Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10-378164-24
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,
raadsvrouw mr. S. Aytemur, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 13 maart 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. A. de Bruijne heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De verdachte heeft bekend het slachtoffer met een mes te hebben gestoken. Uit de FARR-verklaring blijkt dat als de verdachte niet aan zijn verwondingen was geholpen, hij waarschijnlijk was komen te overlijden. Door met een mes in de buik te steken, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een poging tot doodslag niet kan worden bewezen. De verdachte wilde het slachtoffer niet doden. De verdachte heeft niet gericht in de zij gestoken en zelfs als daarvan wel wordt uitgegaan dan is dat niet direct een gedraging die is gericht op en geschikt is voor het toebrengen van dodelijk letsel. Er is onvoldoende bekend over de omstandigheden van het steken om het voorwaardelijk opzet te kunnen aannemen. Zo is onduidelijk gebleven hoe diep de messteek was. Ook is onbekend met hoeveel kracht is gestoken en het soort mes dat is gebruikt. Bovendien is het slachtoffer in de zij geraakt en niet in de buik.
Beoordeling
Vaststaat dat het slachtoffer op 24 november 2024 in Rotterdam door de verdachte met een mes in de zijkant van zijn buik en in zijn bil is gestoken.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat het steken door de verdachte in de zij van het slachtoffer in dit geval niet als poging tot doodslag kan worden gekwalificeerd. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat door het steken van het slachtoffer in zijn zij een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bestond. Zo is niet bekend hoe groot het mes was, hoe diep de wond is geweest en met welke kracht is gestoken. Weliswaar is in de letselbeschrijving in de FARR-verklaring vermeld dat steekverwondingen in de buik potentieel dodelijk kunnen zijn, maar dat daarop in dit geval de aanmerkelijke kans bestond volgt niet uit het dossier.
Conclusie
Het impliciet primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering impliciet subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling
Het impliciet subsidiair ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 24 november 2024 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te
brengen,
(meermalen) met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
poging tot zware mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweerexces, dan wel putatief noodweer(exces) toekomt. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte al geruime tijd bang was voor het slachtoffer, omdat het slachtoffer de verdachte sinds langere tijd aan het pesten was. Dat pesten bestond uit het meerdere keren bedreigen, dingen naar hem roepen als hij langsliep en het voor de verdachte gaan staan en zijn hand in zijn tas doen alsof hij er een wapen uit wilde halen. Op het moment van de steekpartij voelde de verdachte zich wederom bedreigd, omdat het slachtoffer in de richting van de verdachte kwam gelopen. Vervolgens kwamen zowel een vriend van het slachtoffer als een vriend van de verdachte erbij staan en werd de verdachte door het slachtoffer bij zijn kraag beetgepakt. Op dat moment was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartoe hij genoodzaakt was zichzelf te verdedigen. De verdachte kon zich niet aan de situatie onttrekken, doordat hij door het slachtoffer was beetgepakt en naar achteren werd geduwd. Gelet op een eerder voorval ging de verdachte er op dat moment vanuit dat het slachtoffer gewapend was. De verdachte was ontzettend bang dat het slachtoffer hem zou verwonden. Dat de wijze waarop de verdachte zichzelf heeft verdedigd niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit, wordt door de verdediging niet ontkend. De reactie van de verdachte is wel het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding door het slachtoffer is veroorzaakt, aldus de raadsvrouw.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich niet met succes kan beroepen op noodweerexces, omdat geen sprake was van een evidente noodweersituatie. Daartoe voert de officier van justitie aan dat zij de angst van het slachtoffer meer ziet als een communicatie misverstand tussen de verdachte en het slachtoffer, waarbij objectief gezien geen sprake is van een noodweersituatie.
Beoordeling noodweerexces
Een beroep op noodweerexces in de zin van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan alleen slagen indien sprake is van een noodweersituatie. Die situatie doet zich voor als sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartegen verdediging noodzakelijk was. Daarnaast moet die wederrechtelijke aanranding een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte teweeg hebben gebracht en moet die hevige gemoedsbeweging ertoe hebben geleid dat de verdachte het strafbare feit heeft begaan.
