een mes zijn spullen afgenomen, is het slachtoffer gedwongen een bankrekening te openen en is hij gedwongen om ook andere handelingen te verrichten. Uit de ter zitting voorgelezen spreekrechtverklaring blijkt hoeveel angst deze gebeurtenissen hebben veroorzaakt bij het slachtoffer. Ook veroorzaken dergelijke ernstige geweldsdelicten gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

- Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 februari 2026 blijkt dat de verdachte recent onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

- Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 16 januari 2026 staat het volgende. Er zijn risico's op de leefgebieden dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en houding. Daarnaast bestaat twijfel omtrent de mate van bereidheid om mee te werken aan gedragsverandering en toe te werken naar een delictvrij bestaan. De verdachte loopt in een proeftijd met bijzondere voorwaarden. Ondanks het toezicht heeft dat niet geleid tot aantoonbare verlaging van het recidiverisico of structurele gedragsverandering. Intensievere begeleiding is daarom van belang. Geadviseerd wordt bij een veroordeling bijzondere voorwaarden op te leggen.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, een passende straf is. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte, het betoog van de raadsman dat de verdachte druk van anderen zou hebben ervaren om de feiten te plegen en de omstandigheid dat de verdachte spijt heeft betuigd van zijn betrokkenheid bij die feiten. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht, ambulante behandeling, medewerking aan het oplossen van schulden, plaatsing in een begeleid wonen, hebben en behouden van structurele dagbesteding, medewerking aan urine controles.

Gelet op het strafblad en het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [slachtoffer]

heeft als benadeelde partij voor de feiten 1, 2, 3, 4, en 6 in totaal € 1.500,- als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, primair gelet op het verzoek tot vrijspraak. Subsidiair zijn de materiële kosten onvoldoende onderbouwd. De telefoon van het slachtoffer is in beslag genomen en kan derhalve terug worden gegeven. Met betrekking tot het loon staat onvoldoende vast dat er ontslag is genomen als gevolg van de feiten. Ten aanzien van het immateriële deel dienen de verdachte en zijn medeverdachten ieder beoordeeld te worden voor hun eigen rol in het geheel. Het is een lastig te maken berekening en daarmee levert de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces op.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten. Het gevorderde eigen risico en de vergoeding van de dagwaarde van de telefoon van het slachtoffer worden toegewezen. Daarbij geldt ten aanzien van het gevorderde eigen risico dat de verdediging deze post niet heeft betwist. Ten aanzien van de dagwaarde van de telefoon geldt dat het slachtoffer zijn telefoon gedurende de inbeslagneming – die nog altijd voortduurt – niet kan gebruiken en dus een nieuwe telefoon zal moeten aanschaffen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 735,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op het verlies van inkomsten wegens ontslag door een trauma, heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de aard en de ernst van de normschending (het onder valse voorwendselen lokken van het slachtoffer naar een kelderbox, waar hij door een groep personen met gebruik van een vuurwapen en messen is bedreigd om diverse voorwerpen af te geven en handelingen te verrichten) meebrengen dat de in dit verband relevante gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De schade wordt naar billijkheid begroot op € 5.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen.

De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Hoofdelijke veroordeling

De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 9 oktober 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 53 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Vordering tot tenuitvoerlegging

Vordering

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Oordeel van de rechtbank

De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.

Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf. In plaats van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te bevelen, legt de rechtbank een taakstraf op van 240 uur, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 55, 282, 284, 285, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 7 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummer 1 tot en met 6 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

beveelt dat de onder nummers 1 tot en met 6 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10/095511-24)

beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, zoals opgelegd in het vonnis van de meervoudige strafkamer te Rotterdam van 25 juli 2024;

legt – in plaats van de gevorderde tenuitvoerlegging van de in dit vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf – een taakstraf op voor de duur van 240 uur. Als de verdachte de taakstraf niet of niet goed verricht, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van 4 maanden;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1, 2, 3, 4 en 6), te betalen een bedrag van € 5.735,-, bestaande uit € 735,- als vergoeding van materiële schade en € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 9 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor de feiten 1, 2, 3, 4 en 6 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 5.735,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 53 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. van den Heuvel, voorzitter,

en mrs. J.H. Janssen en P. Uijtdewillegen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 maart 2026.

Mr. P. Uijtdewillegen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H. van den Heuvel

Griffier

  • mr. S.T.C.J.M. de Jongh

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?