RECHTBANK Rotterdam
Familierecht
Zaaknummer: C/10/715692 / KG ZA 26-200
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
tegen
[naam man] , hierna: de man
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eiser in reconventie
advocaat: mr. A. Vijftigschild.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van de vrouw van 9 maart 2026;
- de conclusie van antwoord en eis in reconventie met producties van de man van 11 maart 2026;
- de conclusie van antwoord in reconventie van de vrouw van 24 maart 2026;
- de pleitnota van de advocaat van de man, ingekomen op 25 maart 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door waarnemend advocaat mr. L.H.E.M. Berendse;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
De minderjarige is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt door op 25 maart 2026 met de voorzieningenrechter te praten.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Die relatie is beëindigd.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
De minderjarige heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
De minderjarige verblijft in het kader van de huidige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) iedere woensdag uit school tot donderdag naar school bij de man, evenals eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school.
3. Het geschil in conventie en reconventie
De vrouw vordert in conventie – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op middelbare school [naam school 1] in ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] . Daarnaast vordert de vrouw de man te veroordelen in de proceskosten.
De man voert verweer en bepleit afwijzing met compensatie van de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In reconventie vordert de man – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad de zorgregeling voorlopig te wijzigen in die zin dat de minderjarige op maandag en dinsdag bij de man verblijft. Daarnaast vordert de man hem vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op middelbare scholen in [woonplaats 2] , waaronder het [naam school 2] ( [afkorting naam school] ). Daarnaast vordert de man de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling in conventie en reconventie
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie zullen de vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen. Partijen verschillen van mening over de inschrijving van de minderjarige op een middelbare school, terwijl de uiterste aanmelddatum op korte termijn, 31 maart 2026, verstrijkt. Daarmee is sprake van een voldoende spoedeisend belang.
Vervangende toestemming inschrijving school
Hoewel blijkens de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis vervangende toestemming bij verzoekschrift moet worden gevraagd aan de kinderrechter, zullen de vrouw en de man, om proceseconomische redenen en vanwege het spoedeisend karakter van de zaak toch in hun vorderingen worden ontvangen, waarop de voorzieningenrechter tevens in zijn hoedanigheid van kinderrechter zal beslissen.
De minderjarige zit op dit moment in groep 8 van een basisschool in [woonplaats 1] . Na de zomer gaat zij naar de middelbare school. Partijen komen er echter niet samen uit welke school dat gaat worden; een school in de buurt bij de man (in [woonplaats 2] ) óf een school bij de vrouw (in [woonplaats 1] ). De schoolkeuze is een belangrijk moment in het leven van de minderjarige. Het gaat er immers over waar zij de komende jaren zich verder zal vormen richting volwassenheid. Het is daarmee bij uitstek een onderwerp waar partijen samen, in overleg met hun dochter, een beslissing over moeten nemen. De voorzieningenrechter acht het onbegrijpelijk dat ouders niet in staat zijn gebleken om hierover samen een beslissing te nemen, maar daarentegen hun dochter hebben belast met deze strijd wat heeft uitgemond in deze procedure. Dat geldt des te meer omdat de voorzieningenrechter partijen heeft voorgehouden dat hun dochter tijdens het kindgesprek aangaf dat zij wil dat haar ouders de keuze maken. De schoolkeuze voelt als een keuze tussen haar ouders en dat wil zij, begrijpelijkerwijs, niet. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de raad én de voorzieningenrechter ouders hierop aangesproken. Partijen zijn ook nog een termijn gegund om toch samen een beslissing te nemen. De voorzieningenrechter constateert dat het partijen desondanks niet is gelukt om een beslissing te nemen. Omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt, ziet de voorzieningenrechter zich genoodzaakt een beslissing te nemen.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling het belang van de minderjarige centraal staat. Partijen hebben allebei de voor hen zwaarwegende feiten en omstandigheden aangevoerd waarom de minderjarige naar de school van hun keuze zou moeten gaan. Van doorslaggevend belang acht de voorzieningenrechter dat de minderjarige heeft aangegeven niet van veranderingen te houden. Zij heeft op dit moment haar leven in [woonplaats 1] ingericht, waar zij niet alleen naar school gaat maar ook haar vriendinnen heeft, danslessen volgt en deelneemt aan de kinderrraad van het Franciscus Vlietland ziekenhuis in [woonplaats 1] . Verder is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat twee klasgenoten, waarvan tenminste een waarmee de minderjarige veel omgaat, eveneens naar de middelbare school in [woonplaats 1] gaan. De raad heeft daarnaast benadrukt dat het voor de minderjarige van belang is dat haar leefomgeving zoveel mogelijk stabiel blijft en veranderingen worden beperkt. Een school in [woonplaats 2] zou betekenen dat de minderjarige meer bij de man zou gaan wonen. Zij heeft in het gesprek met de voorzieningenrechter aangegeven net zo graag bij de man te wonen, maar het zou wel betekenen dat zij in feite haar hoofdverblijfplaats bij een andere ouder zou krijgen. Dat is ook een grote verandering en dat acht de voorzieningenrechter niet in haar belang.
Alles overwegend komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het in belang is van de minderjarige dat zij wordt ingeschreven op de middelbare school [naam school 1] in [woonplaats 1] . Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vordering in conventie zal toewijzen onder afwijzing van de vordering in reconventie.
Zorgregeling
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De door de man gevorderde wijziging van de zorgregeling is evenmin toewijsbaar. Deze regeling zou leiden tot meer reisbewegingen voor de minderjarige vanuit [woonplaats 1] naar [woonplaats 2] , hetgeen zij uitdrukkelijk niet wenst. Daarnaast heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat de voorgestelde regeling voor haar op maandagochtend en vrijdag vanwege haar werkzaamheden niet haalbaar is. Tijdens het kindgesprek heeft de minderjarige ook aangegeven dat zij op maandag en dinsdag graag naar haar opa en oma gaat en het vroege opstaan op die dagen niet bezwaarlijk vindt. De voorzieningenrechter zal ook deze vordering in reconventie afwijzen.
Proceskosten
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrouw heeft bijgedragen aan het ontstaan van de procedure door de optie van een middelbare school in [woonplaats 2] op voorhand niet bespreekbaar te maken. Dit is een belangrijke oorzaak geweest van dit geschil. Vervolgens zijn partijen niet in staat gebleken om samen een beslissing te nemen over de schoolkeuze. Hiervoor heeft de voorzieningenrechter al aangegeven dat zij dit beide partijen aanrekent. Van het door de vrouw gestelde misbruik van gezag door de man, is dan ook geen sprake.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
verleent de vrouw vervangende toestemming om de minderjarige in te schrijven op middelbare school [naam school 1] te [woonplaats 1] ( [postcode] ) aan de [adres] ;
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
wijst af de vorderingen van de man ten aanzien van de vervangende toestemming en wijziging van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
in conventie en reconventie
wijst af de vordering van de vrouw om de man te veroordelen in de kosten van deze procedure;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Moerman en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.