Noodweersituatie
Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op het moment dat de verdachte uit een parkeergarage kwam gelopen, kwam het slachtoffer op de verdachte afgelopen. Vervolgens is het slachtoffer erg dicht op de verdachte gaan staan en pakte het slachtoffer de verdachte met beide handen bij de kraag. Op de camerabeelden te zien is dat de verdachte hierdoor een stap achteruit doet. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding die zich richtte tegen de verdachte die zich in deze situatie mocht verdedigen.
Hevige gemoedsbeweging
De verdachte heeft tijdens het moment dat hij wordt vastgepakt een mes uit zijn broekzak gepakt en het slachtoffer daarmee gestoken. Dat de wijze waarop de verdachte zichzelf heeft verdedigd, namelijk door het slachtoffer met een mes te steken, niet proportioneel is, staat niet ter discussie. Voor een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan sprake zijn indien de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar hij daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan geboden was binnen de gegeven omstandigheden.
De verdachte heeft vanaf het moment dat hij zichzelf bij de politie heeft gemeld steeds verklaard dat hij al langere tijd bang was dat het slachtoffer hem iets aan wilde doen, dat hij eigenlijk niet meer naar buiten durfde en dat hij daarom een mes op zak droeg als hij bij zijn vader verbleef, die in de buurt van het slachtoffer woonde. Hij heeft daarnaast verklaard dat hij op het moment van het tenlastegelegde weer bang werd toen hij het slachtoffer tegenkwam. Verder heeft de verdachte verklaard dat er eerdere incidenten zijn geweest waardoor de angst voor het slachtoffer is ontstaan. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat de situatie op het moment van het tenlastegelegde anders was dan de eerdere situaties, omdat het slachtoffer toen op de verdachte kwam afgelopen en hem met twee handen bij de kraag heeft gepakt. Dat was eerder niet voorgekomen. De verdachte heeft consequent en eenduidig verklaard dat hij bang was voor het slachtoffer. Zijn verklaringen op dit punt lijken oprecht en authentiek. Dat zijn angst niet geheel zonder reden was, wordt bevestigd door het feit dat het slachtoffer naar de verdachte is toegelopen en hem stevig bij zijn kraag pakte. Ook op de zitting heeft de rechtbank waargenomen dat de verdachte, terwijl hij sprak over het voorval en het slachtoffer, nog steeds bang leek te zijn. De rechtbank acht het aannemelijk geworden dat het op de verdachte aflopen en hem vastpakken bij de kraag de hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt, waardoor de verdachte het mes heeft gepakt en daarmee het slachtoffer heeft gestoken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte een kwetsbare jongen is. Hij heeft een licht verstandelijke beperking (IQ van 55) en vertoont op sociaal-emotioneel gebied gedrag dat passend is bij een jongere ontwikkelingsleeftijd. Hij krijgt inmiddels ruim 6 jaar zorg vanuit RenQli op basis van een WMO-indicatie langdurige zorg.
De rechtbank stelt op grond van alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden vast dat de verdachte verder is gegaan dan noodzakelijk of geboden was, maar dat het aannemelijk is geworden dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer.
Conclusie
Het beroep op noodweerexces slaagt. De verdachte is niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
7. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij] ter zake van het tenlastegelegde feit.
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 239,66 aan materiële schade en een bedrag van € 12.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte niet strafbaar is voor het ten laste gelegde feit.
Beoordeling
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde feit wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Aan de verdachte wordt geen straf of maatregel opgelegd en evenmin wordt artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarde voor ontvankelijkheid van de benadeelde partij, zoals gesteld in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering.
De benadeelde partij zal worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten worden begroot op nihil.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
8. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
9. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde feit niet strafbaar
en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M. Stolk, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. H. Wielhouwer en R. van den Wildenberg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 24 november 2024 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te
brengen,
(meermalen) met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.