ECLI:NL:RBROT:2026:4258

ECLI:NL:RBROT:2026:4258

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer C/10/712976 / FA RK 26-158
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Voorlopige voorziening omgangsregeling afgewezen, omdat de stap naar de rechtbank te vroeg is gezet.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/712976 / FA RK 26-158

Beschikking van 18 maart 2026 over de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. R. van Coolwijk te Amsterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de man in de bodemprocedure en in de spoedprocedure, ingekomen op 7 januari 2026;

het bericht met bijlage van de man van 23 januari 2026;

het gewijzigde verzoekschrift met bijlagen van de man van 13 februari 2026;

het verweerschrift tegen het verzoek van de man in de spoedprocedure tevens zelfstandig verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 19 februari 2026;

het bericht met bijlage van de vrouw van 20 februari 2026.

De mondelinge behandeling van het verzoek van de man om een spoedvoorziening heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd.

2. De beoordeling

Achtergrond

Partijen hebben in 2024 een affectieve relatie met elkaar gekregen. Deze relatie is inmiddels verbroken. Partijen hebben tijdens de relatie niet samengewoond. Eind vorig jaar is de vrouw binnen Rotterdam verhuisd naar een nieuwe (koop)woning.

Op 10 januari 2026 is de vrouw bevallen van een gezonde zoon: [minderjarige] (hierna: de minderjarige). De man is de biologische vader van de minderjarige. Hij heeft de minderjarige niet erkend. Dat betekent dat de man niet de juridische vader van de minderjarige is en dat de man geen ouderlijk gezag heeft.

Al voor de geboorte van de minderjarige hebben partijen geprobeerd om samen afspraken te maken over het (aankomend) ouderschap. Tot op heden is het niet gelukt om daarover op één lijn te komen. De man is daarom begin dit jaar zowel een bodem- als een spoedprocedure gestart bij deze rechtbank. De man heeft de minderjarige inmiddels wel twee keer kort gezien bij het wijkteam op kantoor.

Bodemprocedure

De man verzoekt in de bodemprocedure:

⁻ hem vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige te erkennen;

⁻ te bepalen dat de minderjarige de achternaam [achternaam vrouw] - [achternaam man] zal dragen;

⁻ te bepalen dat partijen samen belast zijn met het ouderlijk gezag over de minderjarige;

⁻ een definitieve zorgregeling vast te leggen conform het voorstel van de man.

De vrouw heeft in de bodemprocedure nog geen verweerschrift ingediend.

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling van het spoedverzoek van de man overeengekomen om alvast, met het oog op de bodemprocedure, een mediationtraject in te gaan om te proberen alsnog volledige overeenstemming te bereiken. De rechtbank zal hen in die gelegenheid stellen.

Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

Spoedprocedure (artikel 223 Rv)

De man verzoekt – na wijziging – een voorlopige voorziening over de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: de omgangsregeling) te treffen in die zin dat wordt bepaald dat:

vanaf de geboorte van de minderjarige tot en met negen maanden daarna de man drie keer per week een uur contact heeft met de minderjarige, bij de vrouw of elders als zij dat wenst;

na negen maanden de minderjarige elke woensdagmiddag van 13.00 uur tot 17.00 uur en om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft.

De man had aanvankelijk ook verzocht om de vrouw te verbieden (met de minderjarige) te verhuizen of haar te gebieden om terug te verhuizen, omdat hij dacht dat de vrouw misschien met de minderjarige zou verhuizen naar een woning buiten de regio Rotterdam. De man heeft dit verzoek tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen.

De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek van de man om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. Primair bepleit zij de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel zijn verzoek af te wijzen.

Subsidiair verzoekt zij om vaststelling van een voorlopige omgangsregeling met een opbouw in stappen conform haar voorstel in het verweerschrift.

Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een lopende procedure iedere partij verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure. De rechtbank moet beoordelen of aan de minimumvereisten is voldaan, te weten: aanhangig zijn van een hoofdverzoek, samenhang met het hoofdverzoek en (spoedeisend) belang.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan hiervoor genoemde minimumvereisten. De man is daarom in beginsel ontvankelijk in zijn verzoek.

De vrouw voert echter aan dat de man om een andere reden daarin niet-ontvankelijk is. Volgens de vrouw behoort de man niet tot de categorie personen die op grond van de wet kan verzoeken om vaststelling van een voorlopige omgangsregeling. De man voert gemotiveerd verweer. De rechtbank laat in het midden of de man wel of niet ontvankelijk is in zijn spoedverzoek. De rechtbank doet dat, omdat zij het in het belang van de minderjarige vindt dat inhoudelijk naar dit verzoek van de man gekeken wordt. De vrouw wordt door deze keuze van de rechtbank niet benadeeld, omdat de rechtbank uiteindelijk het spoedverzoek van de man op inhoudelijke gronden zal afwijzen. De rechtbank legt dat hierna uit.

De rechtbank constateert dat de man zijn spoedverzoek bij de rechtbank heeft ingediend toen de vrouw hoogzwanger was. De rechtbank vindt dat een slechte timing van de man. Hij had kunnen weten dat dit de vrouw (extra) gestrest en onzeker zou maken. Hierdoor is zij minder fysiek en mentaal fit aan de bevalling begonnen, wat natuurlijk ook niet goed is geweest voor de (toen nog ongeboren) minderjarige. De rechtbank ziet niet in waarom de man niet had kunnen wachten met de stap naar de rechter tot na de geboorte van de minderjarige. De man heeft hiermee in elk geval niet laten zien dat hij in staat is om zijn eigen belang ondergeschikt te maken aan dat van zijn kind. Wel gaat de rechtbank er net als de raad van uit dat de man heeft gehandeld in een ‘staat van paniek’. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij in de loop van de zwangerschap steeds meer het gevoel kreeg dat de vrouw hem buitenspel wilde zetten en dat hij daarom op een gegeven moment heeft gekozen voor juridische stappen. De rechtbank heeft in deze procedure niet kunnen vaststellen dat dit gevoel van de man klopt met de realiteit.

De aanvankelijke zorg van de man dat de vrouw met de minderjarige zou verhuizen naar een woning buiten de regio Rotterdam, wat het contact met de man lastiger zou maken, is in ieder geval ongegrond gebleken. Verder zegt de vrouw met klem dat zij de man niet heeft willen buitensluiten. Volgens de vrouw is het eerder andersom. Zij had de zwangerschap aanvankelijk graag in goede harmonie met de man beleefd, maar in plaats daarvan voelde ze zich tijdens de zwangerschap eerst alleen en onvoldoende door de man gesteund, en voelde zij zich vervolgens door hem onder druk gezet. Zij heeft daarom op een gegeven moment gekozen voor rust omwille van haar welzijn en dat van de (toen nog) ongeboren minderjarige. Desondanks heeft ze al tijdens de zwangerschap het initiatief genomen om ondersteuning van het wijkteam te vragen bij de opbouw van het contact tussen de man en de minderjarige. Dat contact heeft inmiddels plaatsgevonden. In de komende tijd wil de vrouw met hulp van het wijkteam rustig verder bouwen aan het contact tussen de man en de minderjarige. Zij denkt dan aan een opbouw waarbij het contact in twee stappen van in totaal zeven tot negen maanden en afhankelijk van het verloop van de eerdere fases wordt uitgebreid naar twee onbegeleide contactmomenten per week van circa 6 uur bij de man thuis. De vrouw vindt dat partijen eerst verder hadden moeten gaan met de hulpverlening die al was ingezet, voordat de rechtbank erbij betrokken werd. Zij vindt de stap naar de rechter dan ook te vroeg.

De rechtbank is het met dat laatste eens. Dat neemt niet weg dat de rechtbank wel oog heeft voor de specifieke situatie waarin de man zich bevond toen hij die keuze maakte. De man is de vader van de minderjarige, maar hij is voor het contact met zijn kind volledig afhankelijk van de medewerking van de vrouw. De man verkeert dus in een minder sterke positie dan de vrouw en de frustratie en onzekerheid daarover kunnen leiden tot een ‘staat van paniek’, met als gevolg minder doordachte en/of overhaaste keuzes. Zo heeft het er alle schijn van dat de man vanuit dat gevoel van controleverlies of onmacht probeert om door middel van dwingend juridisch gedrag grip te krijgen op de vrouw. Dat lukt niet, want hoe meer de man probeert om de vrouw te overtuigen met juridische dwang, hoe meer de vrouw zich terugtrekt. Die wisselwerking is in niemands belang. De rechtbank vindt dan ook dat deze negatieve spiraal doorbroken moet worden. Partijen hebben daar zelf al de eerste stap in gezet door samen in mediation te gaan. Dat is mooi. Partijen laten daarmee zien dat ze niet alleen maar zeggen dat ze het liefst een goede onderlinge verstandhouding willen als ouders van de minderjarige, maar dat ze ook bereid zijn om daar hard voor te werken. En zo hoort het. Het is de verantwoordelijkheid van partijen om het welzijn van de minderjarige voorop te stellen en dat betekent in de eerste plaats leren samenwerken als ouders. Meer concreet houdt dat in dat de man moet leren om weer te vertrouwen op de intentie van de vrouw om de man zijn plaats als vader in het leven van de minderjarige te laten innemen en dat de vrouw moet leren om vertrouwen te krijgen in de man in zijn rol als vader van haar kind, dat een wezenlijk andere rol is dan de rol die hij had als haar partner.

Partijen zitten nog in de prille beginfase van dat leerproces en daarbij past (nog) geen rechterlijke inmenging. Daar komt bij dat de rechtbank de zorg van de vrouw deelt dat het vastleggen van een voorlopige omgangsregeling kan leiden tot uitvoeringsperikelen, wat de verstandhouding tussen partijen verder op scherp zal zetten. De kans op verbetering van de situatie zal dan juist kleiner worden. Het is zonde om dit nu al op het spel te zetten met een rechterlijke uitspraak die minder ruimte laat voor de onvoorspelbaarheid en spontaniteit van het leven, terwijl de rechtbank denkt dat deze jonge ouders, als het stof van de afgelopen turbulente tijd is neergedaald en de spanningen uit de lucht zijn, prima in staat zijn om samen overleg te voeren en verstandige keuzes te maken. Het is uiteindelijk het allerbeste voor de minderjarige als zijn ouders dit samen voor elkaar krijgen. Dit alles maakt dat de rechtbank het spoedverzoek van de man zal afwijzen. Dat is ook wat de vrouw primair heeft verzocht, zodat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van haar subsidiaire verzoek.

Wel wil de rechtbank partijen voor de komende tijd het volgende meegeven. Het feit dat de rechtbank het eens is met de vrouw dat de man de stap naar de rechter te vroeg heeft gemaakt, betekent niet dat de rechtbank het op alle punten met haar eens is.

De rustige opbouw die de vrouw voorstaat, vindt de rechtbank té rustig. Het verzorgen van een baby is uiteraard een leerproces, maar het gaat niet om hogere wiskunde en vraagt geen uitzonderlijk specialistische kennis of ervaring. De rechtbank begrijpt dan ook niet waarom het contact tussen de man en de minderjarige moet plaatsvinden op een neutrale plek onder begeleiding van een professional of de vrouw.

De rechtbank schat net als de raad in dat de kans op een goede (veilige) hechting tussen de man en de minderjarige groter is in de situatie dat ze contact met elkaar hebben in de woning van de man, want dat is een rustige, huiselijke en – op termijn – vertrouwde plek voor de minderjarige. Als de spanningen tussen partijen weg zijn, kan de vrouw daar uiteraard ook (af en toe) bij zijn als de man dat prima vindt. Echter, zolang de sfeer tussen partijen nog zo gespannen is als nu, lijkt dat de rechtbank niet raadzaam.

Het is ook niet nodig. De rechtbank stelt voorop dat zij ervan uitgaat dat elke ouder goed voor zijn of haar kind wil zorgen. Er is geen enkele reden om te denken dat dit in het geval van de man anders ligt. De man heeft bovendien uitgelegd dat hij lieve betrokken ouders heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat die de man zo nodig kunnen helpen bij de verzorging van de minderjarige (of in ieder geval de moeder van de man, want zijn vader is volgens de man flink ziek). En uiteraard kan de vrouw, desnoods schriftelijk, de man tips en adviezen geven over de verzorging van de minderjarige. Het gaat dan vast goedkomen met de minderjarige bij de man thuis. De man begrijpt ook wel dat hij daarvoor de nodige spullen in huis moet halen en hij zal dat ongetwijfeld ook doen. De rechtbank geeft de man tot slot nog mee om zijn nieuwe partner voorlopig niet te introduceren in het leven van de minderjarige. Het is immers goed voorstelbaar dat dit nog gevoelig ligt bij de vrouw. De prioriteit hoort nu te liggen bij de minderjarige en het leerproces dat zijn ouders nog moeten doormaken om in zijn belang samen te werken. Alles wat de focus daarop kan verminderen of bemoeilijken, moet nu even wachten.

De bodemprocedure loopt nog, zodat de rechtbank in de gaten kan houden of en zo ja, in hoeverre, partijen iets gaan doen met deze handreikingen van de rechtbank.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank:

in de voorlopige voorziening:

wijst het verzoek van de man af;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de bodemprocedure:

bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 juli 2026 PRO FORMA, in afwachting van de resultaten van de mediation met het verzoek aan partijen om uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten op welke manier volgens hen moet worden voortgeprocedeerd;

bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad op de genoemde pro forma-data niet hoeven te verschijnen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 18 maart 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?